Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ4431

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
04-10-2011
Zaaknummer
09/04948
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ4431
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verlaten plaats ongeval. ‘Betrokkenheid’ bij een verkeersongeval a.b.i. art. 7.1 aanhef en onder a WVW 1994. De HR herhaalt in een vooropstelling de relevante overwegingen uit HR LJN AP1215 m.b.t. betrokkenheid bij een verkeersongeval in de zin van genoemde bepaling. De HR voegt daaraan toe dat in het verlengde van deze rechtspraak heeft te gelden dat degene die niet de bestuurder van het rechtstreeks bij het verkeersongeval betrokken motorrijtuig is, slechts kan worden aangemerkt als (tevens) bij het verkeersongeval ‘betrokken’ in de zin van art. 7.1 aanhef en onder a WVW 1994, indien het ongeval door zijn gedraging is veroorzaakt. In het licht van deze vooropstelling geeft ‘s Hofs oordeel dat verdachte kan worden aangemerkt als degene die bij het verkeersongeval is ‘betrokken’ in de zin van art. 7.1 aanhef en onder a WVW 1994 blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft zijn oordeel omtrent de betrokkenheid van verdachte slechts erop gebaseerd dat verdachte als passagier feitelijk bij het ongeval aanwezig was en hij de bestuurder van de scooter toestemming had gegeven om daarop te rijden, terwijl hij wist dat deze nog geen 16 jaar oud was en geen bromfietscertificaat had. Aldus heeft het Hof miskend dat verdachte, die niet de bestuurder van het motorvoertuig was, eerst dan als betrokken bij het verkeersongeval kan gelden indien dit ongeval door zijn gedraging (handelen of nalaten) is veroorzaakt, waaromtrent het Hof evenwel niets heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2011/311
JWR 2011/118 met annotatie van mr. W.H. Regterschot
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/04948

Mr. Aben

Zitting 26 april 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte bij arrest van 27 november 2009 ter zake van "overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van twintig uren (subsidiair tien dagen jeugddetentie) met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens de verdachte heeft mr. B.A. Fijma, advocaat te Zwijndrecht, beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip 'betrokken zijn' als bedoeld in art. 7, eerste lid, aanhef en onder a, WVW 1994.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"hij op 03 november 2008 te Dordrecht als degene die bij een verkeersongeval op de Maria Montessorilaan was betrokken, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [benadeelde partij]) schade was toegebracht."

3.3. Het hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het proces-verbaal van de politie Zuid-Holland Zuid, nr. PL1810/08-121140, d.d. 13 november 2008, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:

als de op 13 november 2008 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [benadeelde partij] (blz. 5-6):

Op 3 november 2008 parkeerde ik mijn personenauto op een parkeervak van de Maria Montessorilaan te Dordrecht. Mijn auto had toen geen verbrekingen of beschadigingen.

Op 4 november 2008 ontdekte ik dat mijn auto schade had. Ik zag ter hoogte van het rechter achterportier een diepe kras in de lak. Deze kras loopt vanaf het rechter achterportier door tot de tankdop. De schade aan mijn genoemde auto bedraagt € 900,-.

2. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2009 verklaard - zakelijk weergegeven -:

[Betrokkene 1] reed op 3 november 2008 op mijn scooter en ik zat achterop, op weg naar mijn school aan de Maria Montessorilaan te Dordrecht. Ik wist dat [betrokkene 1] geen bromfietscertificaat had, maar ik dacht dat hij wel kon rijden omdat het maar een klein stukje was.

Ik zat achterop en opeens voelde ik een klap; we waren tegen een auto geklapt.

Ik ben na het ongeval teruggegaan naar de plaats van het ongeval omdat er iets van mijn scooter was gevallen. Er stond daar toen een man die zei dat ik schade had gemaakt. Ik heb mijn gegevens niet achtergelaten, omdat ik zelf geen schade had gemaakt. [Betrokkene 1] reed immers. Ik wist toen wel dat er schade was."

3.4. Het bestreden arrest houdt als 's hofs samenvatting en verwerping van een door de verdediging gevoerd bewijsverweer het volgende in (blz. 3-4):

"Gevoerd verweer

Door de raadsman is, overeenkomstig de overgelegde pleitnota, bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, nu de verdachte niet als betrokkene in de zin van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden aangemerkt en tevens niet civielrechtelijk aansprakelijk is voor het ongeval.

De verdachte heeft weliswaar niet de scooter bestuurd ten tijde van het ongeval, maar dit brengt niet zonder meer met zich mee dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als betrokkene bij het ongeval. De verdachte zat als passagier achterop de scooter, toen de bestuurder tegen de auto aanreed. Bovendien is de verdachte kort na het ongeval teruggegaan naar de plaats van het ongeval om een kapje van zijn scooter (dat er af was gevallen) te halen. De verdachte is blijkens eigen verklaring vervolgens door een omstander aangesproken en op de hoogte gesteld van het feit dat de aangereden auto schade heeft ondervonden. Desondanks heeft de verdachte nagelaten zijn gegevens of de gegevens van de bestuurder achter te laten.

Het hof overweegt dat de betrokkenheid van de verdachte bij het ongeval hierin bestond dat: de verdachte als passagier feitelijk bij het ongeval aanwezig was; de verdachte de bestuurder toestemming heeft gegeven om op de scooter te rijden, terwijl hij wist dat de bestuurder nog geen 16 jaar oud was en - dus - geen bromfietscertificaat in zijn bezit had.

De wetgever heeft met artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994 beoogd het belang te beschermen dat de toedracht van een ongeval kan worden achterhaald zodat de schadeplichtige zich niet aan schadevergoeding onttrekt of kan onttrekken. Daar de verdachte - gelet op het bovenstaande - bij het ongeval betrokken was en op de hoogte was van de schade, diende hij ervoor zorg te dragen dat de toedracht van het ongeval kon worden achterhaald.

Het hof verwerpt het verweer."

3.6. Volgens de steller van het middel heeft het hof de verdachte i.c. niet als betrokkene in de zin van art. 7 WVW 1994 kunnen aanmerken, nu de scooter die het in de tenlastelegging omschreven verkeersongeval veroorzaakte niet door hem werd bestuurd en hij daarnaast niet civielrechtelijk aansprakelijk gesteld zou kunnen worden voor de bij het ongeval ontstane schade.

3.7. Het middel stelt de vraag aan de orde of en zo ja, onder welke voorwaarden een niet-bestuurder als betrokkene in de zin van art. 7 WVW 1994 kan gelden en dus als normadressaat van die bepaling kan worden aangemerkt.

3.8. Artikel 7 WVW 1994 luidt:

"1. Het is degene die bij een verkeersongeval is betrokken of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt, verboden de plaats van het ongeval te verlaten indien:

a. bij dat ongeval, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander is gedood dan wel letsel of schade aan een ander is toegebracht;

b. daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, een ander aan wie bij dat ongeval letsel is toegebracht, in hulpeloze toestand wordt achtergelaten.

2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing op degene die op de plaats van het ongeval behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van dat motorrijtuig."

3.9. Uit de redactie van deze bepaling vloeit voort dat de norm zich richt tot degene die hetzij als betrokkene bij een verkeersongeval, hetzij als veroorzaker van een verkeersongeval op de plaats van het ongeval aanwezig is. Onder de onder a en b genoemde omstandigheden luidt de norm kort gezegd: gij zult de plaats van het ongeval niet verlaten, althans niet dan nadat u ter plaatse behoorlijk de gelegenheid heeft geboden tot vaststelling van uw identiteit, en eventueel van die van het door u bestuurde motorrijtuig.

Meer in het algemeen heeft Uw Raad over deze bepaling overwogen:

"3.3. Art. 7, eerste lid aanhef en onder a, WVW 1994 strekt ertoe te voorkomen dat voor een verkeersongeval aansprakelijke personen zich onttrekken aan de gevolgen van dat ongeval, terwijl die bepaling mede erop is gericht te bevorderen dat de identiteit van de bij zo een ongeval betrokkenen en het motorrijtuig komt vast te staan om vaststelling van nog onzekere aansprakelijkheid mogelijk te maken. Daarom dient degene die bij dat ongeval is betrokken of door wiens gedraging het ongeval is veroorzaakt - ongeacht of hij daaraan schuld heeft - op de plaats van het ongeval behoorlijk gelegenheid te bieden tot vaststelling van zijn identiteit en, voor zover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van dat motorrijtuig. Onjuist is derhalve de opvatting van het middel dat die gelegenheid slechts behoeft te worden geboden indien hij 'als bestuurder of verkeersdeelnemer' betrokken is bij het verkeersongeval."(1)

3.10. De verdachte in de onderhavige zaak was ter plaatse aanwezig, doch heeft de plaats van het ongeval verlaten en geen gelegenheid geboden tot vaststelling van zijn identiteit. De vraag rijst dus of de verdachte normadressaat was. Het hof heeft de verdachte aangemerkt als betrokken bij een verkeersongeval in de zin van deze strafbepaling. Daartoe voert het hof een tweetal omstandigheden ten tonele:

1. de verdachte zat als passagier achterop de bromscooter waarmee het eenzijdige verkeersongeval plaatsvond;

2. de scooter was zijn eigendom en hij had de bestuurder toestemming gegeven daarmee ter rijden, ofschoon de bestuurder - naar hij wist - nog geen 16 jaar oud was.

3.11. Allereerst de hoedanigheid van passagier. Passagiers kunnen onder omstandigheden een ongeval veroorzaken. Zij kunnen onverhoeds een deur hebben geopend waardoor een langsrijdende fietser is komen te vallen. Een passagier kan een ruk aan het stuur hebben gegeven of zich anderszins zodanig in het voertuig hebben gedragen dat zulks een ongeval tengevolge heeft. In die en soortgelijke gevallen kan de passagier worden bestempeld als degene die een verkeersongeval heeft veroorzaakt en zal de thans besproken norm zich ongetwijfeld tot hem richten.

In de voorliggende zaak is niet vastgesteld dat de verdachte als passagier de veroorzaker is geweest van het verkeersongeval. Van verdachtes gedrag ter plaatse is immers niet veel meer bekend dan dat hij achterop de bromscooter was gezeten. Het hof heeft dan ook niet bewezen verklaard dat de verdachte een verkeersongeval heeft veroorzaakt, doch uitsluitend dat hij betrokken was bij een verkeerongeval.

"Betrokkenheid" is een buitengewoon rekbaar begrip en in zoverre valt er nog wel wat aan te merken op de duidelijkheid van de norm. Van getuigen kan immers eveneens worden gezegd dat zij "betrokken" zijn, en die term zou in ruime zin ook nog kunnen doelen op personen die zich het lot van het slachtoffer aantrekken. Zo'n ruim toepassingsbereik heeft de wetgever niet voor ogen gestaan.(2) Getuigen worden bij mijn weten ook nimmer vervolgd voor het hier omschreven misdrijf. Maar waar ligt de grens? Maakt het uit of de getuige zich bevindt in de nabijheid van het betreffende motorrijtuig dan wel in het betreffende motorrijtuig? Indien een buschauffeur een ongeval veroorzaakt, zijn dan alle passagiers van die bus verplicht ter plekke te blijven dan wel hun identiteit kenbaar te maken? En is dit anders als het een personenauto betreft, gevuld met een bestuurder en drie passagiers? Of een passagier achterop een scooter? Ik ben telkens geneigd deze vragen negatief te beantwoorden.

3.12. Artikel 7 WVW 1994 heeft artikel 30 WVW (oud) vervangen. In de memorie van toelichting op het huidige artikel 7 WVW 1994 is het volgende opgemerkt:

"Artikel 30, eerste lid, van de Wegenverkeerswet richt zich niet tot iedere weggebruiker. Met name vallen de voetgangers en de ruiters niet onder het voorschrift. In de praktijk is het nuttig gebleken de bepaling te richten tot alle verkeersdeelnemers, zodat ook in het geval een voetganger of een ruiter bij een ongeval is betrokken of een ongeval heeft veroorzaakt, de identiteit moet worden opgegeven. In de voorgestelde redactie wordt dit tot uitdrukking gebracht door te spreken van "degene die".

Hierbij zij aangetekend dat de voorgestelde redactie impliceert dat de bepaling zich niet langer richt tot degene die na het ongeval het stuur van de bij het ongeval betrokken bestuurder overneemt en vervolgens wegrijdt zonder dat de identiteit is kenbaar gemaakt. Zulks moet op grond van de jurisprudentie thans worden aangenomen. Ter zake wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 22 november 1966, NJ 1967, 94 (de Hoge Raad overwoog dat in artikel 30 van de Wegenverkeerswet niet valt te lezen, dat de aanrijdende en wegrijdende bestuurder één en dezelfde persoon moet zijn).

Naar ons oordeel brengt de ratio van de bepaling met zich mee dat het voorschrift zich richt tot degene die mogelijkerwijs civielrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor zijn gedragingen. Dit neemt niet weg dat in sommige gevallen degene die het stuur overneemt, laakbaar gedrag kan worden verweten. Toepassing van de deelnemingsbepaIingen in het Wetboek van Strafrecht kan alsdan uitkomst bieden om deze bestuurder ten minste als medeplichtige aan te spreken."(3)

Over de betrokkenheid van passagiers wordt hierin niet gerept. De bepaling richt zich volgens deze toelichting tot personen die mogelijkerwijs civielrechtelijk aansprakelijk zijn voor de gevolgen van het verkeersongeval. Passagiers vallen hier in het algemeen niet onder, zoals gezegd behoudens indien zij door een gedraging het ongeval hebben veroorzaakt.

Ik leid uit een en ander af dat de norm van artikel 7 WVW 1994 zich niet richt tot de passagiers van het betreffende motorrijtuig in het algemeen. Zij zijn dus niet in die hoedanigheid "betrokken" bij het verkeersongeval.

3.13. De verdachte was evenwel niet alleen passagier, doch tevens (naar ik begrijp) eigenaar van de bromscooter. Hij had de bestuurder toestemming gegeven te rijden, zulks in de wetenschap dat hij nog geen 16 jaar oud was en dus niet beschikte over een bromfietscertificaat.(4)

3.14. Civiele aansprakelijkheid voor een verkeersongeval laat zich lastig in algemene termen markeren. De barkeeper die een klant in zeer beschonken toestand uit zijn etablissement laat vertrekken in de wetenschap dat de klant huiswaarts wil keren met gebruik van zijn personenauto zou mogelijkerwijze een onrechtmatige daad kunnen worden aangewreven indien die klant kort daarna een verkeersongeval veroorzaakt. Datzelfde geldt onder omstandigheden ook voor de familieleden van een persoon die door een CVA en daaruit voortkomende apraxie minder goed in staat is een auto te besturen. Op ouders kan een risicoaansprakelijkheid rusten voor de fouten van hun minderjarig kind. Naar algemeen taalgebruik hebben zij, meen ik, niet enkel door deze mogelijkheid van aansprakelijkheid te gelden als "betrokken" bij een verkeersongeval. Zij zijn in elk geval geen normadressaat, aangezien artikel 7 verbiedt om de plaats van het ongeval te verlaten. Daartoe is ten minste noodzakelijk dat die persoon ter plaatse aanwezig is.

Zouden zij echter wel als normadressaat hebben te gelden indien zij behalve mogelijkerwijze aansprakelijk ook toevalligerwijs aanwezig waren ter plaatse van het verkeersongeval? In navolging van mijn ambtgenoot Knigge ben ik geen voorstander van een dergelijke invulling van de wettelijk bedoelde betrokkenheid bij een verkeersongeval. Ik citeer hem:

"De vraag is of al deze personen die mogelijk aansprakelijk zijn, alleen maar daarom niet onder het bereik van art. 7 WVW 1994 vallen omdat zij doorgaans niet op de plaats van het ongeval aanwezig zijn. Een bevestigend antwoord op deze vraag impliceert dat de strafbepaling wél van toepassing is indien zo een persoon zich - door welk stom toeval dan ook - op de plaats van het ongeval bevindt. Dan zou bijvoorbeeld de eigenaar van het transportbedrijf die toevallig in de bus zit waartegen één van de bij hem in dienst zijnde chauffeurs als gevolg van een voorrangsfout oprijdt, de plaats van het ongeval niet mogen verlaten voordat hij behoorlijk gelegenheid heeft geboden zijn identiteit vast te stellen.

33. Dit resultaat veroordeelt zich zelf. Ik meen dat de wetgever niet het oog kan hebben gehad op personen die wellicht indirect aansprakelijk zijn. Anders immers zou - zeker in een zich intensiverende claimcultuur - de kring van normadressaten niet meer met voldoende mate van zekerheid zijn af te palen. Daar komt bij dat dan van de normadressaten veel wordt gevergd. Van hen wordt niet alleen verwacht dat zij zich realiseren dat zij mogelijk aansprakelijk gesteld kunnen worden, zij moeten ook naar voren treden en zo als het ware het initiatief nemen tot hun eigen veroordeling. Die bezwaren doen zich niet voor als de kring van normadressaten zich beperkt tot de personen waarvan op het moment van het ongeval direct evident is dat zij daarmee iets hebben te maken. Bepalend daarvoor is de (onmiddellijk waarneembare) toedracht van het ongeval, de gang van zaken zoals die zich als het ware aan het oog van een objectieve buitenstaander opdringt. Dat betekent dat art. 7 WVW 1994 zich dient te beperken tot de direct betrokkenen en de directe veroorzakers. Personen die alleen indirect een rol hebben gespeeld - een rol waarvan niet zelden eerst achteraf blijkt - blijven buiten beschouwing.

34. Dit wordt mijns inziens niet anders als de indirect aansprakelijke persoon zich "toevallig" in het voertuig bevindt dat de aanrijding veroorzaakte."(5)

3.15. Indien mijn ambtgenoot en ik dit goed zien blijkt m.i. ook de tweede door het hof aangedragen grond om de verdachte aan te merken als betrokken bij een verkeersongeval onhoudbaar. De combinatie van de twee telkens ontoereikende gronden maakt dit m.i. niet anders.

4. Het middel slaagt dus. 's Hofs oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest. Het komt mij voor dat Uw Raad op basis van 's hofs vaststellingen kunt doen wat het hof had behoren te doen, te weten de verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 1 oktober 2002, LJN AE4199, NJ 2002/572.

2 In de memorie van antwoord worden de getuigen met zoveel woorden uitgesloten als normadressaat. Zie Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr. 6, p. 92. De regelingen in het Wetboek van Strafvordering werden toereikend bevonden om eventuele getuigen een verklaring te laten afleggen.

3 Kamerstukken II 1990/91, 22 030, nr. 3, p. 71-72.

4 Terzijde merk ik op dat pas sedert 1 maart 2010 het slagen voor een praktijkexamen geldt als voorwaarde voor het verkrijgen van een bromfietscertificaat/rijbewijs categorie AM.

5 CAG Knigge voor HR 20 maart 2007, LJN AZ7080, NJ 2007/398 m.nt. Schalken.