Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ4199

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
09/04201
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ4199
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Uitleg begrip “geldtransactiekantoor” in art. 1.a Wet inzake de geldtransactiekantoren (Wgt). Het middel gaat uit van een onjuiste opvatting. De door het middel voorgestane beperkte uitleg van het begrip 'geldtransactiekantoor' strookt niet met hetgeen gelet op doel en strekking van de Wet inzake de geldtransactiekantoren de wetgever voor ogen stond. Uit de weergegeven wetsgeschiedenis blijkt immers dat het begrip 'geldtransactiekantoor' - net als voordien onder de Wet inzake de wisselkantoren, het begrip 'wisselkantoor' (vgl. HR LJN AO4054) - ruim is geformuleerd, terwijl uit de tekst van de genoemde bepaling, mede gelezen in het licht van de parlementaire geschiedenis, volgt dat ook het begrip 'geldtransacties' zodanig ruim is omschreven, dat daaronder het verrichten van geldtransfers (moneytransfers) als de onderhavige vallen. Derhalve kan degene die, zoals de verdachte, beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van derden geldtransfers verricht, worden aangemerkt als degene die als 'geldtransactiekantoor' 'geldtransacties uitvoert' in de zin van art. 1, aanhef en onder a sub 3º, Wgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/985
NJ 2011/433
JONDR 2011/307

Conclusie

Nr. 09/04201

Mr. Hofstee

Zitting: 19 april 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 8 oktober 2009 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1. subsidiair "Schuldwitwassen, meermalen gepleegd" en 2. "Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 09/04200P en 09/04201. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verzoeker heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt dat het Hof op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden het ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek van de verdediging tot het oproepen van een aantal getuigen heeft afgewezen.

5. Namens verzoeker is al bij appelschriftuur van 21 november 2008 het verzoek gedaan tot het (doen) horen van een groot aantal getuigen.(1) Blijkens het proces-verbaal terechtzitting van het Hof van 24 september 2009 heeft de raadsman dit verzoek aldaar herhaald. Na beraad daarover, heeft de voorzitter als beslissing van het Hof meegedeeld:

"(...) dat het horen van de door de raadsman genoemde getuigen niet relevant is voor enige door het hof in deze zaak te nemen beslissing, nu deze getuigen, blijkens de door de raadsman ter terechtzitting gegeven toelichting, slechts kunnen verklaren omtrent de ontvangst en de besteding van de van en op naam van de verdachte aan hen overgemaakte gelden.

De raadsman heeft verklaard dat - behoudens ten aanzien van de ter terechtzitting in eerste aanleg gehoorde getuige, ten verzoeke van wie de verdachte geld heeft overgemaakt - het voor de verdediging onmogelijk is gebleken personen, ten verzoeke van wie de verdachte naar zijn zeggen gelden heeft overgemaakt, als getuigen te doen horen omtrent de herkomst van de gelden.

Daarbij komt nog dat de door de raadsman opgegeven getuigen allen in het buitenland verblijven en dat van geen van hen een vaste woon- en verblijfplaats bekend is, zodat in redelijkheid niet verondersteld kan worden dat zij op een redelijke termijn gehoord zouden kunnen worden. Het hof wijst het onderhavige -herhaalde- verzoek van de raadsman dan ook af."

Vervolgens heeft de raadsman het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde en aan voornoemd proces-verbaal terechtzitting gehechte pleitnota en daarin bij zijn verzoek tot het (doen) horen van de getuigen gepersisteerd, en wel als volgt:

"5. Namen en overige (adres)gegevens van de mensen die aan cliënt hebben verzocht geld over te maken kan cliënt helaas niet verstrekken nu cliënt met uitzondering van de vrouw waarin de verdediging in de brief van 10 oktober jl. melding van heeft gemaakt geen contact kan krijgen met hen. De vrouwen zitten niet te wachten op contacten met derden betreffende hun geldtransacties naar het buitenland, naar hun familieleden. Het betreffen vrouwen die werkzaam zijn in de prostitutie en die niet zitten te wachten op gedoe met politie en/of belastingdienst en/of simpelweg niet beschikken over een bankrekening in Nederland, reden waarom geld overmaken via money-transfers plaatsvindt. Men kan simpelweg niet gebruik maken van normaal giraal verkeer omdat men niet over een bankrekening hier beschikt. Of zo men hier beschikt over een bankrekening beschikt familie afkomstig uit de minder bedeelde regionen in Zuid of Midden Amerika niet over een bankrekening. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat het op verzoek van deze vrouwen verzonden geld afkomstig is van enig misdrijf. Ook blijkt niet dat het zwartgeld zou betreffen.

6. Er zijn geen indicaties dat cliënt liegt, integendeel nu 2 vrouwen zich hebben gemeld bij de raadsman, waarvan 1 vrouw aan cliënt heeft verzocht geld te verzenden. De andere vrouw staat op de namenlijst uit het strafdossier. Reeds in eerste aanleg is overgelegd is een schriftelijke verklaring van [betrokkene 3]. Ook is ter zitting in eerste aanleg gehoord getuige [betrokkene 4]. Cliënt is niet staat meer namen en/of gegevens te verstrekken van de andere vrouwen op wiens verzoek cliënt geld heeft verzonden.

7. Wel zijn bekend de namen van de ontvangers, de begunstigden. Het dossier maakt op pagina 126 melding van het feit dat door de herkenningsdienst de namen van de begunstigden zijn onderzocht en nagetrokken. Uit onderzoek bleek dat de namen van de begunstigden in zijn geheel niet voorkwamen in relatie tot drugsgerelateerde feiten. Dit gegeven is een indicatie dat er hier geen sprake is van drugsgeld. Dit gegeven is een contra-indicatie voor witwassen. Cliënt heeft derhalve een verdedigingsbelang bij het doen horen van deze ontvangers als getuigen. Het doen horen van 1 of meer van deze ontvangers door uw hof is van belang voor de door u te nemen beslissingen, temeer nu de informatie die wel voorhanden is van mensen vermeld op de money-transferlijst, steun geeft aan het feit dat in casu niet gesproken kan worden van gelden afkomstig uit misdrijf. De verdediging heeft tijdig verzocht genoemde lieden te doen horen. Dit verzoek herhaal ik hier."

Het Hof heeft in zijn arrest van 8 oktober 2009 dit verzoek met gelijkluidende bewoordingen nogmaals afgewezen:

"Verzoek tot het horen van getuigen

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte na afwijzing ter terechtzitting van zijn schriftelijk verzoek d.d. 10 oktober 2008 tot het horen van een veertigtal getuigen, dit verzoek herhaald en daarin volhard. De raadsman heeft daartoe -zakelijk- aangevoerd dat deze getuigen kunnen verklaren over de achtergronden van de door hen ontvangen gelden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het horen van de door de raadsman genoemde getuigen is niet relevant voor enige door het hof in deze zaak te nemen beslissing, nu deze getuigen, blijkens de door de raadsman ter terechtzitting gegeven toelichting, slechts kunnen verklaren omtrent de ontvangst en de besteding van de op naam van de verdachte aan hen overgemaakte gelden. De raadsman heeft verklaard dat -behoudens ten aanzien van de ter terechtzitting in eerste aanleg gehoorde getuige, ten verzoeke van wie de verdachte geld heeft overgemaakt- het voor de verdediging onmogelijk is gebleken personen, ten verzoeke van wie de verdachte naar zijn zeggen gelden heeft overgemaakt, als getuigen te doen horen omtrent de herkomst van de gelden. Daarbij komt nog dat de door de raadsman opgegeven getuigen allen in het buitenland verblijven en dat van geen van hen een vaste woon- of verblijfplaats bekend is, zodat in redelijkheid niet verondersteld kan worden dat zij op een redelijke termijn gehoord zouden kunnen worden.

Het hof wijst het onderhavige -herhaalde- verzoek van de raadsman dan ook af."

6. De toelichting op het middel bevat de volgende klachten: i) niet staat vast of het Hof bij de beoordeling van het verzoek de juiste maatstaf heeft aangelegd; ii) in zijn motivering van de afwijzing van het verzoek, voor zover deze erop neerkomt dat de opgegeven getuigen niet relevant zijn voor enige in deze zaak te nemen beslissing, is het Hof op ontoelaatbare wijze vooruitgelopen op wat die getuigen zouden kunnen verklaren; iii) het oordeel van het Hof dat in redelijkheid niet kan worden verondersteld dat de opgegeven getuigen op een redelijke termijn gehoord zouden kunnen worden is onbegrijpelijk en in ieder geval ontoereikend gemotiveerd.

7. Als gezegd is het eerste verzoek tot het (doen) horen van de getuigen reeds bij appelschriftuur door de raadsman gedaan. Het Hof heeft dit verzoek (tot tweemaal toe) afgewezen met de overweging dat het horen van de door de raadsman genoemde getuigen niet relevant is voor enige in deze zaak te nemen beslissing. Deze overweging kan aldus worden begrepen dat het Hof van oordeel is dat verzoeker door het achterwege blijven van de dagvaarding of oproeping van de opgegeven getuigen redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad. In zoverre heeft het Hof op juiste wijze de aan art. 288, eerste lid aanhef en onder c, Sv ontleende maatstaf aangelegd voor de afwijzing van het onderhavige verzoek.

8. De vraag is vervolgens of voornoemde overweging rechtens stand kan houden en of het oordeel van het Hof begrijpelijk is.

9. Overwegingen als de onderhavige - het horen van de getuige is niet relevant voor enige in de zaak te nemen beslissing - zijn riskant. Niet zelden wordt daarmee de mogelijkheid opengelaten dat de rechter zijn oordeel heeft gebaseerd op de gedachte dat hij zich reeds voldoende geïnformeerd acht omtrent de motieven, de voorgeschiedenis en de persoon van de verdachte en niet te verwachten is dat de verklaringen van de bedoelde getuigen daaraan iets zouden kunnen toevoegen of afdoen. Alsdan zou de rechter al snel kunnen worden tegengeworpen met die overweging te zijn vooruitgelopen op de inhoud van de (af te leggen) verklaringen van de getuigen en dus bij nader inzien de bovengenoemde maatstaf te hebben miskend.(2)

10. Ik meen dat deze situatie zich in deze zaak niet voordoet. Blijkens de hierboven onder 5 geciteerde overwegingen van het Hof, heeft het Hof zijn oordeel immers onderbouwd met de door de raadsman ter terechtzitting gegeven toelichting dat de opgegeven getuigen slechts kunnen verklaren over de ontvangst en de besteding van de van en op naam van verzoeker aan hen overgemaakte gelden. Deze getuigen kunnen dus niet verklaren over de herkomst van deze gelden. Daarover kan geen misverstand bestaan, nu ook uit de hierboven onder 5 aangehaalde pleitnota blijkt dat het de raadsman om de getuigen gaat die de geldbedragen hebben ontvangen (de ontvangers) en niet om degenen die de opdracht tot verzending van deze geldbedragen hebben gegeven (de verzenders).

11. Juist de getuigen die wel iets over de herkomst van de gelden zouden kunnen verklaren, zijn onbekend. Althans, de raadsman laat in zijn pleitnota weten dat hij niet in staat is de namen en/of gegevens te verstrekken van de vrouwen op wier verzoek verzoeker geld heeft verzonden. Dat aspect heeft het Hof in zijn motivering tot uitdrukking gebracht door te overwegen dat naar de raadsman heeft verklaard het voor de verdediging onmogelijk is gebleken personen op wier verzoek verzoeker zegt geld te hebben overgemaakt, als getuigen te (doen) horen omtrent de herkomst van de gelden.

12. Daarbij aanknopend haal ik hier de klacht in het middel aan dat het oordeel van het Hof dat in redelijkheid niet kan worden verondersteld dat de door de raadsman opgegeven getuigen op een redelijke termijn kunnen worden gehoord, onbegrijpelijk is en merk ik daarover het volgende op. In HR 1 december 1992, LJN ZC8686, NJ 1993, 631, rov.5.3 en HR 7 oktober 1997, LJN ZD0814, NJ 1998, 153, rov. 10.3 bepaalde de Hoge Raad dat de verdachte door afwijzing van zijn verzoek niet in zijn verdediging kan worden geschaad (onder meer) indien zich het geval voordoet dat de dagvaarding of oproeping van de getuige "nutteloos moet worden geoordeeld". Beide arresten zijn gewezen onder vigeur van art. 280, vierde lid, oud Sv. Thans is de maatstaf van 'nutteloosheid'(3) uitgeschreven in art. 288, eerste lid aanhef en onder a, Sv. Daarvan is sprake indien het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen. In dat geval wordt het belang van het verdedigingsrecht als bedoeld in art. 6 EVRM ('fair trial' en 'equality of arms') niet geschonden door de afwijzing van het verzoek tot het horen van de betreffende getuige. De maatstaf van 'nutteloosheid' kan dus niet geheel worden los gezien van het verdedigingsbelang, ten aanzien waarvan de maatstaf afzonderlijk en in bredere zin is verwoord in art. 288, eerste lid aanhef en onder c, Sv. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het Hof in zijn onder 5 weergegeven overwegingen de maatstaf van 'het nutteloos zijn' (eerste lid aanhef en onder a) heeft betrokken bij de maatstaf van 'het redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad' (eerste lid aanhef en onder c).

13. Wat de nutteloosheid van de oproeping of dagvaarding van de door de raadsman opgegeven getuigen betreft, heeft het Hof vastgesteld dat alle getuigen (op één na) in het buitenland verblijven(4) en dat van geen van hen een vaste woon- of verblijfplaats bekend is. Naar het mij voorkomt is ten aanzien van de opgegeven getuigen het zelfs onwaarschijnlijk dat op redelijke termijn hun woon- of verblijfplaats had kunnen worden gevonden en zij hadden kunnen worden opgeroepen, nog los van de vraag of zij na tracering aan die oproeping gehoor zouden hebben gegeven.

14. Op grond van het vorenstaande kom ik tot de slotsom dat de bestreden motivering van het Hof van de afwijzing van het verzoek tot het (doen) horen van de getuigen alsmede het bestreden oordeel van het Hof dat in redelijkheid niet kan worden verondersteld dat de opgegeven getuigen op een redelijke termijn gehoord zouden kunnen worden, ook in onderlinge samenhang bezien niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigen en niet onbegrijpelijk zijn. Voorts is dat oordeel op toereikende gronden gemotiveerd.

15. Het middel faalt.

16. Het tweede middel klaagt ten eerste dat het Hof de verweren met betrekking tot het tenlastegelegde feit 1 subsidiair - inhoudende dat de geldbedragen niet afkomstig waren uit enig misdrijf en verzoeker ook redelijkerwijs niet moest vermoeden dat dit het geval was - ten onrechte, althans op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft verworpen. Ten tweede behelst het middel de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair, voor zover deze inhoudt dat verzoeker 'redelijkerwijs moest vermoeden dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf' niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Ten derde betoogt het middel dat de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair voor zover inhoudende dat verzoeker geldbedragen "in Nederland" voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging, zodat de uitspraak in zoverre niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.

17. Ten laste van verzoeker is, voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang, door het Hof bewezen verklaard dat:

"1 subsidiair:

hij op tij[d]stippen in de periode van 1 september 2006 tot en met 21 mei 2008, in Nederland, voorwerpen, te weten - meerdere geldbedragen voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middelijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, immers heeft verdachte gelden welke niet uit legale inkomsten afkomstig waren telkens overgeboekt naar Panama en de Dominicaanse Republiek en Costa Rica en/of andere landen gelegen in Zuid-Amerika"

18. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen(5):

"1. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 24 september 2009 verklaard -zakelijk weergegeven-:

In de periode van 1 september 2006 tot en met 31 mei 2008 heb ik als opdrachtgever moneytransfers verricht naar de Dominicaanse Republiek, Colombia, Panama, Costa Rica, Guatemala en de Nederlandse Antillen. Ik had daarvoor geldbedragen voorhanden gekregen. Ik ben nooit ingeschreven geweest als transactiekantoor.

2. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 22 oktober 2008 verklaard -zakelijk weergegeven-:

Voor die moneytransfers ontving ik per transactie een vergoeding van tussen de € 75,- en € 100,-. Het klopt dat ik wel bedragen tot € 4.000,- overmaakte.

3. Het proces-verbaal van bevindingen van het Korps landelijke Politiediensten, Financial Intelligence Unit Nederland, nr. 2007CB006555395, d.d. 10 december 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-;

als relaas van deze opsporingsambtenaar (blz. 57 t/m 59):

Op 23-10-2007 heeft het hoofd van de FIU-NL in totaal 33 financiële transacties verdacht verklaard.

Het betreffen verdachte transacties over de periode van 07-09-2006 tot en met 06-10-2007, waarbij was betrokken: [Verdachte], geboren op [geboortedatum] 1973, te [geboorteplaats].

[Verdachte] heeft in bovengenoemde periode voor een bedrag van € 102.284,- getransfereerd middels money transfers naar de Dominicaanse Republiek (28x), Costa Rica (1x), Colombia (1x), Panama (1x) en een onbekende bestemming, vermoedelijk ook de Dominicaanse Republiek.

[Verdachte] was de opdrachtgever van deze money transfers. Bij alle bovengenoemde transacties heeft [verdachte] zich gelegitimeerd met een van de navolgende: legitimatiebewijzen: Paspoort no. NL[001] en een Europese identiteitskaart no. IF[002].

4. Het proces-verbaal van bevindingen van de Regiopolitie Haaglanden, directie Recherche en Vreemdelingenpolitie, Financiële Recherche Unit, nr. PI1501/2007/66829, d.d. 7 mei 2008, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze opsporingsambtenaar (blz. 93 t/m 106):

In de periode van 25-10-2007 tot en met 07-05-2008 werden er 29 verdachte transacties uitgevoerd waarbij was betrokken:

[Verdachte], geboren [geboortedatum] 1973, te [geboorteplaats],

die zich legitimeerde met de navolgende legitimatiebewijzen:

OVRG Overig, niet eerder benoemd IF[002]

PASP Paspoort NL[001].

De meldingen zijn voorzien van onder andere de volgende transactiegegevens:

Euro 90, Euro 859, Euro 2522, Euro 4535, Euro 4485, Euro 3786, Euro 190, Euro 1747, Euro 100, Euro 4235, Euro 3935, Euro 2718, Euro 4715, Euro 3475, Euro 1110, Euro 1844, Euro 1844, Euro 2708, Euro 3640, Euro 4320, Euro 4611, Euro 1755, Euro 4660, Euro 2427.

5. Het proces-verbaal van Politie Haaglanden, nr. PL1514/2007/66829-4, d.d. 13 juli 2008, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als relaas van bevindingen -zakelijk weergegeven- (blz. 3 t/m 8A):

- de transacties staan niet in verhouding met de inkomsten zoals bij de Belastingdienst bekend;

- het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld;

- er is geen gebruik gemaakt van het normale gangbare financiële verkeer;

- het is aanmerkelijk duurder om geld naar het buitenland over te maken middels moneytransfers dan middels girale transacties.

6. Een geschrift, zijnde een faxbericht, d.d. 2 juli 2008, van De Nederlandsche Bank, opgemaakt en ondertekend door [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- (blz. 51 t/m 52):

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, was/is niet ingeschreven geweest als geldtransactiekantoor in het register dat De Nederlandsche Bank NV houdt op grond van artikel 6, tweede lid, Wet inzake de geldtransactiekantoren of heeft hier ooit een aanvraag voor ingediend."

19. Voorts heeft het Hof in zijn bestreden arrest de volgende bewijsoverweging opgenomen:

"De verdachte heeft verklaard in de periode van 1 september 2006 tot en met 31 mei 2008 als opdrachtgever 63 moneytransfers te hebben verricht naar de Dominicaanse Republiek, Colombia, Panama, Costa Rica, Guatemala en de Nederlandse Antillen.

De verdachte heeft in voornoemde periode als opdrachtgever een 14-tal moneytransfers verricht, waarvan hij ter terechtzitting aannemelijk heeft gemaakt, dat die moneytransfers legaal geld betroffen.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij - naast de 12 moneytransfers voor zijn verloofde en zijn of haar familie (met als begunstigden ondermeer [betrokkene 3]) - 51 moneytransfers heeft verricht in opdracht van prostituees en dat het geld dat hij overmaakte afkomstig was uit de prostitutie. Ter terechtzitting in eerste aanleg is een getuige gehoord die kon verklaren dat een tweetal moneytransfers (met als begunstigde [betrokkene 5]), inderdaad geld betrof afkomstig uit de prostitutie. Deze verklaring ziet slechts op 2 van de 51 verrichte moneytransfers. Op geen enkele wijze is aannemelijk geworden dat ook de overige 49 transacties zijn verricht in opdracht van prostituees.

Namens de verdachte is naar voren gebracht dat het onmogelijk is enige andere opdrachtgever dan de reeds gehoorde getuige als getuige te doen horen. Het hof acht de verklaring van de verdachte op dit punt dan ook niet geloofwaardig. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte niet voorkomt in het prostitutie controlesysteem van de politie en dat de verklaring van de verdachte ook overigens geen enkele steun vindt in het dossier.

Gelet voorts op de omstandigheden dat:

- het ging om grote contante geldbedragen, terwijl het algemeen bekend is dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld;

- de transacties in geen enkele verhouding staan tot de inkomsten van de verdachte;

- geen gebruik werd gemaakt van het normale financiële verkeer;

- het aanmerkelijk duurder is om geld met een moneytransfer over te maken dan door middel van een girale transactie;

- de verdachte een beloning kreeg voor de uitgevoerde transacties,

is er geen enkele aanleiding te veronderstellen dat het geld van de overgebleven 49 moneytranfers legaal was en kan het niet anders zijn dan dat het geld van misdrijf afkomstig was.

Op grond van bovengenoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, had de verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat de door hem ter overmaking naar het buitenland in ontvangst genomen geldbedragen van misdrijf afkomstig waren."

20. Namens verzoeker is - samengevat - aangevoerd dat verzoeker dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit 1 subsidiair, omdat niet blijkt dat de geldbedragen waar de (49) 'money transfers'(6) betrekking op hadden afkomstig zijn uit enig misdrijf, terwijl verzoeker evenmin "redelijkerwijs moest vermoeden" dat dit het geval was nu hij deze geldbedragen heeft overgemaakt voor prostituees die niet over een bankrekening beschikten.

21. Verzoeker heeft verklaard dat hij in opdracht van prostituees verschillende bedragen contant geld door middel van een 'money transfer' heeft overgemaakt naar begunstigden in diverse Latijns-Amerikaanse landen en de Nederlandse Antillen. Voor deze overboekingen ontving verzoeker naar zijn zeggen een vergoeding van tussen de € 75,- en € 100,-. Blijkens zijn bewijsoverweging heeft het Hof deze verklaring van verzoeker niet aannemelijk en zelfs ongeloofwaardig geacht, aangezien in het dossier geen aanwijzingen zijn gevonden dat de 49 transacties daadwerkelijk zijn verricht in opdracht van de door verzoeker gestelde prostituees. Daarbij heeft het Hof tevens in aanmerking genomen dat verzoeker niet voorkomt in het prostitutie controlesysteem van de politie en dat de verklaring van verzoeker ook overigens geen enkele steun vindt in het dossier. Gelet op deze overwegingen heeft het Hof het desbetreffende verweer van verzoeker niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd verworpen.

22. Om tot een veroordeling ter zake van schuldwitwassen te komen, behoeft uit de bewijsmiddelen niet te worden afgeleid dat het voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Voldoende is de vaststelling dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.(7) In zijn overwegingen is het Hof ingegaan op de omstandigheden waaronder feit 1 subsidiair zijn begaan in onderling verband en onderlinge samenhang bezien. Op grond daarvan is het Hof tot het oordeel gekomen dat de geldbedragen niet anders dan (middellijk of onmiddellijk) uit misdrijf afkomstig kunnen zijn. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat: i) verzoeker geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven over de herkomst van de geldbedragen; ii) verzoeker voor de overboeking van de geldbedragen telkens een vergoeding ontving; iii) het bij de 'money transfers' om grote contante geldbedragen ging; en iv) de overboekingen in de vorm van 'money transfers' plaatsvonden en niet door middel van - reguliere - girale geldtransacties. In dat licht beschouwd had verzoeker mijns inziens redelijkerwijs moeten vermoeden dat de gelden uit enig misdrijf afkomstig waren. In ieder geval kan verzoeker worden voorgehouden dat hij met een aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld, op grond waarvan gezegd kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen.(8)

23. Voor zover het middel (ten derde) klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verzoeker de geldbedragen in Nederland voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, meen ik dat deze klacht zijn weerlegging vindt in de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit volgt dat de transacties vanuit Nederland zijn ingezet. Dit kan meer in het bijzonder worden opgemaakt uit bewijsmiddel 3: de Financial Intelligence Unit Nederland heeft de bedoelde door verzoeker verrichte transacties in de periode van 7 september 2006 tot en met 6 oktober 2007 als verdacht aangemerkt. Daaruit kan weer worden afgeleid dat verzoeker de geldbedragen in Nederland ter beschikking heeft gehad.

24. Aldus heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtopvatting het namens verzoeker gevoerde verweer niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd verworpen, en kon het Hof op basis van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen komen tot de bewezenverklaring van feit 1 subsidiair.

25. Ook dit middel treft geen doel.

26. Het derde middel bevat in de eerste plaats de klacht dat het Hof het verweer dat verzoeker niet werkzaam is geweest als geldtransactiekantoor ten onrechte, althans op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden heeft verworpen. In de tweede plaats klaagt het middel dat de bewezenverklaring van feit 2, voor zover deze inhoudt dat verzoeker 'als geldtransactiekantoor werkzaam is geweest' niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. In de derde plaats keert het middel zich tegen de bewezenverklaring van feit 2, voor zover inhoudende dat verzoeker "in Nederland" als geldtransactiekantoor werkzaam is geweest. Dit kan niet zonder meer worden afgeleid uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen en de bewijsoverweging van het Hof, zodat de uitspraak (ook) in zoverre niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, aldus de steller van het middel.

27. Ten laste van verzoeker is - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - bewezen verklaard dat:

"2:

hij op tijdstippen in de periode van 1 september 2006 tot en met 31 mei 2008 in Nederland, opzettelijk als geldtransactiekantoor (in de zin van artikel 1 van de wet inzake de geldtransactiekantoren) werkzaam is geweest, immers heeft hij verdachte, in die periode steeds bedrijfsmatig ten behoeve van derden meermalen geldtransacties uitgevoerd door tegen betaling geldbedragen over te maken naar het buitenland."

28. Deze bewezenverklaring berust op de hierboven onder 18 weergegeven bewijsmiddelen.

29. Blijkens de meergenoemde pleitnota is ter terechtzitting van 24 september 2009 voor zover hier relevant het volgende verweer gevoerd:

"23. Feit 2: cliënt is niet werkzaam geweest, al dan niet opzettelijk, als transactiekantoor. Cliënt is immers klant. Cliënt is klant van instellingen als Grens Wissel Kantoor (GWK), Goffin Bank, Postbank en/of andere soortgelijke instellingen die van de daartoe bevoegde autoriteiten toestemming hebben verkregen en een vergunning hebben om bedrijfsmatig geldtransactie te behandelen. Als klant, als regelmatige klant, is cliënt niet werkzaam als geldtransactiekantoor. Cliënt wisselt bijvoorbeeld niet frequent coupures om. Cliënt werkt niet samen met anderen. De onder punt 2 verweten gedraging wordt uitgevoerd door het GWK niet door cliënt. Cliënt wisselt geen munten of bankbiljetten. Cliënt betaald niet uit. Cliënt stelt de geldswaarden niet ter beschikking van derden. Dit alles doet het transactiekantoor. Cliënt levert geld in, niet meer dan dat. De handelswijze van cliënt valt niet onder de begripsbepaling van art. 1 van de Wet inzake de Geldtransactiekantoren. Bij de belastingdienst zijn inkomensgegevens bekend van cliënt over 2006. Het dossier maakt geen melding van enig onderzoek bij de belastingdienst over 2007. Cliënt heeft wel wat geld verdient voor de door hem verrichte diensten. Niet gesteld kan worden dat cliënt zich in zijn levensonderhoud voorzag door het op verzoek tegen betaling wegbrengen en laten overmaken van geld. Het handelen van cliënt kan niet als bedrijfsmatig worden gekwalificeerd. De verdediging bepleit een vrijspraak."

30. Het Hof heeft in zijn voormelde bewijsoverweging daaromtrent het volgende vastgesteld:

"Ten aanzien van feit 2

Ten aanzien van feit 2 overweegt het hof dat de verdachte, anders dan door de raadsman betoogd, wel degelijk als geldtransactiekantoor heeft gefunctioneerd. Uit de wetgeschiedenis en de jurisprudentie blijkt immers dat het begrip "geldtransactiekantoor" - in navolging van het begrip "wisselkantoor", zoals dat gebezigd werd onder de reeds vervallen en door de Wet op de geldtransactiekantoren vervangen Wet inzake de wisselkantoren - ruim uitgelegd dient te worden. Een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van een ander een geldtransactie uitvoert kan als geldtransactiekantoor worden aangemerkt. Onder het uitvoeren van een geldtransactie dient in ieder geval te worden begrepen het verrichten van moneytransfers. De verdachte heeft naar het oordeel van het hof in bovengenoemde zin opgetreden door tegen een vergoeding, gedurende een langere periode, veelvuldig dergelijke transacties uit te voeren voor een ander, en heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit."

31. In de toelichting op het middel wordt meer in het bijzonder nog aangevoerd dat verzoeker zelf niet kan worden aangemerkt als 'geldtransactiekantoor' in de zin van de Wet inzake de geldtransactiekantoren (verder: Wgt): verzoeker heeft zich als opdrachtgever zelf gewend tot een geldtransactiekantoor en moet daarom als derde worden aangemerkt op wiens verzoek of ten behoeve van wie de geldtransacties door dat geldtransactiekantoor werden uitgevoerd.

32. Artikel 1, aanhef en onder a, en art. 3, eerste lid, van de Wgt luiden als volgt:

"Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. geldtransactiekantoor: de natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van een derde geldtransacties uitvoert, dan wel beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam is bij de totstandkoming daarvan;

(...)

Artikel 3

1. Het is verboden als geldtransactiekantoor werkzaam te zijn."

33. In de MvT bij het wetsvoorstel dat tot de Wgt heeft geleid valt onder meer het volgende te lezen(9):

"4. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

In het eerste lid, onderdeel a, wordt een geldtransactiekantoor gedefinieerd als de natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van een derde geldtransacties uitvoert, dan wel beroepsof bedrijfsmatig werkzaam is bij de totstandkoming daarvan. Niet iedere natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die deze transacties uitvoert of werkzaam is bij de totstandkoming daarvan is derhalve een geldtransactiekantoor. Alleen in geval van het beroeps- of bedrijfsmatig uitvoeren van geldtransacties of beroeps- of bedrijfsmatig daarbij bemiddelen, dient inschrijving als geldtransactiekantoor plaats te vinden.

Onder bemiddelen kunnen de volgende activiteiten worden gerekend: het op eigen naam maar voor rekening en risico van derden verrichten van geldtransacties; het op naam en voor rekening en risico van derden verrichten van geldtransacties; het als gevolmachtigde voor derden aanbrengen van geldtransacties bij bemiddelaars; en het aanbrengen van derden bij bemiddelaars. Dit houdt in dat tussenpersonen, intermediairs, agenten en andere bemiddelaars die voor een geldtransactiekantoor ten behoeve van of op verzoek van derden geldtransacties uitvoeren of overeenkomsten afsluiten zelf in het register ingeschreven zullen moeten zijn. De genoemde activiteiten behoeven niet de hoofddoelstelling te zijn van het beroep of bedrijf van de bemiddelaar. Indien niet beroeps- of bedrijfsmatig wordt bemiddeld of door een bijkantoor, zoals een filiaal of nevenvestiging, geldtransacties worden uitgevoerd, zijn de transacties voor rekening en risico van het geldtransactiekantoor zelf en hoeft degene die de transacties uitvoert niet zelfstandig ingeschreven te staan. Hierbij wordt opgemerkt dat het geldtransactiekantoor verplicht is melding te maken van zijn bijkantoren.

In onderdeel a is uitdrukkelijk bepaald dat het om een geldtransactie ten behoeve van of op verzoek van een derde moet gaan. Hiermee wordt op zowel de opdrachtgever als de begunstigde van de transactie gedoeld. Een derde is in onderdeel b gedefinieerd als de natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die geen onderdeel uitmaakt van dezelfde groep, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder o, Wtk 1992, waartoe het geldtransactiekantoor behoort. Door het opnemen van deze definitie wordt beoogd buiten twijfel te stellen dat ondernemingen die uitsluitend geldtransacties voor andere ondernemingen binnen een groep uitvoeren niet onder deze wet vallen. Zo wordt voorkomen dat de wet onbedoeld ook van toepassing is op onder andere intraconcern overboekingen.

(...)"

34. Verzoeker heeft, blijkens de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, gedurende een langere periode veelvuldig geldbedragen van derden voorhanden gekregen en deze geldbedragen door middel van een 'money transfer' overgeboekt naar de begunstigden in onder meer de Dominicaanse Republiek, Colombia, Panama, Costa Rica, Guatemala en de Nederlandse Antillen. Voor het verrichten van deze diensten zou verzoeker (zoals eerder opgemerkt) een vergoeding hebben ontvangen van tussen de € 75,- en € 100,- per overboeking. Gelet op deze vergoedingen lijkt mij dat ook gezien voornoemde passages uit de MvT kan worden gezegd dat verzoeker 'money transfers' verrichte ten behoeve van of op verzoek van derden. Daaraan doet niet af dat verzoeker daarbij (als opdrachtgever) van de diensten van instellingen als het Grens Wissel Kantoor (GWK), de Goffin Bank of de Postbank gebruik maakte. Ik meen dan ook dat het Hof terecht heeft overwogen dat een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van een ander een geldtransactie uitvoert (waaronder de 'money transfer' begrepen) als geldtransactiekantoor kan worden aangemerkt.(10)

35. Nu verzoeker niet was ingeschreven als geldtransactiekantoor in het register dat De Nederlandsche Bank houdt (aldus bewijsmiddel 6), kon het Hof uit de bewijsmiddelen afleiden dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van het in art. 3 Wgt omschreven verbod.

36. Voor zover het middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verzoeker het bewezenverklaarde feit 2 in Nederland heeft gepleegd, schijnt mij toe dat ook deze klacht (vgl. hierboven onder 23) zijn weerlegging vindt in de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, nu daaruit volgt dat de transacties vanuit Nederland hebben plaatsgevonden. Ik verwijs opnieuw naar met name bewijsmiddel 3: de Financial Intelligence Unit Nederland heeft de bedoelde door verzoeker verrichte transacties in de periode van 7 september 2006 tot en met 6 oktober 2007 naar een aantal Latijns-Amerikaanse landen als verdacht aangemerkt. Daaruit kan worden afgeleid dat verzoeker de geldbedragen vanuit Nederland heeft overgemaakt naar de begunstigden in die Latijns-Amerikaanse landen.

37. Aldus heeft het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting het namens verzoeker gevoerde verweer niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd verworpen, en kon het Hof op basis van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen komen tot de bewezenverklaring van feit 2.

38. Het middel faalt.

39. De middelen falen en kunnen, lijkt mij, worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

40. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

41. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie de lijst die (met brief aan de officier van justitie d.d. 10 oktober 2008) is gehecht aan de appelschriftuur.

2 Vgl. HR 1 december 1992, LJN ZC8686, NJ 1993, 631, rov.5.3 en HR 7 oktober 1997, LJN ZD0814, NJ 1998, 153, rov. 10.3.

3 Het woord nutteloosheid heb ik uit het Groene Boekje overgenomen. De Dikke van Dale kent dit woord niet.

4 Gezien de in voetnoot 1 aangehaalde lijst gaat het om hoofdzakelijk Latijns-Amerikaanse landen.

5 In de dossiers waarover de Hoge Raad beschikt, zijn abusievelijk de gebezigde bewijsmiddelen uit de strafzaak gehecht aan het arrest van de samenhangende ontnemingszaak en omgekeerd (zo blijkt uit het, in de Bijlage bij het arrest genoemde rolnummer en overigens uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen). In deze conclusie heb ik de in de strafzaak gebruikte (maar aan het arrest in de ontnemingszaak gehechte) bewijsmiddelen weergegeven. Gelet op de toelichting op het middel is ook de raadsman van de juiste, hier van toepassing zijnde bewijsmiddelen uitgegaan, zodat (lijkt mij) van de verwisseling van de gebezigde bewijsmiddelen geen punt hoeft te worden gemaakt.

6 De MvT bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet inzake de geldtransactiekantoren geeft de voorkeur aan de term "geldtransfer", omdat de Engelse term "money transfer" ook een productnaam is (Kamerstukken II 2001/02, 28 229, nr. 3, p. 3). Ik zal echter ook in het vervolg van deze conclusie blijven reppen van "money transfer", nu deze term in de processtukken wordt gebruikt.

7 HR 27 september 2005, LJN AT4094, NJ 2006, 473, rov. 3.4.

8 Vgl. HR 17 december 2002, LJN AF0625, NJ 2003, 177.

9 Kamerstukken II 2001/02, 28 229, nr. 3, p. 6.

10 Vgl. HR 3 maart 2009, LJN BG9199 (niet gepubliceerd) en HR 18 mei 2004, LJN AO4054, NJ 2004, 497.