Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ4173

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-09-2011
Datum publicatie
09-09-2011
Zaaknummer
10/02444
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2010:BM9279
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ4173
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Verzoek tot wijziging partneralimentatie op de voet van art. 1:401 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1076
JWB 2011/426
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 10/02444

Mr. Huydecoper

Parket, 29 april 2011

Conclusie inzake

[De vrouw]

verzoekster tot cassatie

tegen

[De man]

verweerder in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1. In deze zaak heeft de verweerder in cassatie, [de man], op de voet van art. 1:401 BW wijziging verzocht van de alimentatieplicht die hem ten opzichte van de verzoekster tot cassatie, [de vrouw], bij een echtscheidingsbeschikking in 2007 was opgelegd. De toen opgelegde alimentatie was vastgesteld overeenkomstig wat de partijen daarvóór in een echtscheidingsconvenant waren overeengekomen.

2. Ik denk dat voor de beoordeling in cassatie de navolgende feiten (nog) van belang zijn:

- zoals ik al even noemde, is in 2007 tussen partijen een echtscheidingsbeschikking gegeven, waarin tevens de regeling van de gevolgen van de echtscheiding die partijen bij convenant waren overeengekomen, werd vastgelegd.

- Voor de huidige cassatie-instantie gaat het dan vooral om de ten gunste van [de vrouw] bepaalde alimentatieverplichting. In de beschikking uit 2007 werd die gesteld op € 2.000,- per maand exclusief de "wettelijke" indexering. Daarnaast werd een nogal gedetailleerde regeling voor de alimentatie ten behoeve van de kinderen van partijen vastgelegd. Ik vermeld daarvan, dat de partijen "co-ouderschap" overeenkwamen, waarbij de kinderen om beurten de week bij de ene en dan weer bij de andere ouder zouden verblijven; en dat de totale onderhoudslast voor de kinderen door [de man] op zich werd genomen, met dien verstande dat het daarmee gemoeide bedrag voor de helft door [de man] aan [de vrouw] werd betaald, en voor de andere helft (voor de weken dat de kinderen bij [de man] verbleven) door hem in de vorm van onderhoud "in natura" werd verstrekt(2).

- Partijen hebben beide - de partneralimentatie en de kinderalimentatie - bij nadien getroffen overeenkomst enigszins gewijzigd, zodat de partneralimentatie € 1.982,64 per maand ging bedragen.

3. [de man] heeft wijziging van de geldende partneralimentatie verzocht. Hij voerde daartoe, kort samengevat, aan dat zijn inkomen was verminderd en zijn lasten waren toegenomen, terwijl [de vrouw] méér inkomen (en ook middelen overigens) ter beschikking zou hebben dan het geval was toen de alimentatieverplichtingen op het geldende niveau werden bepaald(3).

(Ik merk, volledigheidshalve, op dat er in de eerste aanleg ook sprake is geweest van wijziging (en wel: vermeerdering) van de voor de kinderen vastgestelde alimentatie. In de beslissing in eerste aanleg is aan het in dit verband aangevoerde voorbijgegaan; en in appel hebben de partijen alsnog gezamenlijk het standpunt ingenomen, dat de kinderalimentatie geen punt van discussie mocht zijn(4).)

4. De rechter in eerste aanleg - waarin [de vrouw] verweer voerde tegen het namens [de man] verzochte - volgde [de man] in zoverre, dat werd aangenomen dat er in diens lasten (en dan in het bijzonder: zijn woonlasten) relevante wijzigingen waren opgetreden, zodat herbeoordeling van de alimentatieverplichtingen in aanmerking kwam. Deze rechter oordeelde echter dat er per saldo geen zodanige wijziging in de draagkracht en behoefte van partijen viel vast te stellen, dat dat wijziging van de geldende alimentatieverplich-tingen rechtvaardigde.

5. Namens [de man] werd hoger beroep ingesteld. Het appelrekest kwalificeer ik als ruimschoots uitvoeriger en gedetailleerder dan voor dergelijke rekesten "gangbaar" is(5).

Van de kant van [de vrouw] werd een verweerschrift ingediend, waarin de zijdens [de man] aangevoerde grieven (alle) inhoudelijk werden besproken.

Er vond een mondelinge behandeling plaats, waarvan ik geen voor de beoordeling in cassatie relevante bijzonderheden kan aanwijzen.

6. In de vervolgens door het hof gegeven eindbeschikking komt één overweging voor die ten opzichte van wat men gewoonlijk in zulke beschikkingen aantreft opvalt (en die dan ook de aanknopingspunten oplevert voor het principale en het incidentele cassatieberoep).

Ik geef die overweging hieronder weer:

"6. Het hof overweegt voorts als volgt. Ingevolge artikel 359 eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het appelschrift de gronden waarop het appel berust te bevatten. De eisen van een goede procesorde brengen met zich mede dat partijen helder inzichtelijk dienen weer te geven waartegen de grieven zich richten, zodat de wederpartij voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om zich te verweren tegen de standpunten. Het hof is van oordeel dat in de onderhavige zaak het beroepschrift volstrekt onduidelijk is, ook gedurende de mondelinge behandeling is voor het hof nauwelijks inzichtelijk geworden waar de grieven zich precies tegen richten. Het hof is van oordeel dat, voorzover de standpunten van de vader en de moeder voor het hof niet voldoende inzichtelijk zijn geworden, dit voor rekening en risico van partijen komt."

7. In het vervolg van de (eind)beschikking heeft het hof het hoger beroep echter wél inhoudelijk beoordeeld; met als uitkomst dat aan het van de kant van [de man] (ik breng in herinnering: de appellant, en dus de partij van wiens zijde het beroepschrift was ingediend) verzochte, in belangrijke mate tegemoet werd gekomen. De beschikking van de eerste aanleg werd namelijk vernietigd, en de partneralimentatie werd bepaald op € 814,- per maand vanaf 1 januari 2008(6) - minder dan de helft van de verplichting zoals die tot aan deze beschikking gold.

8. Zoals voor de hand ligt, werd cassatieberoep van de kant van [de vrouw] - in wier nadeel de beslissing van het hof immers luidde - ingesteld. Van de kant van [de man] is een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. [de vrouw] heeft daartegen een verweerschrift laten indienen.

Beoordeling van het principale en het incidentele cassatiemiddel

9. Voor zowel het principale als het (voorwaardelijk voorgedragen) incidentele cassatiemiddel is bepalend, hoe de overweging van het hof die ik in alinea 6 hiervóór heb geciteerd, moet worden begrepen.

De klachten van beide middelen geven aan die overweging een vrij radicale uitleg, die erop neerkomt dat het hof zou hebben willen aangeven dat het beroepschrift over de hele linie aan ontoelaatbare onduidelijkheid lijdt en dat de onduidelijkheid ook door (toelichting bij) de mondelinge behandeling nergens in voldoende mate is opgeheven.

10. Hoewel de tekst van de aangehaalde overweging, in het bijzonder door het gebruik van de woorden "volstrekt onduidelijk", voor de uitleg waar de principale en incidentele klachten op berusten wel enige steun biedt, lijkt mij toch duidelijk dat deze uitleg niet de juiste is. De beslissing van het hof geeft er namelijk - duidelijk - blijk van dat het hof, in weerwil van de aan het beroepschrift geweten onduidelijkheid, daarin wel bepaalde van de kant van [de man] tegen de beslissing van de eerste rechter aangewezen bezwaren heeft opgemerkt, die het vervolgens ook heeft beoordeeld.

11. Dat dat zo is vind ik eens temeer aannemelijk, omdat kennisneming van het beroepschrift leert dat dat - hoewel het stuk, zoals al even bleek, ongewoon uitvoerig en gedetailleerd is - inderdaad op een relevant aantal punten duidelijk als zodanig (her)kenbare klachten tegen de beslissing uit de eerste aanleg inhoudt.

Ik noem als in het oog springend voorbeeld de passages onder Grief IV (de rechtbank zou, door "dubbeltellen" van bepaalde emolumenten, het inkomen van [de man] verkeerd hebben vastgesteld).

Dat het hier om een voldoende duidelijke "grief" gaat dringt zich eens temeer op, omdat in het verweerschrift namens [de vrouw] in appel, in alinea 20 (bij de bespreking van Grief IV), wordt erkend dat de vaststelling van de rechtbank de hier ten tonele gevoerde fout vertoont.

12. Iets dergelijks geldt voor de passages onder Grief XI, die ertoe strekken dat de rechtbank ten onrechte bij de beoordeling van het effect van de kinderalimentatie alleen het contant betaalde deel daarvan, en niet de verstrekkingen "in natura" in de beoordeling heeft betrokken. Dit betoog wordt weliswaar in het verweerschrift in appel niet als juist erkend (maar inhoudelijk weersproken, met name in alinea's 55 en 56). Het is echter onmiskenbaar dat van de kant van [de vrouw] is opgemerkt dat er op dit punt geklaagd werd, en ook, waar de klacht inhoudelijk op doelde.

13. Ik moet aannemen dat het ook het hof niet is ontgaan, dat het beroepschrift althans voor een gedeelte wél (voldoende) duidelijke klachten tegen de beslissing in de eerste aanleg inhield(7). Zoals ik al even liet blijken, laat zich (alleen) daardoor verklaren dat het hof het hoger beroep van [de man] dan ook inhoudelijk heeft beoordeeld (en voor een belangrijk deel als gegrond heeft aangemerkt).

De uitleg in andere zin waar de klachten van de cassatiemiddelen op berusten, zou betekenen dat het hof zowel ten onrechte zou zijn voorbijgegaan aan een relevant aantal stellingen uit het beroepschrift die stellig wél als voldoende duidelijke klacht tegen de bestreden beschikking moeten worden gelezen, alsook dat het hof in weerwil van het feit dat er (volgens de hier veronderstelde eigen vaststelling van het hof) in appel geen als zodanig kenbare dan wel begrijpelijke grieven waren geformuleerd, tot inhoudelijke behandeling is overgegaan.

14. Ik acht het hoogst onaannemelijk dat een hof zich tot een dergelijke opeenstapeling van fouten zou laten verleiden. Integendeel, het lijkt mij een aannemelijk uitgangspunt wanneer, in alle gevallen waar een door een hof gekozen formulering ruimte laat voor een uitleg met moeilijk aanvaardbare consequenties en een uitleg waarbij zulke consequenties niet intreden, wordt gekozen voor de laatstgenoemde uitleg. Wij mogen er immers van uitgaan dat verantwoordelijk handelende rechterlijke instanties zich onthouden van overwegingen die inhoudelijk niet deugen.

15. Deze beschouwingen brengen mij ertoe, de in alinea 6 hiervóór geciteerde overweging zo te begrijpen, dat het hof aangeeft dat het een (relevant) deel van het beroepschrift (en misschien ook van de stellingen zijdens [de vrouw](8)) als onvoldoende duidelijk en begrijpelijk heeft gewaardeerd; en dat voorzover dat het geval is, partijen hebben te accepteren dat het hof aan de desbetreffende betogen voorbij gaat.

Deze uitleg lijkt mij noodzakelijkerwijs voort te vloeien uit de beschouwingen die ik hiervóór heb neergeschreven; maar een bescheiden zijdelingse steun krijgt die ook van het feit dat het hof in de aangehaalde overweging aangeeft dat de stellingen van de kant van [de man] "nauwelijks" duidelijk zijn gemaakt; en van het feit dat het hof in de laatste zin van het in alinea 6 hiervóór weergegeven citaat spreekt van "voorzover de standpunten ... niet voldoende inzichtelijk zijn geworden (etc.)". Voor een deel - voor mijn part: een bescheiden deel -, zo geeft ook het hof hier aan, is dat dus wel gebeurd.

16. In het cassatierekest wordt in alinea 8 aangevoerd dat het feit dat namens [de vrouw] in appel zou zijn aangegeven dat het van de kant van [de man] aangevoerde als onvoldoende begrijpelijk werd aangemerkt, de onjuistheid van het oordeel van het hof zou accentueren(9). Van mijn kant merk ik op dat in het verweerschrift van de kant van [de vrouw] in appel juist, op maar een enkele uitzondering na, rechtstreeks inhoudelijk verweer tegen de grieven wordt geformuleerd zónder de kanttekening dat het betoog in kwestie onvoldoende begrijpelijk zou zijn. Ik meen dus dat het hier genoemde gegeven eerder steun verleent aan het hiervóór van mijn kant verdedigde standpunt, dan aan dat van het principale middel.

17. Dat het hof de stellingen van de kant van [de man] (laat staan: ook de stellingen van de kant van [de vrouw]) in hun geheel als onvoldoende heeft aangemerkt om voor beoordeling door de rechter in aanmerking te komen, acht ik daarom onaannemelijk.

Overigens: voorzover ik de overweging van het hof wat dit betreft verkeerd mocht uitleggen, en de "radicale" uitleg waar het principale middel op berust dus juist mocht blijken te zijn, denk ik dat de incidentele klacht gegrond is: zoals ik hiervóór aangaf, lijkt het mij onmiskenbaar dat het beroepschrift op de nodige punten - waarvan ik er enkele als voorbeeld heb aangewezen - wél begrijpelijke (wat natuurlijk niet noodzakelijkerwijs ook betekent: inhoudelijk juiste) klachten tegen de beslissing uit de eerste aanleg inhoudt. De klachten die ertoe strekken dat de hier veronderstelde uitleg van het beroepschrift als onbegrijpelijk heeft te gelden, zouden dan moeten slagen.

18. In de hoger neergeschreven beschouwingen ligt besloten hoe ik over het principale cassatiemiddel denk: anders dan dat middel tot uitgangspunt neemt, lijkt mij dat het hof niet heeft geoordeeld dat er namens [de man] in appel (in het geheel) geen begrijpelijke klachten tegen het oordeel van de eerste rechter waren aangevoerd.

Dat zo zijnde kon (en moest) het hof de in hoger beroep aangevoerde klachten die wél voldoende duidelijk en begrijpelijk werden bevonden - althans: voorzover die ook relevant waren(10) - onderzoeken en daarover oordelen.

Ik meen dat het hof dat ook heeft gedaan. Specifieke cassatieklachten die ertoe strekken dat het hof hierbij bepaalde grieven heeft betrokken die onvoldoende begrijpelijk zouden zijn, dan wel relevante materie over het hoofd heeft gezien, worden niet aangevoerd.

19. Misschien heeft de klacht in alinea 6 van het cassatierekest wel de aan het slot van de vorige alinea bedoelde strekking; maar als dat zo zou zijn, lijkt deze klacht mij ondeugdelijk. "Invulling" van de draagkrachtberekening aan de kant van [de man] heeft, anders dan deze klacht aanvoert, in hoger beroep wel degelijk plaats gehad: het hof verwijst in rov. 14 naar de van de kant van [de man] bij brief van 2 oktober 2009 overgelegde draagkrachtberekening(11); en het voegt daar een passage aan toe die ik zo begrijp, dat ook (de advocaat van) [de vrouw]s dit stuk als juist (en in elk geval als begrijpelijk) heeft aanvaard(12).

Er wordt in dit verband - begrijpelijkerwijs(13) - niet geklaagd dat aan [de vrouw] onvoldoende gelegenheid zou zijn gegeven om zich in haar verweer op dit stuk voor te bereiden(14).

20. In alinea 15 van het principale middel tref ik klachten aan die ertoe strekken dat de oordelen van het hof over de uit de draagkrachtberekening van de kant van [de man] blijkende draagkrachtruimte en over de behoefte van [de vrouw], onbegrijpelijk zouden zijn.

Ik betwijfel of deze klachten voldoen aan de maatstaf voor cassatieklachten zoals die bijvoorbeeld is aangegeven in HR 5 november 2010, RvdW 2010, 1328, LJN BN6196, rov. 3.4.1; maar ik acht de klachten hoe dan ook niet doeltreffend. De namens [de man] ingebrachte draagkrachtberekening (2e versie, als overgelegd bij brief gedateerd 30 september 2009 - naar ik aanneem is dit de brief die het hof aanduidt met de datum 2 oktober 2009) komt, afhankelijk van de gekozen uitgangspunten, uit op bedragen aan bruto-partneralimentatie, kennelijk: per 1 januari 2009, variërend van € 446 tot € 826 per maand. Aan de hand van deze gegevens kon het hof oordelen dat een partneralimentatie van € 814 per maand per 1 januari 2008 aan (het maximum van) de draagkrachtruimte beantwoordde.

21. De behoefte van [de vrouw], die volgens haar stellingen beduidend hoger was dan het aldus gevonden bedrag, kon bij die stand van zaken inderdaad buiten beschouwing blijven. Wanneer, zoals zo vaak het geval is, de draagkracht van de alimentatieplichtige klaarblijkelijk te gering is om volledig in de behoefte van de alimentatiegerechtigde te kunnen voorzien, heeft het geen zin om nauwkeurig na te gaan hoe groot de behoefte van de alimentatiegerechtigde is(15). Het middel zet niet uiteen waarom in dit geval iets anders zou gelden.

Overigens heb ik in de principaal en incidenteel aangevoerde middelen geen argumenten aangetroffen die nog bespreking behoeven.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het principale cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Vooral ontleend aan de rov. onder het kopje "Feiten" uit de beschikking in de eerste aanleg. In de beschikking in hoger beroep worden de in eerste aanleg vastgestelde feiten "overgenomen" (zie de overweging onder het kopje "Procesverloop in eerste aanleg en vaststaande feiten). Voor de gang van zaken in appel put ik uiteraard uit de in appel gegeven beschikking.

2 Deze regeling voorzag ook nog in een voorziening waarbij partijen bepaalde reserveringen voor sommige uitgaven voor de kinderen "opzij legden". Voor de beoordeling in cassatie is deze voorziening niet van belang.

3 In het namens [de man] betoogde wordt dan telkens verwezen naar de omstandigheden ten tijde van het (aangaan van het) echtscheidingsconvenant. Er wordt van weerszijden geen punt van gemaakt dat de alimentatieverplichtingen zoals die golden ten tijde van het inleidend verzoek, inmiddels (mede) werden bepaald door de nadere overeenkomst van partijen waar ik in alinea 2, derde "gedachtestreepje", naar verwees.

4 Aldus een namens beide partijen aan het hof gerichte brief, stuk nr. 15 in het A-dossier.

5 Er werden 18 grieven aangevoerd, toegelicht in 153 alinea's tekst.

6 Met dien verstande dat het hof bepaalde dat in de tussentijd méér betaalde alimentatie niet terug behoeft te worden betaald. De ingangsdatum heeft daardoor vooral deze betekenis, dat de inmiddels geldende alimentatie alweer driemaal naar rato van de "wettelijke" indexering is verhoogd

7 Ik meen overigens dat dat op meer plaatsen het geval is dan ik zo-even heb aangewezen.

8 Het valt immers op dat in deze overweging van het hof ook "..de standpunten...van de moeder" een veeg uit de pan lijken te krijgen.

Ik wil niet onvermeld laten dat de processtukken wat mij betreft voor deze diskwalificatie aan het adres van (de rechtshulpverlener van) [de vrouw], geen enkele steun bieden.

9 Zie ook alinea 12 van het principale middel en alinea's 1 - 3 van het verweerschrift in het incidentele cassatieberoep.

10 Namens [de vrouw] was er in appel, volgens mij: met recht, op gewezen dat tussen partijen vast stond dat de voor de beoordeling van de alimentatieverplichtingen relevante omstandigheden waren gewijzigd sedert die verplichtingen werden vastgesteld, en dat dus herwaardering van de voor de alimentatieverplichting(en) bepalende omstandigheden moest plaatsvinden (Personen- en Familierecht (losbl.), Wortmann, art. 401, aant. 4a; T&C Burgerlijk Wetboek Boeken 1, 2, 3 ,4 en 5, Koens, 2009, art. 1:401, aant. 3 (slot); Asser/De Boer I*, 2010, nr. 1044 (p. 928); HR 19 januari 2007, NJ 2007, 60, rov. 3.4). In aansluiting hierop was van haar kant betoogd dat een belangrijk deel van de grieven, omdat die niet zagen op de inmiddels voor de alimentatieverplichting(en) bepalende omstandigheden, als niet terzake dienend moest worden aangemerkt.

11 Die het hof dus kennelijk ook niet als ontoelaatbaar onduidelijk beoordeelt - een nadere steun voor de hiervóór verdedigde uitleg van de beslissing van het hof.

12 In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in appel staat op p. 2 onder het kopje "Mr. P.C. Burger" een uitlating van dezelfde strekking.

13 Het stuk zou immers bij brief van 2 oktober 2009 (zie overigens alinea 20 hierna) zijn overgelegd, terwijl de mondelinge behandeling op 16 oktober 2009 heeft plaatsgehad. Dan zou er toch van de kant van [de vrouw] een specifiek op dit punt gericht bezwaar in appel moeten zijn aangevoerd. Er wordt niet beweerd dat dat gebeurd zou zijn.

14 Ik denk dan aan de rechtspraak zoals die bijvoorbeeld blijkt uit HR 22 februari 2008, NJ 2008, 124, rov. 3.2 en HR 7 december 2001, NJ 2003, 76 m.nt. Asser, rov. 3.5.

15 Asser/De Boer I*, 2010, nr. 622 (p. 508).