Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ3898

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-09-2011
Datum publicatie
09-09-2011
Zaaknummer
10/03732
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ3898
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Verzoek tot vervangende toestemming voor afgifte paspoort ten behoeve van minderjarige op de voet van art. 34 lid 2 Paspoortwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1072
JWB 2011/421
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/03732

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 29 april 2011

Conclusie inzake:

[De vader]

tegen

[De moeder]

Het geschil heeft betrekking op de vervangende toestemming voor de afgifte van een paspoort ten behoeve van een minderjarige (art. 34 Paspoortwet).

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten:

1.1.1. Verzoeker tot cassatie (hierna: de vader) en verweerster in cassatie (de moeder) zijn in 1989 te Arak (Iran) met elkaar gehuwd. Partijen hebben zowel de Nederlandse als de Iraanse nationaliteit. Uit het huwelijk is - naast een ander kind - in oktober 1992 een dochter geboren.

1.1.2. Bij beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 2 mei 2001 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen, die hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben.

1.2. Bij inleidend verzoekschrift van 12 juni 2009 heeft de moeder op de voet van art. 34 lid 2 Paspoortwet(1) aan de rechtbank vervangende toestemming verzocht voor het verkrijgen van een (Nederlands) paspoort voor de dochter. Zij stelde dat het paspoort nodig is voor een voorgenomen reis naar Iran en dat de vader heeft geweigerd medewerking te verlenen.

1.3. Namens de vader is een summier verweerschrift ingediend. Bij beschikking van 22 juni 2009 heeft de rechtbank (kinderrechter) de verzochte vervangende toestemming tot afgifte van een paspoort verleend, omdat hem niet van bezwaren was gebleken. De rechtbank heeft de vader in de proceskosten veroordeeld, nu deze zonder opgaaf van een geldige reden heeft geweigerd toestemming te verlenen.

1.4. Op het hoger beroep van de vader heeft het gerechtshof te Arnhem (zittingsplaats Leeuwarden) bij beschikking van 20 mei 2010 de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd. Het hof stelde voorop dat ingevolge het bepaalde in art. 34 lid 5 Paspoortwet de rechter een zodanige beslissing geeft als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt (rov. 2). De bezwaren van de vader hingen samen met de gevaren voor de dochter van een reis naar Iran (rov. 5). Het hof overwoog dat onbestreden is dat de dochter over een Iraans paspoort beschikt waarvoor de vader destijds wel toestemming heeft verleend, en dat zij met dat paspoort naar Iran kan reizen; weigering van toestemming voor een Nederlands paspoort kan de inreis in Iran niet belemmeren. Onbestreden is dat zij een Nederlands paspoort nodig heeft om te kunnen terugkeren naar Nederland. Het hof overwoog dat de vader niet heeft aangegeven waarom in die situatie een Nederlands paspoort voor de dochter wel bezwaarlijk zou kunnen zijn. Het hof achtte het in het belang van de dochter, de door de kinderrechter verleende vervangende toestemming in stand te laten (rov. 6).

1.5. Namens de vader is - tijdig(2) - beroep in cassatie ingesteld. De moeder heeft aangevoerd dat de vader bij dit beroep belang mist, omdat de dochter inmiddels (tijdens de procedure in cassatie) meerderjarig is geworden en de toestemming van haar ouders nu niet meer nodig heeft voor de afgifte van een Nederlands paspoort. Overigens heeft de moeder verzocht het beroep te verwerpen. De vader heeft schriftelijk op dit verweer gereageerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het verweer dat de vader geen belang meer heeft bij zijn cassatieberoep zou, indien gegrond, niet tot een niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep maar tot de ongegrondverklaring van het beroep hebben geleid(3). Indien het cassatiemiddel geen doel treft, zoals hierna zal worden betoogd, behoeft dit verweer geen afzonderlijke bespreking. Overigens gaat dit verweer niet op omdat het belang van de vader bij het ongedaan maken van de proceskostenveroordeling te zijnen laste in eerste aanleg als een voldoende procesbelang pleegt te worden aangemerkt(4).

2.2. Het middel valt uiteen in drie ongenummerde klachten. De eerste klacht is gericht tegen de overweging van het hof dat de moeder en de dochter inmiddels naar Iran zijn geweest en ook weer veilig zijn teruggekomen (rov. 6). Volgens de klacht volstaat deze motivering niet: het hof is voorbijgegaan aan hetgeen de vader had gesteld omtrent de gevaarlijke situatie in Iran, voor welk land volgens de vader een 'negatief reisadvies' geldt. Het enkele feit dat moeder en dochter veilig zijn teruggekeerd maakt de reis, en eventueel toekomstige reizen naar Iran, niet minder onwenselijk en onverantwoord. Ook klaagt het middel dat het hof zonder motivering voorbijgaat aan de stelling van de vader dat het plan bestond dat de dochter alleen, zonder begeleiding van de moeder, naar Iran zou reizen.

2.3. Deze motiveringsklacht faalt. Het standpunt van de vader over de te duchten gevaren van een reis naar Iran rustte blijkens rov. 5 op twee pijlers: enerzijds zijn bewering dat de moeder sympathie koestert en contact heeft met Iraniërs die behoren tot een Iraanse terroristische oppositiegroep. Daaromtrent heeft het hof, in cassatie onbestreden, overwogen dat de vader deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd tegenover de betwisting daarvan door de moeder. Daarnaast beriep de vader zich op een (niet gepreciseerd) negatief reisadvies. Dat argument is door het hof gewogen, maar te licht bevonden: a) omdat moeder en dochter inmiddels naar Iran zijn gereisd en inmiddels weer veilig zijn teruggekomen(5); b) omdat de vader destijds wél toestemming heeft gegeven voor een Iraans paspoort en niet heeft aangegeven waarom dan de afgifte van een Nederlands paspoort voor de dochter bezwaarlijk zou kunnen zijn voor de dochter; c) overigens heeft de vader aangegeven "dat hij niet definitief nee heeft gezegd tegen het verzochte paspoort". Daarmee voldoet de motivering aan de daaraan te stellen eisen.

2.4. De tweede klacht is in het bijzonder gericht tegen de overweging van het hof dat de vader niet heeft aangegeven waarom een Nederlands paspoort wél bezwaarlijk zou zijn voor de dochter, anders dan een Iraans paspoort (waarvoor de vader destijds toestemming had gegeven). Het middelonderdeel voert aan dat de vader heeft aangegeven dat afgifte van een Nederlands paspoort de terugreis naar Nederland mogelijk maakt: reeds hiermee is een essentieel verschil gegeven met het Iraanse paspoort.

2.5. Ook deze motiveringsklacht faalt. Het hof bedoelt kennelijk dat tegenover het gestelde belang van moeder en dochter bij de afgifte van een Nederlands paspoort (voor de reis naar Iran en voor de toelating tot Nederland bij de terugreis) een niet voldoende consistente houding van de vader stond, die immers toestemming had gegeven voor de afgifte van een Iraans paspoort en bovendien aangaf dat hij niet definitief nee heeft gezegd tegen het verzochte (Nederlandse) paspoort. Mede in aanmerking genomen de maatstaf van art. 34 lid 5 Paspoortwet (rov. 2), is de redengeving begrijpelijk en niet innerlijk tegenstrijdig.

2.6. De derde klacht houdt in dat het hof ten onrechte niet heeft onderzocht in hoeverre Iraans recht relevant is in deze procedure: partijen hebben (naast de Nederlandse) ook de Iraanse nationaliteit. Volgens het middel is naar Iraans recht de wens van de vader van doorslaggevend belang.

2.7. De klacht faalt reeds omdat het middel niet voldoet aan de eisen die art. 426a lid 2 Rv aan een rechtsklacht stelt: het middel geeft niet aan, welke rechtsregel door het hof zou zijn geschonden. De afgifte van een Nederlands paspoort is een publiekrechtelijke handeling die door Nederlands recht wordt beheerst, ook voor wat betreft de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan. Daarvan uitgaande, was het hof niet gehouden te onderzoeken wat het Iraanse recht hieromtrent bepaalt. Het hof behoefde dit laatste niet te motiveren, ook al omdat deze stelling in de feitelijke instanties niet door de vader naar voren is gebracht. Voor zover de vervangende toestemming (tevens) wordt beschouwd als een inmenging in de uitoefening van het ouderlijk gezag, verdient opmerking dat de dochter haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft en dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter noch in de feitelijke instanties noch in cassatie ter discussie is gesteld(6).

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Art. 34 lid 4 Paspoortwet bepaalt dat bij de aanvraag van een paspoort door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming moet worden overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Lid 2 bepaalt: "Indien bij gezamenlijke gezagsuitoefening een van de personen die het gezag uitoefenen, weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid, af te geven, kan deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent, worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een vergelijk tussen de beide personen beproeft."

2 Een faxcopie van het cassatierekest is ingekomen op 19 augustus 2010, op 27 augustus gevolgd door het door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekende origineel.

3 HR 9 juli 2010, LJN: BM2337; zie ook HR 6 januari 2006, NJ 2007, 35.

4 HR 22 september 2006 (LJN: AX9705), NJ 2007, 188.

5 Daarmee kwam het belang te ontvallen aan de stelling dat eerder een plan had bestaan om de dochter alleen naar Iran te laten reizen.

6 Vgl. Rb 's-Gravenhage 10 oktober 2008 (LJN: BK7622), JPF 2009, 163 m.nt. I. Curry-Sumner; Rb 's-Gravenhage 8 mei 2009 (LJN: BL4972), JPF 2010, 89 m.nt. I. Curry-Sumner.