Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ3635

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
28-06-2011
Zaaknummer
09/03379
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ3635
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81 RO en schending van de redelijke termijn in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/881
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/03379

Mr. Silvis

Zitting: 12 april 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het gerechtshof te Leeuwarden wegens "(feit 1 meer subsidiair) het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden.

2. Namens verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof op ontoereikende gronden, dan wel op basis van een verkeerde rechtsopvatting aangaande art. 141 Sr tot een bewezenverklaring is gekomen.

4. Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte:

"op 10 augustus 2008 te Roden, op camping [A], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, te weten een caravan, in gebruik bij [betrokkene 1], en tegen in die caravan aanwezig (zijnde) voorwerpen, welk geweld bestond uit het met een pistool schieten van een kogel door een wand van die caravan en in een in die caravan aanwezig televisietoestel."

5. In het verkorte arrest van het hof is de volgende overweging opgenomen:

"Bewijsoverweging

De verdachte heeft ontkend het in de tekst van feit 1 van de tenlastelegging bedoelde pistoolschot te hebben afgevuurd.

Het hof gaat voor wat betreft de feitelijke toedracht rond bedoeld pistoolschot uit van hetgeen de verdachte op 12 augustus 2008 en 24 november 2008 bij de politie heeft verklaard en van hetgeen de getuige [getuige] op 17 oktober 2008 bij de politie en op 7 januari 2009 bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Assen heeft verklaard.

Het hof overweegt hiertoe dat de verdachte in bedoelde verklaringen niet alleen belastend heeft verklaard over het aandeel van de medeverdachte [medeverdachte] inzake het onder 1 ten laste gelegde feit, maar eveneens over zijn eigen aandeel in dat feit c.q. de aanloop naar dat feit. Daarnaast wordt de inhoud van bedoelde verklaringen van de verdachte op essentiële onderdelen ondersteund door de hierboven genoemde verklaringen van [getuige].

Het hof overweegt voorts dat de omstandigheid dat op de handen en de kleding van de medeverdachte [medeverdachte] geen kruitresten c.q. geen kruitresten van strafrechtelijk relevante betekenis, zijn aangetroffen, zijn verklaring vindt in hetgeen diverse getuigen hebben verklaard over het wisselen van kleding en het grondig wassen van zijn handen door de medeverdachte [medeverdachte].

Op grond van onder meer het bovenstaande gaat het hof uit van de volgende feitelijke toedracht.

Op 10 augustus 2008 is er op de camping [A] te Roden, bij de caravan van de medeverdachte [medeverdachte], eerst een treffen tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] enerzijds en [betrokkene 1] (die een medebewoner van genoemde camping is) en [betrokkene 2] anderzijds. Bij dit treffen is [betrokkene 2] door de verdachte bedreigd met een pistool. Vervolgens zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in de richting van de caravan van laatstgenoemde gelopen. Bedoelde caravan bevond zich op een afstand van ruim veertig meter van de caravan van de medeverdachte [medeverdachte]. De verdachte heeft gezien dat [betrokkene 1 en 2] in de richting van de caravan van [betrokkene 1] gingen en is de woonunit van de medeverdachte [medeverdachte] in gegaan.

Even later, toen de verdachte bemerkte dat [betrokkene 2] zich tegen zijn zin in nog steeds op de camping bevond, heeft de verdachte tegen de medeverdachte [medeverdachte] gezegd: "pak dat ding", daarmee kennelijk doelende op het pistool. De medeverdachte [medeverdachte] heeft hierop het pistool uit zijn caravan tevoorschijn gehaald en de verdachte is ondertussen de caravan van de medeverdachte [medeverdachte] uitgelopen. De verdachte staat buiten de caravan en de medeverdachte [medeverdachte] loopt eveneens naar buiten, met het pistool in zijn hand.

De medeverdachte [medeverdachte] richt met het pistool in de richting van de caravan van [betrokkene 1]. Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft gezien dat [medeverdachte] op de caravan heeft gericht. [medeverdachte] zegt dan: "Hij doet het niet", waarop de verdachte reageert met de woorden: "Wat? Hij doet het niet?" Vervolgens pakt de verdachte het pistool uit de handen van de medeverdachte [medeverdachte], verschuift de veiligheidspal van het pistool en laadt het pistool door, waarna hij een schot in de lucht afvuurt met het pistool. Vervolgens geraakt het pistool weer in de handen van de medeverdachte [medeverdachte]. De verdachte loopt vervolgens terug naar de caravan van de medeverdachte [medeverdachte]. De medeverdachte [medeverdachte] richt met het pistool andermaal in de richting van de caravan van [betrokkene 1] en vuurt een schot af met het pistool. [Betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn op dat moment niet zichtbaar voor de medeverdachte [medeverdachte].

Uit de verklaring van [betrokkene 1] leidt het hof af dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich, vanuit het gezichtspunt van de medeverdachte [medeverdachte] bezien, achter de caravan van [betrokkene 1] bevinden.

Op grond van het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de medeverdachte [medeverdachte] het in de tekst van feit 1 van de tenlastelegging bedoelde pistoolschot heeft afgevuurd.

Vervolgens dient het hof de vraag te beantwoorden waarop het opzet van de verdachte was gericht ten tijde van het lossen van bedoeld pistoolschot door [medeverdachte]. Het hof overweegt dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in casu de dood van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Uit de feitelijke omstandigheden en feitelijke handelingen, zoals hierboven beschreven, kan niet worden geconcludeerd dat de gedragingen van de medeverdachte [medeverdachte] naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op de dood van [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] dat de verdachte, door te handelen zoals hij heeft gedaan, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] ten gevolge van het handelen van de medeverdachte [medeverdachte] zouden kunnen komen te overlijden. Het hof heeft hierbij in de beschouwing betrokken dat het voor de verdachte en zijn medeverdachte op dat moment niet duidelijk was waar [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zich bevonden. Derhalve was voor verdachte niet zichtbaar of kenbaar of de medeverdachte [medeverdachte] het op [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] gemunt kon hebben toen hij het pistoolschot afvuurde.

Het hof acht op grond hiervan de onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde feiten niet bewezen.

Het hof acht op grond van eenzelfde overweging het onder 1 meer subsidiair, ten tweede ten laste gelegde feit evenmin bewezen, in die zin dat uit de feitelijke omstandigheden en feitelijke handelingen, zoals hierboven beschreven, niet kan worden geconcludeerd dat de gedragingen van de medeverdachte [medeverdachte] naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op openlijke geweldpleging tegen [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] dat de verdachte, door te handelen zoals hij heeft gedaan, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de medeverdachte [medeverdachte] een kogel naar en/of in de richting van die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] zou schieten. Het hof acht daarentegen wel het onder 1 meer subsidiair, ten eerste ten laste gelegde feit bewezen. Uit de feitelijke omstandigheden en feitelijke handelingen, zoals hierboven beschreven, concludeert het hof dat de gedragingen van de medeverdachte [medeverdachte] naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op openlijke geweldpleging tegen de caravan van [betrokkene 1] en zich daarin bevindende goederen dat de verdachte, door te handelen zoals hij heeft gedaan, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door [medeverdachte] afgevuurde kogel die caravan en zich daarin bevindende goederen zou kunnen treffen.

Het hof heeft hierbij in de beschouwing betrokken dat het voor de verdachte zichtbaar en kenbaar was dat de medeverdachte [medeverdachte] het op de caravan van [betrokkene 1] en/of zich daarin bevindende goederen gemunt had."

6. Het middel berust op de stelling dat van openlijke geweldpleging eerst sprake is indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. Het hof is niet van een andere opvatting uitgegaan. In dit geval is het volgens steller aannemelijk en onweersproken gebleven dat verdachte zich op enig moment (nadat het eerste schot was gevallen) van de gebeurtenissen heeft gedistantieerd. Voor deze lezing zou steun te vinden zijn in de bewijsmiddelen. Het middel bezien in verband met de toelichting daarop miskent dat het hof uitgaat van een andere selectie en waardering van het materiaal dan die door rekwirant naar voren is gebracht. Het hof heeft kennelijk niet aannemelijk geacht dat rekwirant zich na het van "safe" zetten van het pistool, het doorladen daarvan, en het in de lucht schieten, het kortom voor [medeverdachte] mogelijk maken om te schieten door een gemanifesteerde belemmering weg te nemen, zich in voor de strafbaarheid nog relevante zin heeft gedistantieerd van het handelen van [medeverdachte]. Die waardering en selectie van feiten acht ik, op basis van de bewijsoverweging bezien in verband met de bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het hof getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voor een verdere toetsing is in cassatie geen plaats. Het middel faalt.

7. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn van vervolging is geschonden door de late inzending van stukken door het hof.

8. Het arrest is 18 augustus 2009 gewezen. Verdachte bevond zich toen nog in voorlopige hechtenis. Verdachte heeft op 25 augustus 2009 cassatieberoep doen instellen. De stukken van het geding zijn op 17 mei 2010 op de griffie van de Hoge Raad ontvangen. De inzending van stukken heeft niet tijdig plaatsgevonden, ook indien uitgegaan wordt van de termijn van acht maanden voor niet preventief gedetineerden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de in laatste feitelijke instantie opgelegde straf. In geval van overschrijding van de inzendtermijn blijft die vermindering achterwege indien de overschrijding is gecompenseerd door een bijzonder voortvarende behandeling van het cassatieberoep (HR 17 juni 2008, LJN BD2578, rov. 3.5.2). Een bijzonder voortvarende behandeling behoort niet (meer) tot de mogelijkheden. De Hoge Raad kan strafvermindering toepassen in de mate die passend wordt geacht bij de geconstateerde overschrijding. Middel 2 slaagt.

9. Middel 1 kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest, maar alleen voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in de mate die de Hoge Raad passend acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG