Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ4715

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
28-06-2011
Zaaknummer
10/02932
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2010:BM9469
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ4715
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Eindhovense zedenzaak. HR: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/893
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/02932

Mr. Hofstee

Zitting: 26 april 2011

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Na eerdere terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad is verzoeker bij arrest van 29 juni 2010 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter zake van 1 subsidiair en 3 subsidiair telkens "Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd" en 2 primair "Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd" en 5 "Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren en de bijzonder voorwaarde dat verzoeker zich gedurende de proeftijd onder toezicht van Reclassering Nederland stelt en zich naar de voorschriften en aanwijzingen van deze instelling gedraagt.

2. Namens verzoeker hebben mrs. J. Goudswaard en I. van Straalen, advocaten te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Deze zaak heeft een voorgeschiedenis in cassatie. Bij arrest van 30 maart 2010, LJN BL7813 (nr. S. 09/02532) vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 juni 2009, maar uitsluitend met betrekking tot de beslissingen ter zake van het onder 5 tenlastegelegde feit en de strafoplegging, en wees hij de zaak terug naar het Hof, opdat de zaak in zoverre op het toen bestaande hoger beroep opnieuw zou worden berecht en afgedaan. De Hoge Raad oordeelde namelijk dat uit de destijds door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat het tenlastegelegde feit 5 - ontuchtige handelingen plegen met de op dat moment negenjarige [slachtoffer 1] -, zoals bewezen verklaard, was gepleegd "in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 23 juni 2007", zodat de bewezenverklaring in dat opzicht ontoereikend was gemotiveerd. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het vorenoverwogene meebracht dat het vierde en het zesde cassatiemiddel (zoals in de (vorige) cassatieschriftuur van 9 februari 2010 opgenomen) geen bespreking behoefden. Met deze cassatiemiddelen komen sterk overeen de cassatiemiddelen die thans in de cassatieschriftuur van 17 januari 2011 worden voorgesteld.

4. Zo klaagt het eerste middel, evenals het vierde middel in de cassatieschriftuur van 9 februari 2010, dat het Hof (opnieuw) is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging omtrent de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1], maar niet, althans in onvoldoende mate in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid.

5. Blijkens het proces-verbaal terechtzitting van het Hof van 15 juni 2010 heeft de raadsvrouw van verzoeker aldaar gepleit overeenkomstig de inhoud van de door haar overgelegde en aan dat proces-verbaal gehechte pleitnota. In deze pleitnota wordt onder het hoofd "Betrouwbaarheid van de verklaring (middel IV)" gemotiveerd betoogd - er is wat dat betreft zonder meer sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv. - dat de verklaring van [slachtoffer 1] onvoldoende betrouwbaar is om voor het bewijs te gebruiken. De (eerdere) verwerping door het Hof van de verweren van de verdediging daaromtrent, vindt, aldus de raadsvrouw, haar grondslag voor een belangrijk deel in het rapport van prof. dr. Bullens van 4 augustus 2008. De enkele verwijzing van het Hof naar de inhoud van dat rapport vormt volgens de raadsvrouw geen afdoende weerlegging van de kritiek die de verdediging heeft op de verklaring van [slachtoffer 1]: enerzijds omdat Bullens bepaalde onderdelen van het verweer juist ondersteunt en anderzijds omdat het rapport op onderdelen van de door de verdediging geleverde kritiek - bijvoorbeeld ten aanzien van de feitelijke onjuistheden en de persoonlijkheid van [slachtoffer 1] - geen antwoord, althans geen bevredigend antwoord weet te geven. Voorts heeft de raadsvrouw onder vermelding van artikelen in het NJB en Trema de door de deskundige Bullens gehanteerde CBCA onderzoeksmethode ter discussie gesteld.

6. Het Hof heeft in zijn bestreden arrest naar aanleiding van het verweer van de verdediging het volgende overwogen:

"Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" (...)

A.2

(...)

Professor dr. R. Bullens, hierna: Bullens, heeft in de onderhavige zaak op verzoek van de rechter-commissaris van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van (onder andere) de verklaring die [slachtoffer 1] tijdens het studioverhoor van 29 augustus 2007 heeft afgelegd. Bullens heeft zijn bevindingen neergelegd in een onderzoeksverslag van 4 augustus 2008. Uit dit verslag kan het volgende worden afgeleid.

A.3

Bullens heeft eerst motivationele aspecten onderzocht, die duidelijk zouden kunnen maken of [slachtoffer 1] dan wel andere direct-betrokkenen motieven hebben om een valse of onware verklaring af te (laten) leggen. De aspecten die Bullens in zijn rapport bespreekt zijn de "disclosure" - het voor het eerst aan het licht komen van het (vermeende) seksueel misbruik -, de ontstaansgeschiedenis van [slachtoffer 1]s verklaring en de situatie of verhouding tussen [slachtoffer 1] en verdachte.

Voor wat betreft de "disclosure" constateert Bullens dat geen sprake is geweest van een spontane onthulling. [Slachtoffer 1] heeft pas verklaard over ontuchtige handelingen van verdachte jegens hem, na - in ieder geval deels - gesloten, (bedekt) suggestieve vragen van zijn moeder.

Met betrekking tot de ontstaansgeschiedenis van de verklaring van [slachtoffer 1] overweegt Bullens dat er een periode van zeventien dagen is verlopen tussen zijn onthulling en het studioverhoor. Er kan in die periode contaminatie van werkelijke en niet-werkelijke feiten hebben plaatsgevonden. Die contaminatie kan ook in de periode voorafgaand aan de onthulling zijn ontstaan door gesloten en (bedekt) suggestieve bevraging door zijn moeder en/of doordat [slachtoffer 1] mogelijk een gesprek tussen zijn moeder en haar vriendin heeft opgevangen over eventueel seksueel misbruik door verdachte.

Bullens concludeert echter dat de waarschijnlijkheid van contaminatie als gering moet worden ingeschat. Bullens komt tot die conclusie, omdat de verklaring van [slachtoffer 1] geen incremented (uitdijend) karakter draagt. Bullens spreekt dan over de - naar zijn deskundig oordeel blijkbaar beperkte - mate waarin de verklaring van [slachtoffer 1] tegenover zijn moeder afwijkt van de verklaring die hij later tijdens het studioverhoor aflegt. Immers overweegt Bullens in zijn rapport:

"De ouders zelf hebben via de politie een vermoeden gekregen dat er iets niet in de haak was; naar aanleiding daarvan zijn zij aan hun kinderen vragen gaan stellen. Vanuit de emotie van het moment is het voorstelbaar dat ouders daarbij gesloten (bedekt) suggestieve vragen aan hun kinderen zijn gaan stellen. Om die reden is het van belang om vast te stellen in hoeverre er een discrepantie bestaat tussen hetgeen de jongens initieel tegenover de ouders hebben verklaard, en hetgeen zij tijdens de studioverhoren hebben verklaard. Bij alle jongens kan worden vastgesteld dat zij in grote lijnen hetzelfde verhaal zijn blijven vertellen, en hun verklaring derhalve geen incremented karakter draagt."

Opgemerkt zij nu reeds dat het hof begrijpt dat Bullens de verklaring van [slachtoffer 1] tijdens het studioverhoor heeft afgezet tegen de zaakinhoudelijke verklaring van [slachtoffer 1] tegenover zijn moeder en derhalve niet - zoals de raadsvrouw impliceert - tegenover de aanvankelijke verklaring van [slachtoffer 1] dat er niets gebeurd zou zijn.

Bullens overweegt met betrekking tot de motivationele aspecten ten slotte dat uit de situatie of verhouding tussen [slachtoffer 1] en verdachte geen motieven voor het afleggen van een valse of onware verklaring naar voren komen. Hij wijst er daarbij op dat verdachte bij geen van de betrokken minderjarigen in negatief daglicht stond. In bijlage 5 overweegt Bullens meer specifiek ten aanzien van [slachtoffer 1]: "Er is in enige mate sprake van dat [slachtoffer 1] [verdachte] 'ontziet' door te vertellen dat [verdachte] - naast een pedofiel - ook heel aardig is [...]".

A.4

Met betrekking tot het verloop van het studioverhoor van [slachtoffer 1] komt Bullens tot de conclusie dat het - op enkele onvolkomenheden na - op goede wijze is afgenomen.

A.5

Over [slachtoffer 1]s opstelling tijdens het verhoor stelt Bullens dat [slachtoffer 1] op open wijze lijkt aan te geven als hij een vraag niet begrijpt of iets niet weet en dat hij de verhoorder enkele keren verbetert. Voorts constateert Bullens dat [slachtoffer 1] zijn verhaal met passende gebaren ondersteunt. Bullens noemt in bijlage 5 specifiek een openende beweging als [slachtoffer 1] verklaart over het open zijn van zijn badjas en een op- en neergaande beweging met de rechterhand als [slachtoffer 1] verklaart over de ontuchtige handelingen.

A.6

Over de inhoud van de verklaring van [slachtoffer 1] rapporteert Bullens onder meer het volgende.

"De verklaring van [slachtoffer 1] bevat voldoende 'ongestructureerde productie' en hij lijkt zijn verhaal op elk moment te kunnen oppakken. De contextuele inbedding van hetgeen hij verklaart, is voldoende. [Slachtoffer 1] verbetert zichzelf verschillende keren spontaan en geeft het aan wanneer hij iets niet begrijpt of iets niet meer weet.

[Slachtoffer 1] weet voldoende intieme details te geven over de wijze waarop [verdachte] en hijzelf elkaars piemel zouden hebben vastgepakt."

A.7

Het hof constateert met de raadsvrouwe dat Bullens onderkent dat er ook aspecten zijn die afbreuk zouden kunnen doen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1]. Zo overweegt Bullens dat er enige aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van druk vanuit [slachtoffer 1]s moeder om te verklaren over het seksuele misbruik en benoemt hij het risico van contaminatie van werkelijke en niet-werkelijke feiten. Bullens overweegt ook dat met betrekking tot [slachtoffer 1] geen melding is gemaakt van zogenaamde 'soft signs' die kunnen worden beoordeeld als mogelijke signalen van seksueel misbruik. Voorts constateert Bullens enkele opmerkelijkheden en inconsistenties in [slachtoffer 1]s verklaring.

A.8

De door Bullens onderkende aspecten hebben er echter niet toe geleid dat hij op enig moment in zijn verslag de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] daadwerkelijk in twijfel trekt. In plaats daarvan stelt hij tegenover die punten - naar zijn deskundig oordeel blijkbaar sterkere - aanwijzingen voor de betrouwbaarheid van de verklaring. Zo overweegt Bullens geen motief te hebben kunnen ontwaren voor [slachtoffer 1] om een valse of onware verklaring af te leggen, is hij van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] geen incrementeel karakter draagt en concludeert hij dat het studioverhoor op goede wijze is afgenomen. Voorts overweegt Bullens dat [slachtoffer 1] voldoende intieme details weet te geven over de ontuchtige handelingen.

Het hof overweegt daarbij dat de intieme details juist betrekking hebben op de kern van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, namelijk het aftrekken van elkaar.

A.9

Bij het voorgaande dient te worden opgemerkt dat Bullens op de hoogte was van de persoonlijke problematiek van [slachtoffer 1]. Hij heeft er in zijn verslag ook enkele keren aan gerefereerd. De persoonlijke problematiek heeft Bullens echter niet tot andere inzichten gebracht over de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1].

A.10

Gelet op al het voorgaande is het hof, anders dan de raadsvrouwe, van oordeel dat aan het verslag van Bullens voldoende aanwijzingen zijn te ontlenen om de verklaring van [slachtoffer 1] als betrouwbaar aan te merken.

De kritische kantekeningen van de raadsvrouwe waarin zij haar twijfels uit over de overwegingen van Bullens, brengen het hof niet tot een ander oordeel. In de door de raadsvrouw aangevoerde kritiek op de onderzoeksmethode van Bullens ziet het hof evenmin aanleiding de inhoud van het verslag terzijde te stellen.

A.11

Het hof verwerpt derhalve het verweer.

(...)"

7. Ik merk op dat het Hof in deze "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging inzake de haars inziens onbetrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] hoofdzakelijk heeft verworpen op grond van de bevindingen van Bullens, zoals door deze deskundige in diens rapport van 4 augustus 2008 zijn beschreven.(1) In het arrest van 22 juni 2009 ging het Hof óók nog in op de mogelijke bijwerkingen van het medicijn Reductil in verband met de door verzoeker gestelde erectiestoornissen bij hem, en op de spontaniteit waarmee [slachtoffer 1] - zonder enige aanleiding of druk van buitenaf (dus zonder dat hier sprake was van de door de verdediging gestelde aanhoudende vraagstelling van moeder) - aan zijn moeder had verteld dat verzoeker aan zijn piemel had gezeten en dat hij dit ook bij verzoeker had gedaan.

8. In de toelichting op het middel wordt niet alleen het hierboven onder 5 samengevatte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de raadsvrouw herhaald, maar ook erover geklaagd dat het Hof in zijn thans bestreden arrest zijn betrouwbaarheidsoordeel over de verklaring van [slachtoffer 1] slechts heeft gebaseerd op de enkele conclusie van Bullens in diens rapport van 4 augustus 2008, zonder zich zelfstandig een oordeel te vormen omtrent de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1].

9. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen hetwelk hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering.(2)

10. In eerdere uitspraken van de Hoge Raad is een dergelijke, tot nadere verantwoording van de betrouwbaarheid van een bewijsmiddel nopende, uitzonderlijke omstandigheid gevonden in het passeren van een onderbouwd en waar mogelijk gedocumenteerd standpunt (of verweer), ertoe strekkende dat een onderdeel van het bewijsmateriaal was verkregen door toepassing van een, op wetenschappelijke of technische inzichten berustende, onderzoeksmethode waarvan in deskundige kring wordt betwijfeld of zij wel geschikt is om betrouwbare resultaten op te leveren, dan wel dat een bijzondere onderzoeksmethode niet op verantwoorde wijze was toegepast.(3) Een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid is ook aangenomen in een geval waarin was betwist dat de als deskundige aangemerkte onderzoeker werkelijk over de vereiste kennis en ervaring beschikte om bepaalde vaststellingen te doen, terwijl het met het oog op de professionele bezigheden van die persoon niet aanstonds voor de hand lag die specifieke deskundigheid aan te nemen.(4) In al deze gevallen waren de betwiste bevindingen van de deskundige van bijzonder belang voor het bereiken van een bewezenverklaring, zonder dat zij ten aanzien van het onderdeel van de bewijsconstructie waarop zij betrekking hadden konden worden bevestigd door ander bewijsmateriaal. Voorts was, als ik het goed zie, in die gevallen het betwiste deskundig oordeel in die mate verweven met inzichten of vaardigheden van wetenschappelijke of technische aard dat niet zonder meer kon worden aangenomen dat de strafrechter in staat was dat oordeel zelfstandig te reconstrueren en op concludentie te beoordelen.

11. Blijkens de hiervoor onder 6 weergegeven overwegingen, heeft het Hof (als gezegd) zich met betrekking tot de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] hoofdzakelijk gebaseerd op het rapport van de deskundige Bullens van 4 augustus 2008. Kennelijk heeft het Hof in dat rapport de weerlegging gelezen van de door de raadsvrouw aangevoerde, mogelijk aan de in de toelichting op het bedoelde vierde middel ontleende, kanttekeningen. Daartoe heeft het Hof verschillende punten en conclusies uit het rapport-Bullens aangehaald op grond waarvan het naar mijn mening niet onbegrijpelijk tot het oordeel is gekomen dat aan dit rapport voldoende aanwijzingen ontleend kunnen worden om de verklaring van [slachtoffer 1] als betrouwbaar aan te merken. Anders dan het geval was in de door de stellers van het middel aangehaalde zaak HR 30 maart 1999, LJN ZD1360, NJ 1999, 451 vindt de stelling van de verdediging omtrent de onbetrouwbaarheid van de onderzoeksmethode in de onderhavige zaak geen grond in een daartoe strekkend oordeel van een in deze zaak betrokken deskundige en is het Hof voorts in dit geval - zij het in summiere bewoordingen - wél ingegaan op de door de verdediging geuite kritiek op de door Bullens toegepaste onderzoeksmethode. Het Hof heeft immers overwogen dat het in de door de verdediging geleverde kritiek op de door de deskundige gehanteerde onderzoeksmethode geen aanleiding ziet de inhoud van het verslag terzijde te stellen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het Hof van oordeel dat het op de betwiste onderzoeksmethode gebaseerde oordeel van de deskundige niet in die mate verweven was met inzichten of vaardigheden van wetenschappelijke of technische aard dat het Hof niet in staat geacht kan worden dat oordeel zelfstandig te reconstrueren en op concludentie te beoordelen. Aldus heeft het Hof zich zelfstandig een oordeel gevormd en kunnen vormen over de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1].(5)

12. Gelet op het voorgaande is de verwerping van het onbetrouwbaarheidsverweer van de verdediging door het Hof toereikend gemotiveerd.

13. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onderhavige feit 5 op de verklaring van één getuige berust, terwijl de voor het bewijs gebezigde verklaring van verzoeker en het door het Hof gebruikte schakelbewijs deze verklaring niet in voldoende mate ondersteunen.

14. Het Hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

- een geboorteakte, betrekking hebbende op [slachtoffer 1] (bewijsmiddel 1);

- een GBA-overzicht betreffende verzoekers woonadres (bewijsmiddel 2);

- een schriftelijke verklaring van verzoeker, inhoudende dat [slachtoffer 1] één nacht, ergens in april 2007, bij verzoeker heeft gelogeerd en dat verzoeker - nadat [slachtoffer 1] naakt naar beneden kwam na het baden omdat hij geen pyjama bij zich had - [slachtoffer 1] toen een badjas heeft gegeven, verzoeker vervolgens is gaan baden en een half uurtje later gekleed in badjas weer naar beneden kwam, waar [slachtoffer 1] en [betrokkene 2] nog op de bank zaten (bewijsmiddel 3);

- een verklaring van de moeder van [slachtoffer 1], waarin is opgetekend wat zij uit de mond van [slachtoffer 1] heeft vernomen (bewijsmiddel 4);

- een proces-verbaal van het studioverhoor van [slachtoffer 1] (bewijsmiddel 5);

- het veroordelend arrest van het Hof te 's-Hertogenbosch van 22 juni 2009 (met parketnummer 20-003445-08) voor zover inhoudend de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair en feit 3 subsidiair, telkens "met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd", [het betreft hier de slachtoffers [slachtoffer 3] respectievelijk [slachtoffer 4], EH] en feit 2 primair "met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd" [het gaat hier om het slachtoffer [slachtoffer 2], EH] (bewijsmiddel 6).

15. Blijkens de eerder genoemde pleitnota heeft de raadsvrouw van verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat ondersteunend bewijs voor de belastende verklaring van [slachtoffer 1] ontbreekt, zodat niet voldaan is aan het in artikel 342, tweede lid, Sv neergelegde wettelijk bewijsminimum voor een bewezenverklaring van feit 5.

16. Het Hof heeft naar aanleiding van dit verweer in zijn bestreden arrest het volgende overwogen:

"Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

(...)

B.2

Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, kan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Voor het bewijs kan derhalve niet worden volstaan met de verklaring van [slachtoffer 1] en eventuele verklaringen van derden die slechts weergeven wat [slachtoffer 1] hen heeft verteld. Voor de verklaring van [slachtoffer 1] is steunbewijs nodig dat in een betekenisvolle betrekking tot het ten laste gelegde feit staat.

B.3

Het hof ziet als steunbewijs in de eerste plaats de verklaring van verdachte zelf dat [slachtoffer 1] in de ten laste gelegde periode bij hem heeft gelogeerd en dat hij en [slachtoffer 1] alstoen op enig moment slechts in een badjas waren gekleed.

B.4

Voorts kent het hof betekenis toe aan de - met uitzondering van de strafoplegging - onherroepelijk geworden veroordeling van de verdachte ter zake van ontuchtige handelingen, gepleegd met [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4]. Het hof heeft daarbij in het bijzonder acht geslagen op de volgende overeenkomsten met de voorliggende

strafzaak:

- de ten laste gelegde periode, namelijk augustus 2006 tot en met 23 juni 2007,

- de leeftijd van de slachtoffers, namelijk tussen de 12 en 16 jaar, en

- de aard van de ontuchtige handelingen, immers heeft verdachte in alle gevallen de penis

van het slachtoffer vastgepakt en op en neer gaande bewegingen gemaakt.

Bovendien heeft verdachte [slachtoffer 3] net als [slachtoffer 1] ertoe bewogen zijn, verdachtes, penis vast te pakken en op en neer gaande bewegingen te maken.

B.5

Aldus voldoende steunbewijs aanwezig achtend verwerpt het hof het verweer."

17. Vooropgesteld moet worden dat, indien uit het geheel van het bewijsmateriaal ter zake van een reeks van delicten een herkenbaar en gelijksoortig (gedrags)-patroon kan worden vastgesteld, de rechter gebruik mag maken van zogenaamd schakelbewijs: bewijsmiddelen die op zichzelf beschouwd redengevend zijn voor het bewijs van uitsluitend een bepaald strafbaar feit kunnen bij deze stand van zaken ook de bewezenverklaring van andere strafbare feiten en met name de betrokkenheid van iemand daarbij - bijkomend - ondersteunen.(6)

18. In de eerste cassatieronde is reeds namens verzoeker, toen in het zesde middel, geklaagd dat het bewijs van feit 5 feitelijk berust op de verklaring van maar één getuige, te weten [slachtoffer 1], nu de inhoud van de verklaring van de moeder van [slachtoffer 1] is afgeleid uit de verklaringen van [slachtoffer 1] zelf en de verklaring van verzoeker niet de tekortkoming in de bewijsvoering, gelet op artikel 342, tweede lid, Sv, kan verhelpen, omdat die verklaring onvoldoende verband heeft met de verklaring van [slachtoffer 1]. Naar aanleiding van dit zesde middel heeft mijn ambtgenoot Machielse in zijn conclusie vóór HR 30 maart 2010, LJN BL7813 - na een uitgebreide uiteenzetting in de paragrafen 7.3 tot en met 7.6 over art. 342, tweede lid, Sv en het steunbewijs, waarnaar ik kortheidshalve verwijs en waarbij ik mij aansluit -, betekenis toegekend aan de verklaring van verzoeker dat [slachtoffer 1] bij hem heeft gelogeerd en met name aan het detail dat beiden badjassen droegen. Deze beide aspecten bieden volgens Machielse voldoende steun aan het proces-verbaal van het studioverhoor (de verklaring van [slachtoffer 1]). Voorts heeft Machielse in zijn conclusie - onder verwijzing naar de bekennende verklaring van verzoeker ten aanzien van diens handelingen jegens de andere jongens ([slachtoffer 2 en 3], alsmede [slachtoffer 4]) - gesteld dat het handelen van verzoeker jegens [slachtoffer 1] op essentiële punten voldoende soortgelijk is aan het handelen van verzoeker met de andere genoemde jongens om de verklaring van verzoeker over zijn handelen met die andere jongens voor het bewijs van het tenlastegelegde feit 5 te kunnen inschakelen en dat het verband van het bewijs voor feit 5 en de betekenis van het schakelende bewijs zijns inziens duidelijk is.

19. In zijn thans bestreden arrest heeft het Hof - gelet op de gebezigde bewijsmiddelen en de bijzondere overwegingen omtrent het bewijs - de conclusie van Machielse met betrekking tot (toen dus nog) het zesde middel gevolgd door:

(i) enerzijds de verklaring van verzoeker dat [slachtoffer 1] in de tenlastegelegde periode bij hem heeft gelogeerd en dat hij en [slachtoffer 1] op enig moment slechts in een badjas waren gekleed als steunbewijs te beschouwen, waaruit ik opmaak dat het Hof de door verzoeker gegeven uitleg voor het feit dat [slachtoffer 1] een badjas droeg kennelijk niet aannemelijk heeft geacht, maar van oordeel is dat dit, zoals ook mijn ambtgenoot Machielse heeft opgemerkt, diende om het gemakkelijker te maken de ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] te plegen -; en

(ii) anderzijds betekenis toe te kennen aan de onherroepelijk geworden veroordeling van verzoeker ter zake van ontuchtige handelingen gepleegd met [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] in de tenlastegelegde periode en daarbij in het bijzonder acht te slaan op de overeenkomst met de onderhavige strafzaak, ten aanzien van: de bewezenverklaarde periode 1 augustus 2006 tot en met 23 juni 2007, de leeftijd van de slachtoffers (tussen de 12 en 16 jaar) en de aard van de ontuchtige handelingen (de penis van de slachtoffers vastpakken en daarbij op en neer gaande bewegingen maken en de slachtoffers ertoe bewegen verzoekers penis vast te pakken en op en neer gaande bewegingen te maken). Weliswaar gaat het hier om een pleegperiode van ruim tien maanden, was [slachtoffer 1] ten tijde van het bewezen verklaarde negen jaar oud en dus jonger dan de andere slachtoffers en is de aard van het handelen op zichzelf genomen niet heel onderscheidend ten opzichte van andere, soortgelijke ontuchtzaken. In onderling verband en in onderlinge samenhang bezien getuigen de feiten en omstandigheden - in aanmerking nemend dat het Hof de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar heeft geacht en tegen de achtergrond dat het steeds verzoeker was die door de slachtoffers als ontuchtpleger werd aangewezen - echter van dezelfde kenmerkende handelwijze, hetgeen redengevend mag worden geoordeeld voor het bewijs van de ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1].

20. Gelet op het voorgaande acht ik het bewijsoordeel van het Hof aldus niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Verder kan dit oordeel, verweven als het is met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van feitelijke aard, in cassatie niet worden getoetst.

21. De voorgestelde middelen falen en kunnen naar mijn mening met de in art. 81 RO bedoelde motivering worden afgedaan.

22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Daarbij teken ik aan dat de nadien door getuigen afgelegde verklaringen Bullens geen aanleiding hebben gegeven tot nadere beschouwingen en niet van invloed zijn op de overwegingen en antwoorden in zijn rapport van 4 augustus 2008, zo blijkt uit zijn aanvullend rapport van 27 april 2009.

2 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zesde druk, 2009, p. 234.

3 Vgl. HR 28 februari 1989, LJN AC3483, NJ 1989, 748 m.nt. 't Hart, HR 13 mei 1997, LJN AC3074, NJ 1998, 318 m.nt. Schalken en (ook door de stellers van het middel genoemd) HR 30 maart 1999, LJN ZD1360, NJ 1999, 451 m.nt. Hart.

4 Vgl. HR 27 januari 1998, LJN ZD0917, NJ 1998, 404 m.nt. Reijntjes.

5 Ook al waren de overwegingen van het Hof in zijn arrest van 22 juni 2009 wat ruimer (zie hierboven onder 7).

6 Vgl. HR 1 oktober 1991, LJN AB7756, NJ 1992, 197 m.nt. Schalken; HR 30 mei 1995, LJN ZD0179, NJ 1995, 620, m.nt. 't Hart; HR 11 januari 2000, LJN ZD1146, NJ 2000, 194; HR 12 februari 2002, LJN AD7804, NJ 2002, 301; HR 29 juni 2004, LJN AO5710, NJ 2004, 426 m.nt. De Jong; HR 14 maart 2006, LJN AU5496, NJ 2007, 345 m.nt. Mevis (Lucia de B). Zie voorts H.A. Demeersseman, 'Mogelijkheden voor gebruik van schakelbewijs', Trema 2009, p. 149 e.v. en B. de Wilde, 'Schakelconstructies in bewijsmotiveringen', DD 2009, 42, p. 563 e.v.