Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BQ0528

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-07-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
10/00005
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BQ0528
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Eigen Recht LBIO o.g.v. art. 1:401 BW tot inning onderhoudsbijdragen met opslagkosten na wijzigen van beschikking? De wijziging van de kinderalimentatie bij latere beschikking met ingang van een datum die ligt vóór die van die uitspraak, brengt met zich dat de eerdere uitspraak, waarin de met de latere beschikking gewijzigde kinderalimentatie is vastgesteld, in zoverre haar rechtskracht heeft verloren en mitsdien vanaf die datum niet meer rechtsgeldig ten uitvoer kan worden gelegd ter invordering van de uit dien hoofde verschuldigde kinderalimentatie en invorderingskosten. Dit brengt mee dat de eerdere beschikking tevens haar rechtskracht heeft verloren voor de verschuldigdheid van de daarop gebaseerde kosten van opslag. Over de periode waarop de wijzigingsbeschikking betrekking heeft, dient de opslag berekend te worden op basis van de bij die wijzigingsbeschikking vastgestelde alimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011/1406
RvdW 2011/904
NJ 2011/407 met annotatie van S.F.M. Wortmann
JWB 2011/364
JPF 2011/114
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/00005

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting: 1 april 2011

CONCLUSIE inzake:

Het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO),

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

tegen:

[Verweerder],

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

Deze zaak betreft onder meer de vraag of de door het LBIO ten laste van een kinderalimentatieplichtige gelegde executoriale beslagen onrechtmatig zijn en moeten worden opgeheven. In cassatie gaat het om de vraag of het LBIO, nadat de alimentatiebeschikking op grond waarvan het de invordering heeft overgenomen met terugwerkende kracht is gewijzigd, bevoegd is uit kracht van de grosse van de oorspronkelijke beschikking executoriaal beslag te doen leggen tot verhaal van met de invordering verband houdende invorderings- en executiekosten als bedoeld in art. 1:408 lid 3 BW.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan(1).

a. Verweerder in cassatie (hierna: de man) is gehuwd geweest met [betrokkene 1] (hierna: de vrouw). Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren.

b. Bij beschikking van 15 augustus 2001 van de rechtbank Zwolle, ingeschreven op 3 oktober 2001, is tussen de man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken en onder meer bepaald dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van kracht is een bedrag van ƒ 400,00 (€ 181,51) per kind per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding.

c. Op 1 november 2002 heeft de vrouw eiser tot cassatie (hierna: het LBIO) verzocht om de inning van de kinderalimentatie over te nemen omdat zij de bijdrage voor de maand oktober 2002 niet van de man had ontvangen; daartoe heeft zij de grosse van de beschikking van 15 augustus 2001 aan het LBIO ter hand gesteld. Het LBIO heeft de man bij brief van 13 januari 2003 in de gelegenheid gesteld om de overname van de inning door het LBIO te voorkomen. Nadat de man het LBIO had meegedeeld dat hij onvoldoende inkomsten had om te betalen, heeft het LBIO de inning op 8 mei 2003 overgenomen.

d. Tot de huwelijksgemeenschap van de man en de vrouw behoorde een onroerende zaak met een aanzienlijke overwaarde. Ten tijde van de echtscheiding zijn de man en de vrouw overeengekomen dat deze zaak aan de vrouw wordt toegescheiden, met de verplichting op haar om de man de helft van de overwaarde van de zaak uit te keren. De man en de vrouw hebben overleg gevoerd over de nadere vaststelling van de kinderbijdrage, met de bedoeling om de achterstallige kinderbijdrage zoals deze verschuldigd zou zijn volgens de nader te maken afspraken, te verrekenen met hetgeen de man van de vrouw had te vorderen in verband met de toescheiding van de onroerende zaak aan haar. Dit overleg heeft niet tot overeenstemming geleid.

e. De man heeft daarom op 17 februari 2005 een verzoekschrift tot het wijzigen van de kinderbijdragen ingediend.

f. Bij beschikking van 7 oktober 2005 van de rechtbank Zwolle zijn de bijdragen voor de kinderen gewijzigd, zodanig dat deze met ingang van 1 januari 2002 op € 54, met ingang van 1 januari 2003 op € 89, met ingang van 1 januari 2004 op € 87 en met ingang van 1 januari 2005 op € 204,42(2) per kind per maand zijn vastgesteld. Bij brief van 30 april 2006 heeft de raadsman van de man dit aan het LBIO gemeld.

g. Op 28 oktober 2005 heeft de vrouw aan het LBIO gemeld dat de achterstallige kinderbijdrage tot en met 30 november 2005 met de uitkoop van de gezamenlijke koopwoning is verrekend, met het verzoek aan het LBIO om het dossier te sluiten. Bij brief van 29 november 2005 heeft het LBIO aan de vrouw gemeld dat het daartoe eerst zal overgaan nadat de man de opslagkosten en de door de deurwaarder gemaakte kosten aan het LBIO heeft voldaan.

h. Op 25 juli 2006 heeft de deurwaarder op verzoek van het LBIO ten laste van de man een viertal executoriale derdenbeslagen onder verschillende banken gelegd. Deze beslagen hebben geen doel getroffen.

i. Op 29 september 2006 en op 2 april 2007 heeft de deurwaarder op verzoek van het LBIO uit kracht van de grosse van de beschikking van 15 augustus 2001 ten laste van de man executoriaal beslag gelegd op de onverdeelde helft van het woonhuis van de man te [plaats] respectievelijk executoriaal loonbeslag gelegd onder de werkgeefster van de man.(3) Het LBIO maakt jegens de man aanspraak op betaling van de opslagkosten vanaf oktober 2002 tot en met oktober 2005 ad € 1.380,19 in hoofdsom, becijferd op basis van de kinderbijdrage zoals deze bij beschikking van 15 augustus 2001 is vastgesteld(4), en op executiekosten ad € 1.130,10, derhalve in totaal € 2.510,29(5).

j. De man heeft het LBIO doen dagvaarden in kort geding teneinde opheffing te verkrijgen van de executoriale beslagen onder de werkgeefster en op de woning. Na het uitbrengen van de dagvaarding zijn partijen overeengekomen dat het LBIO de executiemaatregelen opschort, mits uiterlijk op 25 juni 2007 opnieuw wordt gedagvaard om de gehele kwestie aan de orde te stellen.

1.2 Bij inleidende dagvaarding van 25 juni 2007 heeft de man gevorderd dat het LBIO wordt veroordeeld tot 1) opheffing van het executoriale loonbeslag en het executoriale beslag op de woning, op straffe van een dwangsom, 2) terugbetaling aan hem van hetgeen zijn werkgeefster krachtens het loonbeslag aan het LBIO mocht hebben uitbetaald en 3) betaling ten titel van schadevergoeding van een bedrag ad € 2.000,00 met wettelijke rente.

De man heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat het LBIO onrechtmatig jegens hem handelt door gebruik te maken van een aan [betrokkene 1] toebehorende grosse zonder dat dit nog haar instemming heeft. Zijn schade bestaat in de kosten van inschakeling van een advocaat. Het LBIO heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

1.3 Bij deelvonnis van 10 januari 2008 heeft de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Gouda (hierna: de kantonrechter) overwogen(6):

"2.6(1) De kinderbijdrage, zoals vastgesteld bij de beschikking van de rechtbank Zwolle d.d. 15 augustus 2001, is bij beschikking d.d. 7 oktober 2005 met terugwerkende kracht gewijzigd. Dit betekent dat de beschikking d.d. 15 augustus 2001 vanaf 7 oktober 2005 niet meer door [betrokkene 1] tegen [verweerder] ten uitvoer gelegd kan worden.

Aangezien het Bureau als haar gemachtigde niet meer aanspraken aan de beschikking van de rechtbank Zwolle d.d. 15 augustus 2001 kan ontlenen dan [betrokkene 1] zelf, moet worden geoordeeld dat ook het Bureau die beschikking vanaf die datum niet meer tegen [verweerder] ten uitvoer kan leggen. Tegen [verweerder] had het Bureau vanaf dat moment nog slechts invorderingsmaatregelen kunnen nemen, met het verhaal van de met inachtneming van de herziene kinderbijdrage vast te stellen opslagkosten op [verweerder], voor zover [betrokkene 1] haar daar om had verzocht door haar in handen te stellen de beschikking van de rechtbank Zwolle d.d. 7 oktober 2005. Dat verzoek heeft [betrokkene 1] echter niet aan het Bureau gedaan.

2.6(2) Aangezien het Bureau de beschikking d.d. 15 augustus 2001 vanaf 7 oktober 2005 niet meer ten uitvoer kan leggen, kan het Bureau de op die beschikking gebaseerde opslagkosten dus niet op [verweerder] verhalen en is de tenuitvoerlegging van die beschikking, zoals deze na 7 oktober 2005 heeft plaatsgevonden, onrechtmatig jegens [verweerder]. De door het Bureau gelegde beslagen dienen daarom te worden opgeheven. Hetgeen de werkgeefster van [verweerder] krachtens het onder haar gelegde loonbeslag aan het Bureau heeft voldaan, dient door het Bureau aan [verweerder] te worden terugbetaald. De executiekosten die het Bureau maakte, dienen voor haar rekening te blijven."

De kantonrechter heeft het LBIO, uitvoerbaar bij voorraad, op straffe van verbeurte van een dwangsom gelast de executoriale beslagen op de woning en onder de werkgeefster van de man op te heffen en het eventueel door de werkgeefster aan het Bureau uitbetaalde aan de man te vergoeden. Voorts is de zaak, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, verwezen naar de rolzitting voor het nemen van een akte ter specificatie van de door de man gestelde advocaatkosten.

1.4 Nadat de man zijn eis had verminderd, heeft de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis van 3 april 2008 het LBIO veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag ad € 705,12 te vermeerderen met wettelijke rente.

1.5 Op het hoger beroep van het LBIO tegen beide voornoemde vonnissen heeft het gerechtshof 's-Gravenhage bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest van 15 september 2009 de bestreden vonnissen bekrachtigd.

1.6 Het LBIO is van dit arrest tijdig(7) in cassatie gekomen. De man is in cassatie niet verschenen; tegen hem is verstek verleend. Het LBIO heeft zijn standpunt schriftelijk doen toelichten.

2. Inleiding

2.1 De invorderingsprocedure bij het LBIO ter zake van kinderalimentatie houdt in grote lijnen het volgende in.(8)

2.2 Op grond van art. 1:408 lid 2 BW kan (onder meer) een verzorgende ouder het LBIO verzoeken de invordering van kinderalimentatie op zich te nemen. Daartoe dient de ouder in het verzoek aannemelijk maken dat de alimentatieplichtige binnen ten hoogste zes maanden voorafgaande aan de indiening van het verzoek ten minste één periodieke betaling niet heeft voldaan. De invordering betreft mede de bedragen die verschuldigd zijn vanaf ten hoogste zes maanden voorafgaand aan het verzoek (lid 4).

Het LBIO brengt voor de invordering kosten in rekening bij de onderhoudsplichtige. Het gaat hier om kosten van inning die het LBIO zelf maakt.(9) Volgens art. 1:408 lid 3 BW vindt het verhaal van die kosten plaats door wijziging van het alimentatiebedrag volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels. In de praktijk betekent dit dat het LBIO de alimentatieplichtige maandelijks een acceptgiro stuurt ter zake van het periodieke alimentatiebedrag, verhoogd met een opslag. Deze bedroeg ten tijde van het onderhavige geschil 10% van het in de alimentatiebeschikking vastgelegde maandelijkse alimentatiebedrag, met een minimum van € 11,34 (f 25,-) per maand.(10)

Invordering met verhaal van kosten kan pas plaatsvinden nadat de onderhoudsplichtige daarover schriftelijk - met bericht van ontvangst - en gemotiveerd is geïnformeerd. In de brief wordt het in te vorderen bedrag inclusief de kosten van invordering vermeld (lid 5) en wordt de alimentatieplichtige in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat hij de achterstand (alsnog) heeft betaald. Blijkens het in de onderhavige procedure overgelegde Informatieblad bij de brief zal het LBIO, indien de alimentatieplichtige een kopie heeft overgelegd van een verzoek tot wijziging van de alimentatie, de ontvangstgerechtigde ouder benaderen met de vraag de inschakeling van het LBIO tijdelijk op te schorten.(11) Indien de brief leidt tot hervatting van de betaling is verdere interventie door het LBIO niet nodig en is de alimentatieplichtige geen invorderingskosten verschuldigd aan het LBIO.

Als na tussenkomst van het LBIO de betaling achterwege blijft, wordt de inning overgenomen. Op de veertiende dag na de verzending van de brief wordt het LBIO bevoegd tot invordering over te gaan (lid 5). De onderhoudsgerechtigde dient daartoe de executoriale titel in handen te hebben gesteld van het LBIO. De overhandiging daarvan machtigt het LBIO tot het doen van de invordering, zo nodig door middel van executie (lid 2)(12). Hierbij kan worden gedacht aan vereenvoudigd (loon)beslag (art. 479g Rv), beslag via een deurwaarder of gijzeling. De kosten van gerechtelijke vervolging en executie worden eveneens op de alimentatieplichtige verhaald (art. 1:408 lid 3 BW en art. 1 Besluit kostenopslag inning kinderalimentatie).

Ter zake van door de onderhoudsplichtige verrichte betalingen bevat de regeling een aan art. 6:44 lid 1 BW ontleende imputatiebetaling, waarmee beoogd wordt zeker te stellen dat op het geïnde bedrag altijd de kostenopslag in mindering kan worden gebracht(13): een betaling strekt in mindering op achtereenvolgens de in lid 3 bedoelde kosten, de verschenen rente en tenslotte de verschuldigde alimentatie en eventueel lopende rente (lid 10). Indien de onderhoudsplichtige de opslag niet betaalt - hetgeen leidt tot een achterstand in de betaling van de alimentatie ter grootte van de opslag - is het LBIO aan zijn taakuitoefening verplicht ook die achterstand te innen, zonodig met behulp van executiemaatregelen.(14)

De invordering op het verzoek van de onderhoudsgerechtigde eindigt slechts, indien gedurende ten minste een half jaar regelmatig is betaald aan het LBIO en er geen achterstallige bedragen meer verschuldigd zijn. Achtergrond hiervan is het waarborgen van de bufferfunctie van het LBIO en het voorkomen dat de verplichte de gerechtigde onder druk zet om een verzoek tot beëindiging te doen.(15)

2.3 De opslag heeft drie functies. In de eerste plaats strekt hij ter dekking van kosten. Er is niet voor gekozen om af te stemmen op de werkelijke inningskosten, al is aanvankelijk wel beoogd de opslag zoveel mogelijk kostendekkend te doen zijn. Daarnaast dient de opslag als boete op niet-nakoming van de onderhoudsverplichting en tevens als impuls om weer tot rechtstreekse betaling aan de onderhoudsgerechtigde over te gaan.(16)

3. Beoordeling van het cassatieberoep

3.1 Het cassatiemiddel komt in vijf onderdelen op tegen rov. 4, 5 en 6 en tegen de daarop voortbouwende rov. 7 en 8. Het hof heeft in die rechtsoverwegingen als volgt overwogen.

"4. Met de grieven legt LBIO het geschil in volle omvang voor. Het gaat daarbij om twee vragen en wel

a. of LBIO op grond van artikel 1:408 BW een eigen recht heeft om aan haar verzochte inning van onderhoudsbijdragen, verhoogd met de aanvankelijk door haar becijferde opslagkosten, voort te zetten en

b. of zij gerechtigd is opslagkosten en executiekosten bij [verweerder] te incasseren.

Ter onderbouwing heeft LBIO met een uitvoerige verwijzing naar de wetsgeschiedenis betoogd, dat vanaf het moment dat zij door de alimentatiegerechtigde wordt ingeschakeld een eigen recht krijgt op incassering van de alimentatie en de daarover door haar in rekening gebrachte opslagkosten. Zij stelt niet gehouden te zijn deze kosten te herberekenen indien de rechter later besluit tot verlaging van de alimentatie over de inmiddels verstreken periode, waarover de opslagkosten waren berekend.

5. De door LBIO aangevoerde stellingen overtuigen het hof niet. De rechtbank heeft terecht overwogen (rechtsoverweging 2.5 - bedoeld zal zijn: 2.6(1), A-G - van het vonnis van 10 januari 2008), dat LBIO na wijziging van de oorspronkelijke beschikking waarbij ten laste van [verweerder] en ten behoeve van [betrokkene 1] een hoger bedrag voor kinderalimentatie was opgelegd, niet méér aanspraken kan ontlenen aan die beschikking dan [betrokkene 1] zelf. Het hof neemt die overweging over en voegt daaraan het volgende toe. Weliswaar heeft LBIO een bijzondere positie wat de invordering betreft nu daarvoor een unieke wettelijke regeling is gegeven in artikel 1:408 BW, maar dat neemt niet weg, dat ook zij rekening te houden heeft met rechterlijke beslissingen, die nadien worden gewezen. Ook in haar eigen visie zijn de opslagkosten bedoeld ter dekking van kosten, die met de incassering gemoeid zijn en deze hebben alleen al op grond daarvan een zodanige samenhang met de hoofdsom, dat er geen goede gronden zijn om de kosten tot het oorspronkelijke niveau te handhaven indien de alimentatieverplichting overeenkomstig het systeem van de wet (artikel 1:401 BW) nadien wordt gewijzigd. Uit de door LBIO genoemde wetsgeschiedenis is niet het tegendeel af te leiden.

6. Het vorenstaande brengt mee, dat het derhalve LBIO niet langer vrijstond de beschikking van 15 augustus 2001 ten uitvoer te leggen. Het hof verenigt zich ook met de rechtsoverwegingen (rechtsoverweging 2.6 - bedoeld zal zijn: 2.6(2), A-G - van het vonnis van 10 januari 2008) van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen, dat LBIO tot terugbetaling gehouden is. Aan de beslissing dat het verder executeren onrechtmatig was voegt het hof nog toe, dat bovendien de door LBIO genomen executiemaatregelen ook anderszins terecht worden bestreden met de stelling dat de genomen maatregelen niet in een redelijke verhouding staan met de aard en omvang van de vordering.

7. Nu het beslag door de rechtbank als onrechtmatig wordt geduid en het hof die vaststelling volgt, is LBIO gehouden de daarmee gemoeide kosten, zoals vastgesteld en toegewezen bij eindvonnis te betalen. LBIO heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank nadat [verweerder] de kosten had gespecificeerd en beperkt. De rechtbank heeft de vordering in zoverre eveneens terecht toegewezen.

8. Het bovenstaande brengt mee dat de bestreden vonnissen worden bekrachtigd. LBIO is als in het ongelijk gestelde partij aan te merken en zal worden veroordeeld in de kosten, op het hoger beroep gevallen."

3.2 Onderdeel 1 klaagt dat het hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de grieven van het LBIO indien het heeft geoordeeld dat het LBIO geen oordeel wenst over de vraag of het de opslagkosten kan vorderen na herberekening daarvan op basis van de wijzigingsbeschikking van 7 oktober 2005. Volgens het onderdeel heeft het LBIO uitdrukkelijk als subsidiair standpunt ingenomen dat het in ieder geval tot een (naar beneden toe) bijgesteld bedrag aan opslagkosten gerechtigd is en dat het tot inning daarvan bevoegd was op grond van de beschikking van 15 augustus 2001 (verwezen wordt naar MvG onder 29 en 37). Indien het hof een andere (beperktere) uitleg aan de grieven van het LBIO heeft gegeven, is die uitleg onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.

3.3 Het onderdeel, dat kennelijk gericht is tegen 's hofs vaststelling van de ter beantwoording voorliggende vragen in rov. 4, faalt bij gebrek aan belang. Het hof heeft, in navolging van de rechtbank, geoordeeld dat het het LBIO na 7 oktober 2005 niet langer vrijstond de beschikking van 15 augustus 2001 ten uitvoer te leggen (rov. 6). In deze - in cassatie niet althans tevergeefs bestreden(17) - visie van het hof wordt daarmee aan de vraag naar de hoogte van de op grond van die beschikking te incasseren opslag niet toegekomen. Voorts heeft het hof, gelet op de voorlaatste zin van rov. 5 van het arrest, de mogelijke verschuldigdheid van een naar aanleiding van de wijzigingsbeschikking aangepaste kostenopslag niet uitgesloten, zodat de in het onderdeel bedoelde vraag is beantwoord en het onderdeel in zoverre feitelijke grondslag mist.

3.4 Onderdeel 2 bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat het LBIO na de wijzigingsbeschikking van de rechtbank van 7 oktober 2005 geen (eigen) bevoegdheid meer heeft om de onderhoudsbijdragen (en opslagkosten en executiekosten) te verhalen op de man, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe voert het onderdeel - samengevat - aan dat de bijzondere regeling van art. 1:408 BW meebrengt dat het LBIO als gevolg van het overnemen van de invordering - dat (mede) geschiedt door het in handen stellen van de executoriale titel - met uitsluiting van de onderhoudsgerechtigde bevoegd (en verplicht) is om in eigen naam de onderhoudsbijdragen te gaan innen (het onderdeel spreekt van een eigen recht op invordering(18)) en door die inning ter hand te nemen bovendien zelfstandige aanspraken verkrijgt ter zake van opslag- en eventuele executiekosten.

3.5 Het onderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan het onderdeel veronderstelt, heeft het hof niet in algemene zin geoordeeld dat het LBIO na de wijzigingsbeschikking van 7 oktober 2005 geen (eigen) invorderingsbevoegdheid ter zake van alimentatie, kostenopslag en executiekosten op de voet van art. 1:408 leden 2 en 3 BW meer heeft. Uit de voorlaatste zin van rov. 5 valt veeleer af te leiden dat het hof ervan uitgaat dat het LBIO die invorderingsbevoegdheid na 7 oktober 2005 heeft behouden, maar dat het deze vanaf die datum indien nodig had moeten effectueren door tenuitvoerlegging van de wijzigingsbeschikking. Het hof heeft (slechts) geoordeeld dat na het geven van de wijzigingsbeschikking de oorspronkelijke beschikking van 15 augustus 2001 niet meer kon worden tenuitvoergelegd.

3.6 Onderdeel 3 richt zich tegen het oordeel van het hof dat het LBIO na de wijzigingsbeschikking nog slechts invorderingsmaatregelen kon nemen tot verhaal van de (met inachtneming van die wijzigingsbeschikking) gecorrigeerde opslagkosten en klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting van art. 1:408 lid 3 BW en het daarin bedoelde besluit. Daartoe wordt aangevoerd dat (er eerder in de procedure op is gewezen dat) het achteraf aanpassen van de hoogte van de kostenopslag aan een door de alimentatieplichtige uitgelokte wijzigingsbeslissing tot onwerkbare situaties zal leiden, nu het LBIO de kostenopslag dan niet meer (geheel) kan aanwenden ter financiering van de organisatie omdat steeds met een terugbetalingsverplichting moet worden rekening gehouden (verwezen wordt naar MvG onder 30 en 31).

3.7 Zo deze rechtsklacht al voldoet aan de door art. 407 lid 2 Rv gestelde eisen(19), faalt zij bij gebrek aan belang. 's Hofs oordeel dat de beslaglegging uit kracht van de beschikking van 15 augustus 2001 onrechtmatig is en zijn bekrachtiging van de beslissingen van de rechtbank berusten, als gezegd, op het oordeel dat de beschikking van 15 augustus 2001 na het geven van de wijzigingsbeschikking niet meer kon worden tenuitvoergelegd. De gegrondbevinding van de klacht zou niet tot een ander dictum kunnen leiden.

3.8 Ten overvloede merk ik op dat de klacht naar mijn mening ook anderszins geen doel kan treffen. Daartoe dient in de eerste plaats dat zowel uit de regeling van art. 1:408 BW en de daarin bedoelde algemene maatregel van bestuur als uit de totstandkomingsgeschiedenis ervan blijkt van een onmiskenbare afhankelijkheid van de kostenopslag ten opzichte van de in te vorderen onderhoudsbijdrage. Zo is bepaald dat de invorderingskosten worden verhaald door wijziging c.q. procentuele verhoging van het door de rechter vastgestelde alimentatiebedrag (art. 1:408 lid 3 resp. art. 1 Besluit kostenopslag inning kinderalimentatie). In de toelichtende stukken wordt een en andermaal benadrukt dat - mede gelet op de aansporingsfunctie van de kostenopslag - bewust beoogd is de hoogte van de opslag te doen 'meelopen' met het vastgestelde alimentatiebedrag.(20) De Staatssecretaris heeft bij de behandeling van wetsvoorstel 23 038 onderkend dat zulks, indien de vastgestelde alimentatie met terugwerkende kracht wordt verlaagd, kan leiden tot verrekening van teveel geïnde invorderingskosten.(21) Ook in de praktijk wordt in dergelijke gevallen de kostenopslag niet steeds verhaald.(22)

Naar aanleiding van het betoog in de schriftelijke toelichting dat - samengevat - de kostenopslag van wezenlijk belang is voor het functioneren van het LBIO kan nog worden aangetekend dat enerzijds een consequente toepassing van evenbedoeld verband meebrengt dat het LBIO ook zal profiteren van wijzigingsbeschikkingen waarbij het alimentatiebedrag wordt verhoogd, en anderzijds - naar in de schriftelijke toelichting(23) wordt opgemerkt - het LBIO in afwachting van een wijzigingsbeschikking de invordering kan opschorten. Voorts wordt het LBIO als publiekrechtelijke rechtspersoon geacht een publieke taak te vervullen daar waar ouders er onderling niet meer uitkomen, ter financiering waarvan naast de kostenopslag ook een bijdrage van overheidswege wordt aangewend.(24) De overheid heeft inmiddels onderkend dat de verwachte situatie van volledige kostendekkendheid van de opslagen niet is gerealiseerd en ook in de toekomst niet haalbaar zal zijn, in verband waarmee de aanvankelijk in art. 15 lid 3 Wet LBIO voorziene termijnstelling voor subsidieverlening bij wet van 27 september 2007 is geschrapt.(25)

Ten slotte is van belang dat het recht op levensonderhoud naar zijn aard veranderlijk is, welk veranderlijkheidsbeginsel tal van vermogens- en procesrechtelijke gevolgen met zich brengt.(26) De door het LBIO gesignaleerde gevolgen behoren daar ook toe. De enkele onwenselijkheid van die gevolgen brengt echter niet mee dat de beslissing dat na een wijzigingsbeschikking alleen de gecorrigeerde opslag kan worden ingevorderd onjuist is. Anders geformuleerd: art. 1:408 lid 3 BW kan niet geacht worden een uitzondering op het veranderlijkheidsbeginsel te bevatten op grond dat het LBIO anders met een onwerkbare situatie zou worden geconfronteerd.

3.9 Onderdeel 4 klaagt dat met de strekking en systematiek van de invoeringsregeling van art. 1:408 BW onverenigbaar is (en daarmee rechtens onjuist), dat het LBIO voor het kunnen verhalen van de kosten van invordering als bedoeld in het derde lid van deze bepaling, in een geval als het onderhavige, afhankelijk zou zijn van het in handen stellen van de grosse van de wijzigingsbeschikking door de onderhoudsgerechtigde aan het LBIO. Een redelijke wetsuitleg brengt mee, aldus het onderdeel, dat in een dergelijk geval de executoriale titel op grond waarvan de inning door het LBIO destijds is overgenomen (in casu de grosse van de beschikking van 15 augustus 2001) tezamen met de regeling van art. 1:408 BW nog steeds voldoende rechtsgrond vormt voor het verhaal van (al dan niet gematigde) kosten van invordering. Volgens het onderdeel brengt de wijziging met terugwerkende kracht van de onderhoudsbijdragen weliswaar mee dat de beschikking van 15 augustus 2001 in zoverre (tussen partijen) haar bindende kracht heeft verloren, maar niet dat zij als non-existent moet worden aangemerkt.

3.10 Voor zover het onderdeel tot uitgangspunt neemt dat het hof heeft overwogen dat het LBIO voor het kunnen verhalen van de kosten van invordering als bedoeld in art. 1:408 lid 3 BW afhankelijk is van het in handen stellen van de wijzigingsbeschikking door de onderhoudsgerechtigde aan het LBIO - hetgeen het onderdeel begrijpt als de overweging dat het LBIO alleen tot inning bevoegd is voor zover de alimentatiegerechtigde (a) het LBIO heeft verzocht de invordering voort te zetten en (b) daartoe de grosse ter hand zou hebben gesteld(27) - mist het feitelijke grondslag. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt(28), heeft het hof kennelijk de betreffende overweging van de kantonrechter (rov. 2.6(1)) niet overgenomen. Gelet op zijn rov. 5 heeft het hof uit rov. 2.6(1) van het vonnis van de kantonrechter uitsluitend de overweging overgenomen dat het LBIO na wijziging van de oorspronkelijke beschikking niet méér aanspraken kan ontlenen aan die beschikking dan de vrouw zelf - ofwel: deze evenmin als de vrouw nog ten uitvoer kan leggen - en daaraan enige eigen overwegingen toegevoegd. Zoals hiervoor (onder 3.5) betoogd, vallen deze veeleer aldus te begrijpen dat het hof ervan uitgaat dat het LBIO na een wijzigingsbeschikking zijn invorderingsbevoegdheid behoudt, zij het dat deze alleen kan worden geëffectueerd aan de hand van de dan geldende executoriale titel.

3.11 Voor zover het onderdeel geacht moet worden te zijn gericht tegen het oordeel van het hof dat het LBIO na het geven van de wijzigingsbeschikking niet langer de beschikking van 15 augustus 2001 ten uitvoer kon leggen, faalt het eveneens. Ten betoge dat het LBIO de verschuldigde kostenopslag kan verhalen door executie uit kracht van de oorspronkelijke beschikking van 15 augustus 2001, beroept het onderdeel zich op de 'strekking en systematiek' van de invorderingsregeling van art. 1:408 BW. Daarmee verwijst het middel kennelijk naar hetgeen in het kader van onderdeel 2 is opgemerkt omtrent de kenmerken van deze regeling - m.n. het eigen recht tot invordering van alimentatie, de beëindigingsregeling, de zelfstandige aanspraak op een kostenopslag en executiekosten en de voorrangsregeling - en de rechtspraak van Uw Raad(29) waaruit een eigen, ruime invorderingsbevoegdheid van het LBIO zou kunnen worden afgeleid.

Naar mijn mening dwingt deze regeling van de invorderingsbevoegdheid van het LBIO ter zake van de onderhoudsbijdrage, de kostenopslag en eventuele executiekosten echter niet tot de gevolgtrekking dat die bevoegdheid althans ten aanzien van de kostenopslag - en de executiekosten, zie onderdeel 5 - door middel van beslaglegging op grond van een inmiddels niet meer van kracht zijnde alimentatiebeschikking kan worden gerealiseerd. Bovendien ontstaat in de door het middel voorgestane uitleg van art. 1:408 BW met betrekking tot executie een tweesporenbevoegdheid die uit zowel theoretisch als praktisch oogpunt ongewenst is. Dat wordt duidelijk indien wordt geabstraheerd van het onderhavige geval, dat wordt gekenmerkt door de bijzondere en daardoor de problematiek versluierende omstandigheden dat (i) het LBIO heeft ingestemd met verrekening, zodat geen alimentatie meer behoeft te worden verhaald en (ii) de kostenopslag uitsluitend betrekking heeft op een periode (oktober 2002-oktober 2005) waarin de beschikking van 15 augustus 2001 nog van kracht was. In dit geval lijkt executie uit kracht van de oorspronkelijke beschikking voor onder die beschikking verschuldigd geworden (gecorrigeerde) opslagen wellicht nog te billijken. Indien zich echter het meer in de lijn der verwachting liggende geval voordoet dat na het geven van een wijzigingsbeschikking op enig moment verhaal wordt gezocht voor zowel onbetaald gebleven alimentatie als de daarbij behorende kostenopslag en eventuele executiekosten, zou het LBIO in de visie van het onderdeel voor de laatste posten kunnen executeren uit kracht van de oorspronkelijke beschikking, terwijl het voor executie van de onderhoudstermijnen alsnog zou dienen te beschikken over de grosse van de wijzigingsbeschikking. Dat is niet alleen onpraktisch, maar ook in strijd met het wettelijk uitgangspunt dat de opslag een onderdeel van de alimentatie uitmaakt althans daarmee een sterke verbondenheid vertoont.

3.12 Onderdeel 5 richt in de eerste plaats kennelijk een rechtsklacht tegen het oordeel van het hof dat de executiekosten voor rekening van het LBIO dienen te blijven (rov. 6 van het hof i.v.m. rov. 2.6(2) van de kantonrechter). Betoogd wordt dat het loonbeslag niet onrechtmatig was, zodat ook de executiekosten aan het LBIO dienen te worden vergoed. Voorts wordt betoogd dat hetgeen in onderdeel 4 met betrekking tot de kostenopslag is aangevoerd, te weten dat de grosse van de beschikking op basis waarvan de invordering destijds ter hand is genomen tezamen met de regeling van art. 1:408 BW een voldoende rechtsgrond vormt voor het verhaal ervan, mutatis mutandis ook voor de executiekosten geldt.

Waar deze klacht voortbouwt op de voorgaande onderdelen, in het bijzonder onderdeel 4, deelt zij in het lot van die onderdelen: zij faalt.

3.13 Het onderdeel klaagt in de tweede plaats dat, indien het hof geoordeeld heeft dat de omstandigheid dat de executiemaatregelen uitsluitend tot verhaal van opslagkosten zijn gemaakt, meebrengt dat de executie niet in een redelijke verhouding staat met de aard en omvang van de vordering, dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel zou voorts onbegrijpelijk zijn nu de executiekosten niet enkel zijn gemaakt ter inning van de opslagkosten. Het onderdeel besluit met de (derde) klacht dat indien het hof om andere redenen heeft geoordeeld dat sprake is van een onevenredigheid tussen het belang bij verhaal voor kosten door het LBIO en het treffen van de executiemaatregelen, het hof dat oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd omdat het heeft verzuimd aan te geven welke omstandigheden dat dan zijn en geen inzicht heeft gegeven hoe het die omstandigheden heeft gewogen en aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd.

3.14 Deze klachten komen kennelijk op tegen de overweging van het hof (rov. 6, laatste volzin) dat het hof aan de beslissing dat het verder executeren onrechtmatig was, nog toevoegt dat bovendien de door het LBIO genomen executiemaatregelen ook anderszins terecht worden bestreden met de stelling dat de genomen maatregelen niet in een redelijke verhouding staan met de aard en omvang van de vordering. Daarmee respondeert het hof kennelijk op de subsidiair aangevoerde stelling van de man dat het LBIO misbruik van (beslag)bevoegdheid heeft gemaakt.(30)

De klachten, wat daar overigens van zij, falen bij gebrek aan belang, nu het oordeel van het hof dat de belaglegging onrechtmatig was reeds wordt gedragen door 's hofs in cassatie niet althans tevergeefs bestreden oordeel dat de beschikking van 15 augustus 2001 voor die beslaglegging geen grondslag bood.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan het arrest van het hof 's-Gravenhage van 15 september 2009 onder 1 en 3, in verbinding met rov. 2.1, onder a-j en onder l-q, van het vonnis van de kantonrechter van 10 januari 2008.

2 Dit is het oorspronkelijk geïndexeerde bedrag, zie de beschikking van 7 oktober 2005, onder Vaststaande feiten.

3 De processen-verbaal van beslaglegging (overgelegd als prod. 10 en 11 bij CvA) relateren dat het beslag is gelegd op verzoek van LBIO uit kracht van de grosse van een vonnis op 15 augustus 2001 gewezen tussen verzoekster (!) en [verweerder].

4 Zie het overzicht, overgelegd als prod. 4 bij MvG.

5 Het hof merkt het bedrag van € 2.510,29 in rov. 3 van zijn arrest aan als (alleen) beslagkosten. Dit zal op een vergissing berusten, gezien de vaststelling van de kantonrechter (rov. 2.1 onder p) en de stellingen van het LBIO (CvA p. 3-4 en pleitaantekeningen mr. Rischen nr. 16) terzake.

6 Het vonnis bevat twee overwegingen genummerd 2.6. Deze zijn door mij voorzien van de toevoeging (1) en (2).

7 De cassatiedagvaarding is op 15 december 2009 uitgebracht.

8 Zie over deze procedure ook MvT, Kamerstukken II 2007-2008, 31 575, nr. 3, p. 2-3; WODC-rapport Evaluatie regelingen inning kinderalimentatie, 2002, p. 9-11.

9 MvT, Kamerstukken II 1992-1993, 23 038, nr. 3, p. 4.

10 Art. 1 Besluit kostenopslag inning kinderalimentatie van 17 november 1993, Stb 1993, 604. Het tarief is bij Besluit van 1 november 2006, Stb. 2006, 545 verhoogd tot 15% met een minimum van € 19.

11 CvA, prod. 2.

12 Deze formulering is ontleend aan art. 434 Rv, aldus Nota van wijziging, Kamerstukken II 1992-1993, 23 038, nr. 7, p. 3.

13 MvT, Kamerstukken II 1994-1995, 23 938, nr. 3, p. 14.

14 Verslag en Nota n.a.v. verslag, Kamerstukken II 1994-1995, 23 938, nr. 5, p. 6 resp. nr. 6, p. 9.

15 MvT, Kamerstukken II 1992-1993, 23 038, nr. 3, p. 5.

16 MvT, Kamerstukken II 1992-1993, 23 038, nr 3, p. 3-4; Nota n.a.v. verslag, Kamerstukken II 1992-1993, 23 038, nr. 6, p. 5.

17 Zie hierna onder 3.11.

18 Zie over het rechtskarakter van de bevoegdheid tot inning van kinderalimentatie van de Raad voor de Kinderbescherming onder vigueur van art. 1:408 BW (oud) o.m. MvT, Kamerstukken II 1990-1991, 21 881, nr. 3, p. 14 (betaaladres); A.R. Bloembergen, NJB 1970, p. 468 (wettelijk vertegenwoordiger van het kind), en E.A.A. Luijten, noot onder 11 december 1992, LJN ZC0793, NJ 1993, 350 (vorderende instantie, zij het niet pro se). In de wetsgeschiedenis bij het sedert 1 maart 1994 geldende art. 1:408 lid 2 wordt het daarbij geïntroduceerde begrip 'machtiging' niet nader toegelicht. Volstaan wordt met de opmerking dat mogelijke onduidelijkheid wordt weggenomen over de bevoegdheid tot executie, nu de innende instantie niet in het dictum wordt vermeld. Zie Nota van wijziging, Kamerstukken II 1992-1993, 23 038, nr. 7, p. 3.

19 HR 5 november 2010, LJN BN6196, RvdW 2010, 1328.

20 Zie o.m. Nota van Toelichting bij het Besluit kostenopslag inning kinderalimentaties van 17 november 1993, Stb. 1993, 604, p. 3; MvT, Kamerstukken II 1992-1993, 23 038, nr. 3, p. 3; Nota n.a.v. verslag, Kamerstukken II 1992-1993, 23 038, nr. 6, p. 5 en 6.

21 Handelingen II 1992-1993, 77, p. 5622 en 5627.

22 WODC-rapport Evaluatie regelingen inning kinderalimentatie, 2002, p. 24 onder 'Knelpunten'.

23 S.t. onder 3.13.

24 Handelingen II 1992-1993, 77, p. 5615.

25 MvT, Kamerstukken II 2006-2007, 30 972, nr. 3, p. 1-2, bij Wet van 27 september 2007, Stb. 2007, 350.

26 Zie voor een overzicht Asser-de Boer I* 2010, nr. 1027.

27 S.t. onder 3.1.

28 Cassatiedagvaarding p. 5 onder (ii) i.v.m. (iii) en (iv).

29 Verwezen wordt naar HR 11 december 1992, LJN ZC0793, NJ 1993, 580 m.nt. EAAL, rov. 3.2 en 3.3. Deze overwegingen betreffen echter slechts de vraag of art. 408 mede van toepassing is op kinderalimentaties die zijn vastgesteld bij wijze van voorlopige voorziening. Wel wordt in rov. 3.4 onder verwijzing naar HR 12 maart 1982, LJN AG4341, NJ 1982, 287 geoordeeld dat, gelet op het toentertijd geldende art 408, de (destijds met inning belaste) Raad voor de Kinderbescherming de beschikking ook kan executeren wanneer deze niet expliciet aan haar betaalbaar is gesteld.

30 Inl. dagv., 4e blz. onder 9; MvA (abusievelijk aangeduid als MvG), 11e bladzijde, onder 'Ten aanzien van grief 5'.