Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ4723

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
10/04759 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ4723
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1135
NJB 2011/2016
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/04759 H

Mr Jörg

Zitting 26 april 2011

Conclusie inzake:

[Aanvrager]

1. De politierechter in de rechtbank te Rotterdam heeft bij vonnis van 6 maart 2009 aanvrager ter zake van "als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

2. Deze zaak hangt samen met de herzieningsaanvragen van aanvrager met griffienummers S 10/04757 H en S 10/04760 H waarin ik heden eveneens concludeer.

3. Namens de aanvrager heeft mr. M.E.M. Jacquemard, advocaat te 's-Hertogenbosch, een aanvrage tot herziening van bovenvermeld vonnis ingediend.

4. In de aanvrage wordt aangevoerd dat de politierechter de aanvrager zou hebben vrijgesproken van de ten laste gelegde overtreding van art. 197 Sr indien deze ermee bekend zou zijn geweest dat aanvrager niet tot ongewenst vreemdeling verklaard had kunnen worden en om die reden de beschikking tot ongewenstverklaring zou worden ingetrokken.

5. De stukken van het geding en de aan de aanvrage gehechte stukken houden, voor zover voor de beoordeling van de aanvrage van belang, het volgende in.

(i) Aanvrager, in het bezit van de Turkse nationaliteit, is bij beschikking van het hoofd van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), namens de Staatssecretaris van Justitie, van 29 november 2007 op grond van art. 67, eerste lid aanhef en onder c, Vreemdelingenwet tot ongewenste vreemdeling verklaard.

(ii) Bij vonnis van de politierechter van 6 maart 2009 is aanvrager veroordeeld voor het hiervoor onder 1 vermelde op 15 december 2008 gepleegde feit.

(iii) Blijkens de brief van 31 maart 2010 van het hoofd van de IND, namens de Minister van Justitie, gericht aan Collet Advocaten te 's-Hertogenbosch wordt aanvrager geacht van 7 september 1983 tot aan heden immer in het bezit te zijn geweest van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en had aanvrager aldus niet tot ongewenst vreemdeling verklaard kunnen worden.

6. Op grond van het voorgaande moet ervan uit worden gegaan dat de beschikking tot ongewenstverklaring van 29 november 2007 geacht moet worden nimmer te zijn gegeven.(1) Dit levert het ernstig vermoeden op dat de politierechter, ware deze met de brief van 31 maart 2010 en de daarin vervatte overwegingen bekend geweest, aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.

7. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 6 maart 2009 zal bevelen, en de zaak zal verwijzen naar het gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vgl. HR 25 september 2007, LJN BA7935 en HR 10 februari 1987, NJ 1987/848 m.nt. Corstens.