Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ2005

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-05-2011
Datum publicatie
31-05-2011
Zaaknummer
09/04947
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ2005
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verjaring. Art. 70.1° Sr. Uit de stukken blijkt niet dat gedurende 3 jaren voorafgaand aan de betekening van de mededeling uitspraak enige daad van vervolging is verricht, zodat het recht tot strafvervolging is komen te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/719
NJB 2011, 1277
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/04947

Mr. Knigge

Zitting: 29 maart 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 9 december 2005 verdachte wegens "als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen sluiten en in stand houden" veroordeeld tot een geldboete van € 385,00.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te Rotterdam, op 6 april 2010 twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens verdachte heeft mr. B. Kizilocak, eveneens advocaat te Rotterdam, op 7 maart 2011 (de toelichting) op het eerste middel gewijzigd.

4. Het eerste middel

4.1. Het middel betoogt dat het recht op strafvervolging door verjaring is komen te vervallen. Uit de aan de steller van het middel toegezonden stukken heeft de steller opgemaakt dat tussen 26 januari 2006, de datum waarop de uitspraak van het Gerechtshof van 9 december 2005 aan de griffier is betekend, en 22 september 2009, de datum waarop wederom getracht is de uitspraak uit te reiken aan verdachte, geen handelingen zijn verricht waardoor de verjaring is gestuit. Nu er sprake is van een tijdsverloop van meer dan drie jaren tussen voornoemde handelingen, is ingevolge art. 70 lid 1 onder 1 Sr jo. 72 lid 1 Sr, het recht tot strafvervolging door verjaring komen te vervallen.

4.2. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt dat er tussen 26 januari 2006 en 22 september 2009 nog wel handelingen zijn verricht om verdachte op de hoogte te brengen van de uitspraak. Op 23 maart 2006 is verdachte ter signalering opgenomen in het BETIP-systeem.(1) Op 3 oktober 2007 heeft wederom via VIP (Verwijs Index Personen) een controle in de registers van het GBA plaatsgevonden, blijkens een aantekening van deze controle op de mededeling uitspraak van 26 januari 2006. Op 3 april 2008 is wederom via VIP in het GBA-systeem gecontroleerd of van verdachte een adres bekend was, welke handeling blijkt uit de uitdraai hiervan op deze datum. Tot slot is VIP ook weer op 15 september 2009 geraadpleegd, hetgeen het adres van verdachte opleverde. Een week later, op 22 september 2009 is getracht de verstekmededeling op dit adres uit te reiken. Op 23 september 2009 heeft verdachte de verstekmededeling opgehaald bij een postkantoor.

4.3. Ingevolge art. 70 lid 1 onder 1 Sr, zoals deze bepaling luidde tot 1 februari 2008, geldt voor overtredingen een verjaringstermijn van twee jaren. Na de inwerkingtreding van de Wet van 7 juli 2006, Stb. 2006, 330(6), bedraagt de verjaringstermijn voor overtredingen drie jaren. Voornoemde Wet van 7 juli 2006 bevat geen bepaling van overgangsrecht zodat de veranderde verjaringstermijn volgens de Hoge Raad direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd.(2)

4.4. Met de steller van het middel ga ik er vanuit dat de betekening aan de griffier op 26 januari 2006 een daad van vervolging is die de verjaring stuit, net als de poging op 22 september 2009 om de verstekmededeling aan verdachte uit te reiken, welke poging is gevolgd door het ophalen door verdachte van de mededeling bij een postkantoor.(3) Het is, gelet op de onder 4.3 genoemde verjaringstermijnen, dus nu de vraag of er in de drie jaren na de betekening aan de griffier op 26 januari 2006, handelingen zijn verricht die de verjaring stuiten. Aldus is het de vraag of de signalering in het BETIP-systeem op 23 maart 2006 en de VIP-controles op 3 oktober 2007 en 3 april 2008 kunnen worden aangemerkt als daden van vervolging in de zin van art. 72 Sr.

4.5. Ik meen dat dit niet het geval is. Van een formele daad die van het openbaar ministerie is uitgegaan (en die de strekking heeft om de uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar te maken), is geen sprake. Het gaat om inspanningen binnen het vervolgingsapparaat, waarvan de verdachte in beginsel geen weet hoeft te hebben.(4) Die interne inspanningen zijn erop gericht een formele bekendmaking van de uitspraak aan de verdachte mogelijk te maken (zodat de beroepstermijn begint te lopen). Die bekendmaking vormt een daad van vervolging, wat daaraan voorafgaat, verhoudt zich tot die daad als de voorbereidingshandeling tot het voltooide misdrijf. Dat dergelijke voorbereidende inspanningen wel meetellen bij de vraag of de redelijke termijn is geschonden (zie aanstonds), maakt dat niet anders.

4.6. Steun voor deze opvatting kan gevonden worden in HR 16 februari 2010, LJN BK6357.(5) In dit arrest heeft de Hoge Raad overwogen:

"2.3. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. In geval van verandering van wetgeving met betrekking tot de verjaring geldt naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken als uitgangspunt dat deze verandering direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd (vgl. HR 29 januari 2010, LJN BK1998).

2.4.1. Het eerste lid van art. 72 Sr luidde tot 1 januari 2006:

"Elke daad van vervolging stuit de verjaring, mits die daad de vervolgde bekend of hem betekend zij."

2.4.2. Nu uit de stukken van het geding niet blijkt dat gedurende zes jaar voorafgaand aan 1 januari 2006 een daad van vervolging is verricht, moet het ervoor worden gehouden dat de verjaring van de tenlastegelegde feiten niet vóór 1 januari 2006 is gestuit. De in art. 70, aanhef en onder 2°, (oud) Sr bepaalde verjaringstermijn van zes jaar is dus vervuld, zodat het recht tot strafvordering is vervallen."

Uit de conclusie vóór dit arrest blijkt dat door het OM tussen 1 januari 2000 en 1 januari 2006 verschillende malen per jaar is geïnformeerd bij de VIP naar een eventueel adres van verdachte, maar daaruit zou zijn gebleken dat verdachte in die periode zonder vaste woon- of verblijfplaats is geweest. Voorts blijkt uit de conclusie dat op 7 augustus 2000 verdachte ter signalering is opgenomen in het BETIP-systeem. Gelet op deze informatie meen ik uit het arrest te kunnen opmaken dat het controleren van het VIP-systeem, met de uitkomst dat van de verdachte in het GBA-systeem geen adres bekend is, geen daad van vervolging oplevert. Net zo min als de signalering in het BETIP-systeem.(6)

4.7. Het middel slaagt derhalve. Voor het geval de Hoge Raad daarover anders zou oordelen, bespreek ik de subsidiaire klacht van het middel en middel twee.

4.8. In het middel wordt geklaagd dat de redelijke termijn zou zijn overschreden nu de verstekmededeling niet binnen een jaar na de uitspraak is betekend.

4.9. In HR 3 oktober 2000, LJN AA7309, NJ 2000/721, m.nt. JdH is bepaald dat:

"(...) 3.19 Van overschrijding van de redelijke termijn kan eveneens sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht. Van de hier bedoelde vertraging is in elk geval geen sprake: (...) b. Indien de verstekmededeling binnen 1 jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend door de in art. 588, eerste lid onder b sub 3, Sv voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfsplaats van hem bekend is, én indien tevens blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv. 3.20 (...)"

4.10. Het OM heeft ruim binnen een jaar getracht de verstekmededeling aan verdachte te betekenen. Vervolgens is verdachte ter signalering opgenomen in het BETIP-systeem en is sindsdien ieder jaar eenmaal per jaar getracht(7) alsnog de verstekmededeling aan verdachte te betekenen. Van de situatie dat het OM bij de betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht, is geen sprake.

4.11. Het middel slaagt voor zover het klaagt dat de strafvervolging door verjaring is komen te vervallen.

5. Het tweede middel

5.1. Het tweede middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat het bewezenverklaarde is gepleegd in Rotterdam.

5.2. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 07 januari 2004 te Rotterdam, als degene aan wie voor een motorrijtuig (personenauto) het kenteken [AA-00-BB] was opgegeven, en waarvoor een kentekenbewijs was afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen had gesloten en in stand gehouden"

5.3. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het proces-verbaal van het Centraal Justitieel Incasso Bureau te Leeuwarden, nr. 10.10.3200.4023.5 d.d. 25 mei 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze opsporingsambtenaar:

Op 7 januari 2004 heeft de Dienst Wegverkeer, Centrum voor Voertuigtechniek en Informatie door middel van registervergelijking geconstateerd dat in het Centraal Register Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen voor het motorrijtuig, zijnde een personenauto, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] geen geldige verzekering als bedoeld in artikel 30 Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen stond geregistreerd.

De constatering met betrekking tot het kenteken [AA-00-BB] maakt deel uit van het gegevensbestand met batchnummer [001].

Uit opgave uit het kentekenregister bleek dat op 7 januari 2004 het kenteken op die datum was opgegeven aan:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1963.

2. Het proces-verbaal van de Dienst Wegverkeer (RDW), d.d. 14 april 2004, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant 2], ambtenaar in dienst van de RDW, Voertuiginformatie en -toelating, unit Handhaving te Veendam. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze opsporingsambtenaar:

Door middel van registervergelijking is mij gebleken dat voor de motorrijtuigen met de kentekens opgenomen in de batch met batchnummer [001], op 07-01-2004 (controledatum) geen geldige verzekering in het verzekeringsregister (Centraal Register WAM, CRWAM) stond geregistreerd.

Het dagbestand behorende bij de batch met het batchnummer [001] met daarin opgenomen de kentekens en bijbehorende kentekenhouders waarbij geen "verklaring ingevolge artikel 34 van de WAM" is overgelegd heb ik op 13-04-2004 gezonden aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau te Leeuwarden."

5.4. Uit de bewijsmiddelen volgt inderdaad niet dat het bewezenverklaarde is begaan in Rotterdam. Dit hoeft evenwel niet tot cassatie te leiden wegens het volgende. Subsidiair is tenlastegelegd dat het onverzekerd zijn is begaan "in Nederland" hetgeen veel beter past bij de verweten gedraging. Kentekenhouders kunnen in heel Nederland een verzekering afsluiten en zijn niet gebonden om dit te doen in bijvoorbeeld hun woonplaats. Voor de duidelijkheid wijs ik erop dat niet is tenlastegelegd dat verdachte met een onverzekerde auto heeft gereden, want daarbij past uiteraard wel dat het feit is begaan op specifiek te noemen locaties. Hierin verschilt de onderhavige zaak ook van bijvoorbeeld HR 4 januari 2011, LJN BO1636 waarin het de verdachte werd verweten te hebben gereden op het Raadhuisplein te Reuver zonder te beschikken over een rijbewijs, terwijl de bewijsmiddelen deze pleegplaats niet inhielden. De Hoge Raad casseerde op deze grond. In de onderhavige zaak is, anders dan in de zaak die leidde tot voornoemd arrest, de verweten gedraging ook voldoende bepaald als er geen specifieke plaatsaanduiding is genoemd. Ik meen dan ook dat het er voor gehouden kan worden dat het Hof als gevolg van een kennelijke misslag in de bewezenverklaring de woorden "te Rotterdam" heeft opgenomen. De Hoge Raad kan de bewezenverklaring met herstel van deze misslag lezen, in die zin dat deze inhoudt dat het bewezenverklaarde "in Nederland" is begaan.(8) Dat brengt mee dat het middel feitelijke grondslag mist, zodat het niet tot cassatie kan leiden.

6. Het eerste middel slaagt voor zover dit ziet op de verjaring. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Kantonrechter in de Rechtbank te Rotterdam is vernietigd en tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van verdachte.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 En via BETIP in het opsporingsregister. Zie de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse vóór HR 16 februari 2010, LJN BK6357, NJ 2010/232, m.nt. Borgers, waarin in voetnoot 2 wordt verwezen naar Kamerstukken II 1999-2000, Aanhangsel 2432 (antwoord van de Minister op vragen van het Kamerlid Van Oven).

2 Vgl. HR 16 februari 2010, LJN BK6357, NJ 2010/232, m.nt. Borgers, rov. 2.3 en HR 6 juli 2010, LJN BK6346, NJ 2010/583 m.nt. Y.Buruma, rov. 2.4.

3 Vgl. HR 31 oktober 1967, LJN AB6540, NJ 1968/85.

4 Tot 1 januari 2006 stelde art. 72 Sr de eis dat de daad van vervolging de vervolgde bekend of hem betekend is. Die eis zegt denk ik iets over het karakter van een daad van vervolging: het gaat om daden die de positie van de verdachte in het strafproces direct raken en waarvan hij dan ook niet onkundig kan of mag worden gehouden. Na 1 januari 2006 kent art. 72 Sr dit vereiste niet meer. Dat heeft in het begrip 'daad van vervolging' echter geen verandering gebracht. Zie TK 28 495, nr. 3. p. 7, nr. 5, p. 4 (Advies Raad van State) en nr. 7. p. 9 (Gewijzigde MvT).

5 Vgl. ook HR 26 september 2006, LJN AX9407; Voorts kan genoemd worden Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 augustus 2010, LJN BN4056, waarin het Hof overigens wel in het midden laat of het controleren van het GBA een daad van vervolging is.

6 Het maakt daarbij mijns inziens niet uit dat het oude art. 72 Sr van toepassing was, dat zoals opgemerkt tot 1 januari 2006 de eis stelde dat de daad van vervolging de vervolgde bekend of hem betekend is. De Hoge Raad overweegt dat er geen daad van vervolging was verricht, niet dat er geen "geldige" daad van vervolging was verricht.

7 Vgl. HR 13 juli 2010, LJN BM3638, NJ 2010/458.

8 Vgl. HR 8 september 2009, LJN BI5675 waarin de Hoge Raad in een vergelijkbare zaak de op zichzelf terechte klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kon volgen dat het bewezenverklaarde onverzekerd zijn in de plaats Grave was gepleegd met art. 81 RO heeft afgedaan.