Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ3977

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
09/02057
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ3977
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359.3 Sv. Het Hof heeft verzuimd de door hem redengevend geachte inhoud van het als bewijsmiddel 1 genoemde proces-verbaal van politie in de bewijsvoering op te nemen. Dat verzuim leidt tot nietigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/999
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/02057

Mr. Vellinga

Zitting: 19 april 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst" (feit 1 subsidiair) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 10 september 2002 tot en met 13 februari 2003 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk gebruik gemaakt heeft van een vals geschrift, te weten

I

een koopovereenkomst (met betrekking tot het pand [a-straat 1-2-3] te Rotterdam), gedateerd 6 januari 2003 - als ware dat geschrift echt en onvervalst - bestaande de valsheid hierin dat in bovengenoemd geschrift - zakelijk weergegeven -

ad I

een koopprijs van 1.450.000,= euro is vermeld en bestaande het gebruik hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die koopovereenkomst heeft doen toekomen aan Fortis Bank Nederland (Holding) N.V. ten behoeve van de hypotheekverstrekking voor het pand [a-straat 1-2-3] te Rotterdam."

4. Het Hof heeft daartoe de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

"1.

Het proces-verbaal van de Regiopolitie Rotterdam Rijnmond, nr. 155/2004, d.d. 29 juni 2005, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1].

2.

Een geschrift, zijnde een aangifte ter zake van valsheid in geschrift en oplichting artikel 225 en 326 Wetboek van Strafrecht, referentienummer: E200312-0274, d.d. 16 februari 2004, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2].

Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

Op 13 februari 2003 heeft de Fortis Bank een hypotheek verstrekt aan [verdachte], ten behoeve van de panden [a-straat 1-2-3] te Rotterdam. Uit de op 6 januari 2003 gesloten en ondertekende koopovereenkomst blijken de partijen [A] Holding verkoper en [verdachte] en [betrokkene 1] als koper, met een verkoopwaarde van € 1.450.000.

3.

Een geschrift, zijnde een koopovereenkomst, d.d. 6 januari 2003, opgemaakt en ondertekend door [A] Holding B.V, [verdachte] en [betrokkene 1]. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

De ondergetekenden hebben op 6 januari 2003 een koopovereenkomst gesloten. De totale koopprijs van het verkochte bedraagt € 1.450.000 k.k.

4.

Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 155/2004, documentcode 0411301039.V02, d.d. 30 november 2004, opgemaakt en ondertekend door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], welk proces-verbaal - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudt:

Als de op 30 november 2004 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte [verdachte]:

Natuurlijk wist ik dat het niet goed zat. In de zomer van 2002 kwam ik [betrokkene 2] tegen. Hij vertelde mij dat hij de verhuurde panden aan de [a-straat 1-2-3] te Rotterdam te koop had. Ik zou deze panden kunnen kopen voor 1,2 miljoen euro. Ik had geen eigen vermogen om te investeren. [Betrokkene 2] vertelde mij dat wij daarom op papier een hogere koopsom zouden vaststellen, waardoor de hypotheekverstrekker een hogere hypotheek zou verstrekken. Het kwam erop neer dat ik de panden daadwerkelijk kocht voor 1,2 miljoen euro maar dat ik op papier een bedrag moest betalen van 1,45 miljoen euro kosten koper. Aan de hypotheekverstrekker, Fortis Bank, hebben wij opgegeven dat ik de panden kocht voor 1,45 miljoen euro. U vraagt mij of Fortis hiermee bekend was. Ik neem aan dat zij hier niet van op de hoogte was omdat ze anders waarschijnlijk niet akkoord zou zijn gegaan met het verstrekken van een hypotheek.

5.

Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 155/2004, documentcode 0412021832.V02, d.d. 2 december 2004, opgemaakt en ondertekend door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], welk proces-verbaal - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudt:

Als de op 2 december 2004 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte [verdachte]:

Om een financiering van 100% te krijgen werd door [betrokkene 2] een constructie voorgesteld, waarbij onder andere de koopprijs van € 1.200.000,- op papier verhoogd werd naar € 1.540.000,- (het hof begrijpt € 1.450.000,-). Mijn vrouw [betrokkene 1] en ik hebben samen met [betrokkene 2] een door hem opgesteld koopcontract ondertekend. Ik weet niet meer of [betrokkene 1] of ik de voor de hypotheek benodigde stukken aan [betrokkene 3] van de Fortis heb gegeven.

6.

Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van de politie Rotterdam-Rijnmond, nummer 155/2004, documentcode

0411301125.V04, d.d. 2 december 2004, opgemaakt en ondertekend door de opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 4], welk proces-verbaal - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudt:

Als de op 30 november 2004 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte [betrokkene 1]:

[Betrokkene 2] heeft met mijn man [verdachte] een afspraak gemaakt om de koopovereenkomst te tekenen. Als ik het goed heb is de koopovereenkomst die u mij toont (0402161006.DOC) de koopovereenkomst die [verdachte] en ik bij [B] van [betrokkene 2] heb getekend. Ik zie dat mijn paraaf en die van [verdachte] eronder staan.

Bewijsoverweging

Anders dan de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft gesteld, heeft het hof geen twijfel over de juistheid van de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring. Die verklaring is helder, niet aannemelijk is geworden dat zij onder druk is afgelegd, terwijl de verklaring ter terechtzitting dat een bedrag van de verkoper zou zijn geleend, niet geloofwaardig wordt geacht.

De geschriften zijn in samenhang met de overige bewijsmiddelen gebruikt."

5. In aanmerking genomen dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft ontkend het hem tenlastegelegde te hebben gepleegd klaagt het eerste middel, gelet op het bepaalde in art. 359 lid 3 Sv, terecht dat het Hof heeft verzuimd de inhoud van het als bewijsmiddel 1 gebezigde proces-verbaal van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond van 29 juni 2005 in de aanvulling op zijn arrest op te nemen. Het arrest van het Hof lijdt derhalve aan nietigheid (art. 359, lid 3 jo. lid 8, Sv).

6. Het middel slaagt.

7. Het tweede middel klaagt dat de als bewijsmiddel 5 gebezigde verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende:

"[...]

Ik weet niet meer of [betrokkene 1] of ik de voor de hypotheek benodigde stukken aan [betrokkene 3] van de Fortis heb gegeven."

niet redengevend is voor het bewezenverklaarde.

8. Het Hof heeft - kort gezegd - bewezenverklaard dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen een valselijk opgemaakte koopovereenkomst heeft doen toekomen aan Fortis Bank Nederland (Holding) N.V. met het doel een hypotheek te verkrijgen voor het pand [a-straat 1-2-3] te Rotterdam. Aangezien uit de hiervoor weergegeven verklaring van de verdachte blijkt dat hij of één der andere medeplegers, en dus niet iemand anders, de in bewuste en nauwe samenwerking valselijk ingevulde, voor de hypotheek benodigde stukken overeenkomstig hun gezamenlijke bedoeling (zo blijkt uit bewijsmiddel 4) aan Fortis heeft doen toekomen, is de aangehaalde zinsnede, anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, redengevend voor de bewezenverklaring.

9. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

10. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.

11. Het cassatieberoep is ingesteld op 13 mei 2009. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 5 maart 2010 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Het middel is dan ook terecht voorgesteld. Tot vernietiging van het bestreden arrest behoeft dit niet te leiden. Gelet op de aard van de opgelegde straf kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

12. Het middel kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen of verwezen.(1)

13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358, rov. 3.5.3.