Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ2073

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2011
Datum publicatie
22-04-2011
Zaaknummer
10/01568
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2010:BL9750
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ2073
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Verzoek tot wijziging partneralimentatie; art. 1:401 BW. Passeren aanbod tot leveren tegenbewijs door middel van getuigen; art. 166 Rv. Oordeel hof dat te bewijzen aangeboden feiten niet voldoende zijn betwist. (81 RO)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/581
RFR 2011/80
JWB 2011/230
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/01568

Mr L. Strikwerda

Parket, 4 febr. 2011

conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een verzoek op de voet van art. 1:401 BW tot wijziging van een tussen gewezen echtgenoten bij rechterlijke uitspraak vastgestelde alimentatieverplichting. In cassatie gaat het om de vraag of het hof het aanbod van de man (thans verzoeker tot cassatie) om te bewijzen dat de vrouw (thans verweerster in cassatie) over meer vermogen beschikt dan zij heeft opgegeven, heeft mogen passeren en of het hof zijn beslissing dienaangaande voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.

2. De feiten liggen als volgt (zie de beschikking van het hof, blz. 2, 2e alinea, in verbinding met de beschikking van de rechtbank, blz. 1, onder het hoofdje "Feiten").

(i) Partijen zijn gehuwd op 18 september 1985.

(ii) Bij beschikking van de rechtbank Leeuwarden d.d. 14 augustus 2002 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 22 november 2002 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

(iii) Bij beschikking van genoemde rechtbank van 28 maart 2003 is het verzoek van de man om ten laste van de vrouw een uitkering tot het levensonderhoud van de man te bepalen, afgewezen. Deze beschikking is door het gerechtshof te Leeuwarden bij beschikking d.d. 29 november 2006 vernietigd; het hof heeft de door de vrouw aan de man met ingang van 22 november 2002 te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de man bepaald op Euro 1.006,- per maand.

3. De vrouw heeft op 14 november 2007 bij de rechtbank 's-Gravenhage een verzoekschrift ingediend en daarbij de rechtbank verzocht om met wijziging van genoemde beschikking van het gerechtshof te Leeuwarden de uitkering tot het levensonderhoud van de man op nihil te stellen, althans op een lager bedrag dan Euro 1.006,-.

4. De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw en zich onder meer op het standpunt gesteld dat het vermogen van de vrouw aanmerkelijk hoger is dan door de vrouw is aangegeven en dat de vrouw, evenals zij ten tijde van het huwelijk van partijen deed, een deel van haar vermogen verzwijgt.

5. De rechtbank, die van oordeel was dat de man de - door de vrouw betwiste - stelling dat de vrouw een deel van haar vermogen verzwijgt, onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd, en vaststelde dat de vrouw onvoldoende draagkracht heeft om een bijdrage te leveren in het levensonderhoud van de man, heeft bij beschikking van 8 juli 2008 met wijziging in zoverre van de genoemde beschikking van het gerechtshof Leeuwarden d.d. 29 november 2006 de door de vrouw te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de man met ingang van 1 januari 2008 bepaald op nihil.

6. De man is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, doch tevergeefs: bij beschikking van 13 januari 2010 heeft het hof de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof onder meer (r.o. 20):

"De man stelt dat de vrouw over meer vermogen beschikt dan zij opgeeft. Naar het oordeel van het hof baseert hij deze stelling op basis van gegevens uit het verleden toen partijen nog met elkaar samenleefde. De man heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan thans kan worden geoordeeld dat de vrouw thans over een groter vermogen beschikt dan volgt uit haar fiscale aangiftes. Voor de omvang van het vermogen gaat het hof uit van de gegevens zoals vermeld in de door de vrouw overgelegde aangiftes inkomstenbelasting. Het hof zal de man derhalve niet toelaten tot het leveren van bewijs inzake de omvang van het vermogen van de vrouw."

7. De man is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. De vrouw heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

8. Het middel keert zich met drie klachten tegen hetgeen het hof heeft overwogen en beslist in de zojuist aangehaalde r.o. 20.

9. De eerste klacht (cassatierekest onder 12) houdt in dat het oordeel van het hof om de man niet toe te laten tot het leveren van getuigenbewijs, in strijd is met de regel dat tegenbewijs vrijstaat (art. 151 lid 2 Rv). Volgens de klacht had het hof de man dienen toe te laten tot het leveren van tegenbewijs door middel van getuigen tegenover het door de vrouw geleverde schriftelijke bewijs omtrent haar vermogen.

10. Het hof heeft op basis van door de vrouw overgelegde financiële stukken (onder meer fiscale aangiften) vastgesteld wat de omvang is van het vermogen waarover de vrouw in 2008 (r.o. 18) en in 2009 (r.o. 19) kon beschikken. Juist is dat het de man op grond van art. 284 lid 1 jo. art. 151 lid 2 Rv vrijstond om tegen het door de vrouw geleverde schriftelijk bewijs, tegenbewijs te leveren. Anders dan het middel kennelijk meent, kan hieruit echter niet worden afgeleid dat de rechter gehouden is aan een aanbod tot het leveren van tegenbewijs te allen tijde gevolg te geven. Het aanbod om tegenbewijs te leveren dient, ook al staat tegenbewijs vrij, wel te voldoen aan de eisen van art. 166 lid 1 Rv. Dit betekent dat de rechter aan een aanbod om tegenbewijs te leveren onder meer voorbij mag gaan wanneer de feiten met betrekking waartoe tegenbewijs wordt aangeboden, niet voldoende gemotiveerd zijn betwist. Vgl. HR 14 november 2003, NJ 2005, 269, r.o. 3.5.2, en HR 3 december 2004, NJ 2005, 160 nt. MMM, r.o. 3.7. Zie ook W.D.H. Asser, Bewijslastverdeling, 2004, nr. 48.

11. Het hof heeft overwogen dat de man geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan thans kan worden geoordeeld dat de vrouw thans over een groter vermogen beschikt dan volgt uit haar fiscale aangiften. Daaruit volgt dat de man naar het oordeel van het hof de feiten met betrekking waartoe hij tegenbewijs heeft aangeboden, niet voldoende heeft betwist. Het hof heeft niet in strijd met art. 151 lid 2 Rv gehandeld door op deze grond aan het aanbod van de man om tegenbewijs te leveren voorbij te gaan. De eerste klacht kan derhalve geen doel treffen.

12. De tweede klacht (cassatierekest onder 13) neemt tot uitgangspunt dat het hof heeft geoordeeld dat de man niet tot bewijslevering kan worden toegelaten op de grond dat het bewijsaanbod van de man onvoldoende specifiek/relevant zou zijn. Volgens de klacht heeft het hof in dat geval miskend dat aan een aanbod van tegenbewijs niet de eis mag worden gesteld dat het voldoende gespecificeerd is.

13. De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof is aan het aanbod van tegenbewijs van de man niet voorbijgegaan op de grond dat het aanbod onvoldoende gespecificeerd zou zijn, maar op de grond dat de man de feiten waarop het aanbod van tegenbewijs betrekking heeft, niet voldoende heeft betwist.

14. De derde klacht (cassatierekest onder 15) bestrijdt als onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de man geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan thans kan worden geoordeeld dat de vrouw thans over een groter vermogen beschikt dan volgt uit haar fiscale aangiftes.

15. Ook deze klacht is tevergeefs aangevoerd. De feiten en omstandigheden die volgens het middel door de man in het kader van grief IV en bij pleidooi (pleitnota sub 2 en 4) naar voren zijn gebracht, hebben betrekking op zijn stelling dat de vrouw in het verleden vermogen heeft verzwegen. Uit de gedingstukken blijkt niet (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat de man feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die betrekking hebben op het vermogen waarover de vrouw in 2008 en 2009 heeft kunnen beschikken. Het oordeel van het hof is daarom niet onbegrijpelijk.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,