Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ2812

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
10/03949
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3622
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ2812
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Familierecht. Geschil voormalig partners over hoogte kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/918
JWB 2011/368
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/03949

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Parket, 20 april 2011

CONCLUSIE inzake:

[De moeder],

verzoekster tot cassatie,

adv.: mr. W.G.H. Janssen,

tegen

[De vader],

verweerder in cassatie,

adv.: mrs. J. Brandt en I.E. Reimert.

Deze kinderalimentatiezaak leent zich voor een verkorte conclusie.

1. Partijen (hierna afzonderlijk: de moeder en de vader) hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is op 18 maart 1996 een zoon geboren, die bij de moeder verblijft. Bij beschikking van 2 juni 1999 heeft de rechtbank 's-Gravenhage de door de vader te betalen kinderalimentatie bepaald op f 250,- (€ 113,45) per maand. Ingevolge de wettelijke indexering beloopt de bijdrage per 1 januari 2010 een bedrag van € 150,94 per maand.

2. Bij inleidend verzoekschrift van 15 januari 2009 heeft de moeder de rechtbank verzocht met wijziging van de beschikking van 2 juni 1999 de kinderalimentatie te verhogen naar € 600,- per maand. De vader heeft verweer gevoerd en zelfstandig verzocht de kinderalimentatie te verlagen tot ten hoogste € 115,- per maand.

Bij beschikking van 22 september 2009 heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder en de vader afgewezen.

3. Van voormelde beschikking is de moeder in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof 's-Gravenhage met het verzoek, met vernietiging van de bestreden beschikking, haar oorspronkelijk verzoek alsnog toe te wijzen. In incidenteel appel heeft de vader, met vermeerdering van zijn zelfstandig verzoek, verzocht de kinderalimentatie op nihil te stellen.

Bij beschikking van 9 juni 2010 heeft het hof, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking, de kinderalimentatie met ingang van 22 januari 2010 op nihil bepaald.

4. De moeder is tijdig van de beschikking van het hof in cassatie gekomen met drie middelen. De vader heeft zich tegen de klachten verweerd met verzoek tot verwerping van het cassatieberoep.

5. De drie middelen, genummerd a tot en met c, voldoen niet aan de ingevolge art. 426a lid 2 Rv te stellen eisen. Geen van de middelen vermeldt tegen welke rechtsoverweging het precies is gericht. De middelen a en b, die worden gepresenteerd als rechtsklachten, vermelden niet waarom door de bestreden overweging het recht is geschonden. Middel c vermeldt geen vindplaats van de in feitelijke instanties aangevoerde stellingen waarop het is gebaseerd.(1) Voor zover het cassatieberoep niet reeds op deze grond moet worden verworpen, dient dat te geschieden op grond van het volgende.

6. Middel a heeft, zo begrijp ik, betrekking op 's hofs oordeel (in rov. 8) dat in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangedragen die alsnog leiden tot het oordeel dat de behoefte van de minderjarige is gewijzigd. Dit oordeel berust op zijn beurt op de oordelen van het hof dat (i) de stelling van de moeder betreffende extra kosten van bijlessen onvoldoende is onderbouwd en (ii) de enkele stelling van de moeder dat de hogere leeftijd van de minderjarige hogere kosten voor kleding en levensonderhoud meebrengt, indien al juist, bij gebreke van andere financiële gegevens onvoldoende is om aan te nemen dat de behoefte van de minderjarige is gewijzigd. Het middel bevat een rechtsklacht tegen de oordelen (i) en (ii).

7. Het middel faalt, omdat de als feitelijk aan te merken oordelen van het hof betreffende de stelplicht van de moeder niet met vrucht door middel van een rechtsklacht kunnen worden bestreden. Ook indien de klacht wordt opgevat als een motiveringsklacht kan zij echter geen doel treffen. De bestreden oordelen zijn in het licht van de processtukken niet onbegrijpelijk en behoeven geen nadere motivering. Daarbij kan worden opgemerkt dat het hof in het kader van oordeel (ii) met 'andere financiële gegevens' kennelijk mede het oog heeft op factoren, zoals een hogere kinderbijslag, die de (gestelde) hogere kosten compenseren (vgl. rov. 8, tweede en derde volzin, i.v.m. de beschikking van de rechtbank, p. 2 laatste alinea en p. 3 eerste alinea).

8. Voorts bevat de toelichting bij middel a, zo begrijp ik, een klacht tegen het oordeel van het hof in incidenteel appel (in rov. 12) dat voldoende aannemelijk is geworden dat de vader thans geen draagkracht heeft om de bij beschikking van 2 juni 1999 vastgestelde kinderalimentatie te kunnen voldoen. Aangevoerd wordt dat de vader altijd heeft gesteld geen inkomsten te hebben, zodat door hem onvoldoende is gesteld ter rechtvaardiging van het oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden.(2) De klacht faalt nu geen vindplaats van bedoeld verweer wordt gegeven en dit in de processtukken ook niet wordt aangetroffen.

9. Middel b is kennelijk eveneens gericht tegen voormeld oordeel van het hof dat de vader thans geen draagkracht heeft om de vastgestelde kinderalimentatie te voldoen (rov. 12). Het hof baseert dit oordeel op de overweging dat gebleken is dat in de door de vader recentelijk gestarte onderneming, bestaande uit het geven van flamencogitaarlessen en het verzorgen van optredens op de flamencogitaar, de baten de kosten thans nog nauwelijks overtreffen. Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte geen verdiencapaciteit bij de vader heeft aangenomen, in welk verband wordt betoogd dat het de vader niet vrijstaat zijn verdiensten beperkt te houden door de uitoefening van een beroep dat geen inkomsten oplevert. Voor zover hiermee wordt geklaagd dat het hof heeft miskend dat het bij de bepaling van de draagkracht niet alleen aankomt op het inkomen dat de alimentatieplichtige verwerft, maar ook op het inkomen dat hij geacht kan worden zich redelijkerwijs in de naaste toekomst te kunnen verwerven(3), faalt de klacht. Het middel geeft niet aan, noch blijkt uit de gedingstukken, dat de moeder zich in feitelijke instanties gemotiveerd op een dergelijke potentiële draagkracht heeft beroepen.

10. Voor zover in het middel (tevens) de klacht moet worden gelezen dat 's hofs oordeel onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is omdat (de moeder heeft doen aanvoeren(4) dat) de man thans voldoende inkomsten heeft, faalt ook deze klacht. In het licht van de met een productie geadstrueerde stellingen van de vader (verweerschrift tevens incidenteel appel onder 7-8 i.v.m. productie 1; proces-verbaal p. 2) is het oordeel van het hof dat de vader thans geen draagkracht heeft niet onbegrijpelijk en behoefde het geen nadere motivering.

11. Middel c klaagt dat het hof ten onrechte geen acht heeft geslagen op de namens de moeder naar voren gebrachte feiten dat de vader een eigen woning heeft en dat zijn huidige partner inkomsten geniet. Als gezegd geeft het middel geen vindplaatsen van dergelijke stellingen in de processtukken; een beroep op bedoelde feiten wordt in de gedingstukken ook niet aangetroffen. Het middel faalt.

12. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Zie o.m. HR 5 november 2010, LJN BN6196, RvdW 2010, 1328.

2 Art. 1:401 lid 1 BW.

3 Asser/De Boer I* 2010, nr. 624.

4 Proces-verbaal d.d. 26 maart 2010, p. 1 onderaan ('Mr Janssen').