Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ2739

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-05-2011
Datum publicatie
20-05-2011
Zaaknummer
10/04791
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ2739
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. WSNP. Verzoek tot tussentijdse beëindiging. Oordeel hof dat geen sprake is van feiten en omstandigheden als bedoeld in art. 350 lid 3, aanhef en onder f, F.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/651
JWB 2011/266
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/04791

Mr. L. Timmerman

Parket 4 maart 2011

Conclusie inzake:

1 [Verzoeker 1]

2 [Verzoekster 2]

verzoekers tot cassatie,

(hierna: [verzoeker] c.s.)

Tegen

1 [Verweerder 1]

2 [Verweerster 2]

verweerders in cassatie,

(hierna: [verweerder] c.s.)

Verkorte conclusie

1 Bij vonnis van 3 november 2009, dat feitelijk is gewezen op 17 november 2009 (hierna het toelatingsvonnis), heeft de rechtbank Roermond ten aanzien van [verweerder] c.s. de definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnis van 30 juni 2010 (hierna het tussentijds beëindigingsvonnis) heeft de rechtbank op voet van art. 350 lid 3 aanhef en sub f Fw de toepassing daarvan op verzoek van [verzoeker] c.s. die een vordering op [verweerder] c.s. hadden beëindigd(1). [Verweerder] c.s. zijn van dit tussentijds beëindigingsvonnis in hoger beroep gekomen bij het hof te 's-Hertogenbosch. Bij arrest van 26 oktober 2010 heeft het hof dat tussentijds beëindigingsvonnis vernietigd en het verzoek van [verzoeker] c.s. tot tussentijdse beëindiging afgewezen. Volgens het hof was er geen sprake van feiten en omstandigheden in de zin van art. 350 lid 3 aanhef en sub f Fw. Tegen dit arrest hebben [verzoeker] c.s. tijdig(2) beroep in cassatie ingesteld.

2 Het verzoekschrift bevat twee middelen. Onderdeel I.1 komt op tegen rov. 3.8.2 waarin het hof onder andere heeft overwogen:

"In het toelatingsvonnis van 3 november 2009 heeft de rechtbank het volgende overwogen: 'Uit het inmiddels onherroepelijke vonnis van de rechtbank Roermond van 11 april 2007 blijkt dat zij (lees: appellanten) veroordeeld zijn tot betaling aan geintimeerden van een contractuele boete van 49.932,04 euro alsmede proceskosten van 4.1107,37 euro wegens het (kunnen) leveren van hun verkochte woning.' Voorts is ter zitting van het hof door de bewindvoerder een vervolgrapportage integrale schuldhulpvelening overgelegd. Deze rapportage maakte deel uit van de verklaring ex artikel 285 Fw en daarin leest het hof onder meer: '...helaas volgens de uitspraak van verschillende rechters heeft meneer [verweerder] zich aan de afspraken gehouden. Er werd een schadevergoeding van 10% van de waarde van de woning plus alle gerechtelijke kosten aan de wederpartij toegekend.' Het hof is van oordeel dat hieruit volgt dat de rechtbank tijdens de toelatingszitting op de hoogte was van - in elk geval de inhoud van - voormeld veroordelend vonnis en de door de rechtbank in dat vonnis vastgestelde toerekenbaarheid van de tekortkoming van appellanten. De rechtbank heeft daarin echter geen aanleiding gezien het toelatingsverzoek van appellanten af te wijzen. Geïntimeerden stellen dat er tijdens de toelatingszitting onduidelijkheid was over de goede trouw van appellanten, welke onduidelijkheid zou zijn weggenomen door alle processtukken in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 11 april 2007 in het geding te brengen. Indien er tijdens de toelatingszitting al onduidelijkheid heeft bestaan, kan die onduidelijkheid naar het oordeel van het hof alleen betrekking hebben gehad op de feiten, welke aanleiding hebben gegeven tot de veroordeling van appellanten. De rechtbank overweegt immers in het toelatingsvonnis: 'Wat daarvan precies de toedracht is geweest, blijft evenwel ongewis'. Dat zij jegens geïntimeerden toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van hun verplichtingen stond echter vast en was gezien de eerder geciteerde overweging aan de rechtbank ook bekend."

Het onderdeel klaagt dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd in appel heeft overschreden door te toetsen of de rechter bij de toelatingszitting bekend was met de vastgestelde toerekenbare tekortkoming. [Verweerder] c.s. zouden in hoger beroep niet hebben gegriefd tegen de overweging van de rechtbank dat er feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die, wanneer deze ten tijde van de toelatingszitting bekend zouden zijn geweest, reden zouden zijn geweest het verzoek van [verweerder] c.s. af te wijzen. [Verweerder] c.s. zouden alleen geklaagd hebben over het oordeel van de rechtbank in rov. 2.4 dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan.

3 Het hof diende m.i. de vraag te beantwoorden of op grond van art. 350 lid 3 sub f Fw de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd moest worden (zie m.i. terecht rov. 3.8.1 van het bestreden arrest)(3). In hoger beroep richt het debat zich op de vraag of de rechtbank die heeft geoordeeld over het toelatingsverzoek in 2009 bekend was met de inhoud van het vonnis van 11 april 2007 en de daarin vastgestelde toerekenbare tekortkoming. Ter zitting hebben beide partijen de mogelijkheid gehad zich uit te laten over die vraag. [Verzoeker] c.s. hebben ter zitting verklaard dat er geen sprake is van nieuwe feiten die, indien zij destijds bekend waren geweest, zouden hebben geleid tot afwijzing van het verzoek. Het hof is m.i. niet buiten de rechtsstrijd getreden, zodat het onderdeel faalt. Onderdeel I.2 bouwt voort op het vorige onderdeel en moet het lot daarvan delen.

4 Ook middel II is gericht tegen rov. 3.8.2. Onderdeel II.1 betoogt dat de uitleg die het hof aan het toelatingsvonnis heeft gegeven onbegrijpelijk is nu uit de letterlijke bewoordingen van het vonnis volgt dat de toedracht van de jegens [verzoeker] c.s. ontstane schuld voor de rechtbank onduidelijk was.

5 Het onderdeel faalt. Voor de rechter was indertijd wel duidelijk wat de toedracht is geweest voor de schuld aan [verzoeker] c.s. In het vonnis geeft de rechter aan dat uit het vonnis van 11 april 2007 blijkt dat [verweerder] c.s. veroordeeld zijn tot betaling aan [verzoeker] c.s. van een contractuele boete en proceskosten wegens het niet (kunnen) leveren van hun verkochte woning. De rechter oordeelt vervolgens dat vaststaat dat er beslag lag op de woning en de woning niet geleverd kon worden aan [verzoeker] c.s., maar dat de toedracht daarvan de rechter niet bekend is. Daarmee wordt dus de toedracht van het beslag op de woning bedoeld.

6 Onderdeel II.2 voert aan dat het hof geen vrijheid had om een andere uitleg aan het toelatingsvonnis te geven dan die welke al in het geding vaststond, nu [verweerder] c.s. noch in eerste aanleg noch in hoger beroep hebben gesteld dat de rechter wel van de vastgestelde toerekenbare tekortkoming wist en al helemaal niet dat die bekendheid uit het toelatingsvonnis zou moeten volgen. Door een andere uitleg aan dat vonnis te geven, heeft het hof niet alleen art. 149 Rv miskend, maar heeft het ook het rechtsdebat overschreden door ambtshalve de feitelijke grondslag aan te vullen.

7 Voorzover het onderdeel erover klaagt dat het hof in strijd met art. 24 Rv de feitelijke grondslag heeft aangevuld, faalt het. [Verweerder] c.s. hebben aangevoerd dat er geen aanleiding was de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen. Daarmee diende het hof de vraag of feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die op het tijdstip van het toelatingsvonnis bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig art. 288 lid 1 en 2 Fw, te beantwoorden. Ook de klacht dat het hof in strijd met art. 149 Rv feiten aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd die niet ten processe zijn gebleken of gesteld en zijn komen vast te staan, faalt. Het hof mocht bij zijn beslissing of er sprake is van de in art. 350 lid 3 sub f Fw bedoelde feiten en omstandigheden rekening houden met alle behoorlijk te zijner kennis gebrachte en ten processe gebleken feiten en had de vrijheid daaraan zijn eigen conclusies te verbinden(4). Dat heeft het hof gedaan. Uit de door de bewindvoerder ter zitting van het hof overgelegde vervolgrapportage integrale schuldhulpverlening heeft het hof afgeleid dat de rechtbank tijdens de toelatingszitting op de hoogte was van het vonnis van de rechtbank van 11 april 2007 en de in dat vonnis vastgestelde toerekenbaarheid van de tekortkoming van [verweerder] c.s.(5) Ook [verzoeker] c.s. hebben ter zitting verklaard dat er geen sprake is van nieuwe feiten. Het hof heeft daaraan de niet onbegrijpelijke gevolgtrekking verbonden dat er geen gronden zijn om de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verweerder] c.s. tussentijds te beëindigen op grond van art. 350 lid 3 sub f Fw.

8 Onderdeel II.3 klaagt dat het hof in rov. 3.8.2 een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de essentiële stelling van [verzoeker] c.s. dat uit het toelatingsvonnis letterlijk volgt dat er bij de rechter tijdens de toelatingszitting een onduidelijkheid bestond over het vonnis van 11 april 2007 en daarmee dus ook over de vastgestelde toerekenbare tekortkoming. Het onderdeel faalt. Ik verwijs naar onderdeel 5 van deze conclusie.

9 Onderdeel II.4 betoogt dat het oordeel van het hof in rov. 3.8.2 des te onbegrijpelijker is nu uit rov 3.7 volgt dat de bewindvoerder op de zitting heeft verklaard dat het niet bekend is of de rechter beschikte over het vonnis van 11 april 2007.

10 Het onderdeel faalt. Het hof heeft blijkens rov. 3.8.2 kennis genomen van de vervolgrapportage integrale schuldhulpverlening. Daaruit heeft het hof afgeleid dat de rechtbank tijdens de toelatingszitting op de hoogte was van het vonnis van 11 april 2007. Dat de bewindvoerder niet weet of de rechtbank bekend was met het vonnis, betekent niet dat de rechtbank er geen kennis van had.

11 Onderdeel II.5 voert aan dat de conclusie die het hof trekt uit de vervolgrapportage volstrekt onbegrijpelijk is. In die rapportage is enkel in algemene bewoordingen gesteld dat [verweerder] zich niet aan zijn afspraken heeft gehouden, maar niet dat [verweerder] c.s. jegens [verzoeker] c.s. toerekenbaar tekortgeschoten zijn.

12 Uit de rapportage volgt niet alleen dat [verweerder] zich niet aan de afspraken heeft gehouden, maar tevens dat [verweerder] c.s. door de rechter veroordeeld zijn tot betaling van een schadevergoeding van 10% van de waarde van de woning en gerechtelijke kosten. Nu de vervolgrapportage onderdeel uitmaakte van het verzoek in de zin van art. 285 Fw, kon het hof op grond van die rapportage oordelen dat de rechter op de hoogte was van het vonnis van 11 april 2007. Het onderdeel faalt.

13 Onderdeel II.6(6) richt zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.8.2 dat er geen sprake is van nieuwe feiten. Het onderdeel betoogt dat [verzoeker] c.s. ter zitting noch hebben erkend dat van nieuwe feiten geen sprake is noch dat van kwader trouw van [verweerder] c.s. bij het ontstaan van de onderliggende schuld geen sprake is. Het oordeel van hof het is dan ook onbegrijpelijk.

14 Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft bedoeld dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden zoals bedoeld in art. 350 lid 3 Fw. Uit het proces-verbaal van de zitting van 26 oktober 2010 blijkt dat er uitgebreid gesproken is over de bekendheid van de rechter met het vonnis van 11 april 2007. De advocaat van [verzoeker] c.s. heeft ter zitting gesteld dat hij geen nieuwe feiten kan noemen(7). Het onderdeel faalt dan ook.

15 Onderdeel II.7(8) bouwt voort op de voortgaande onderdelen en moet het lot daarvan delen.

16 De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieverzoek met toepassing van art. 81 Ro.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Volgens art. 350 lid 1 Fw kan de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van een of meer schuldeisers worden beëindigd.

2 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 3 november 2010, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.

3 Zie onder andere: HR 7 november 2003, LJN: AI0344, NJ 2004, 23 en HR 19 februari 1993, LJN: ZC0871, NJ 1993, 364 m.nt. HER waarin ook klachten gelezen werden die niet uitdrukkelijk in de grieven staan.

4 Zie HR 15 september 2006, LJN: AX5381, NJ 2006, 507 rov. 3.4.4.

5 Zie rov. 3.8.2.

6 In het verzoekschrift op pag. 10 genummerd als II.5.

7 Pag. 3 proces-verbaal.

8 In het verzoekschrift als onderdeel II.6 genummerd.