Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ1707

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
10/02487
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ1707
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Familierecht. Vordering tot verdeling na beëindiging affectieve relatie. Is tussen partijen een gemeenschap ontstaan?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/850
EB 2011/73
JWB 2011/372
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. 10/02487

Mr M.H. Wissink

Zitting: 8 april 2011 (bij vervroeging)

conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en samengewoond. Voor de relevante feiten verwijs ik naar rov. 2 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 mei 2008, waarvan ook het hof is uitgegaan, en naar rov. 4.1 van het arrest.

2. De vrouw heeft een verklaring voor recht gevorderd dat partijen dienen te verdelen de gemeenschappelijke aanspraken, zaken en rechten, waarbij aan haar zal toekomen hetgeen het hof nader in rov. 4.2 heeft omschreven.

3. Het hof heeft, evenals de rechtbank, de vordering afgewezen. Het hof heeft in rov. 4.4, in cassatie onbestreden, overwogen dat voor toewijzing van de vordering van de vrouw vereist is dat hetzij van rechtswege hetzij op basis van een overeenkomst een gemeenschap (in de zin van art. 3:166 BW; A-G) met betrekking tot de goederen bestaat. Daartoe heeft de vrouw naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld (rov. 4.6 t/m 4.9). Omdat de vrouw onvoldoende heeft gesteld, heeft het hof haar bewijsaanbod gepasseerd (rov. 4.10).

4. De vrouw heeft tijdig, bij dagvaarding van 20 januari 2010, cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof Amsterdam van 20 oktober 2009. De man heeft zich verweerd en zijn standpunt schriftelijk toegelicht. Alleen het procesdossier van de man is overgelegd.

5. Het middel richt zich blijkens onderdeel 1, dat geen klacht bevat, tegen de rov. 4.6 t/m 4.11. Het middel laat zich bespreken aan de hand van de twee klachten in onderdeel 6.

6. Volgens de eerste klacht heeft het hof niet onderkend dat uit het totaal of samenstel van (rechts-)handelingen - als bedoeld in de onderdelen 2 t/m 5; A-G - zodanige samenlevingsvormen ontstaan die tot financiële vaststelling en/of afwikkeling nopen indien de samenleving feitelijk wordt beëindigd. Ook niet-huwelijkse samenlevingsvormen dienen immers voor wat betreft vermogensrechtelijke (rechts-) handelingen op dezelfde wijze te worden beoordeeld als wel-huwelijkse relaties, aldus het middel.

7. Nu rov. 4.4 onbestreden is gebleven, is de enige vraag of sprake is van een gemeenschap. Voor zover het middel een andere vraag aan de orde wil stellen, faalt het. Volgens het hof is onvoldoende gesteld om een gemeenschap aan te nemen. Dat volgens de onderdelen 2 en 3 tussen partijen verrekeningsvorderingen en/of geldelijke betrekkingen bestaan dan wel volgens de onderdelen 4 en 5 de man rekening en verantwoording moet afleggen - wat daarvan ook zij - is onvoldoende om aan te nemen dat het oordeel van het hof omtrent de stellingen van de vrouw rechtens onjuist of onvoldoende gemotiveerd zou zijn. Uit het een en ander volgt immers niet (dwingend) dat sprake is van een gemeenschap. Het middel verzuimt overigens aan te geven dat, en zo ja waar, stellingen met een strekking als bedoeld in de onderdelen 2 t/m 5 in de feitelijke instanties zijn aangevoerd en voldoet daarom in zoverre niet aan de daaraan te stellen eisen (het noemt slechts sub 5 ter ondersteuning van de stelling dat de vrouw niets bezat een vindplaats in de MvA nr. 13).

8. Volgens de tweede klacht had het hof het bewijsaanbod niet mogen passeren. Deze klacht faalt, omdat het hof kon oordelen dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld om tot het bewijs van haar stellingen te kunnen worden toegelaten.

9. Het beroep kan met toepassing van art. 81 RO worden verworpen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G