Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP9872

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
10/02635
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2010:BM4595
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP9872
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Echtscheiding. Partneralimentatie; slagende klacht dat hof bij vaststelling draagkracht een door de man opgevoerde schuld niet buiten beschouwing had mogen laten op de grond dat niet is gesteld dat daarop aflossingen zijn gedaan. Vgl. HR 7 juni 1985, LJN AB9855, NJ 1985/719 en HR 11 juli 2008, LJN BD1843, NJ 2008/402.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2011/132
RvdW 2011/803
NJB 2011, 1344
RFR 2011/120
JWB 2011/321
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/02635

mr. Keus

Parket, 25 maart 2011

Conclusie inzake:

[De man]

verzoeker tot cassatie

tegen

[De vrouw] (1)

verweerster in cassatie

In deze alimentatiezaak is in het bijzonder aan de orde of de man de vaststelling door de rechtbank van de (netto)behoefte van de vrouw (en de brutering daarvan) met zijn grieven in hoger beroep heeft bestreden en of het hof de door de man opgevoerde aflossingen op een schuld buiten beschouwing heeft mogen laten.

1. Feiten(2) en procesverloop

1.1 Partijen zijn op 23 december 1991 op Aruba met elkaar gehuwd.

1.2 De man woont sinds de huwelijkssluiting onafgebroken op Curaçao, Nederlandse Antillen. De vrouw woont sedert 23 februari 2000 in België. Het (eerste) huwelijksdomicilie van partijen was gelegen op Curaçao, Nederlandse Antillen. Beide partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

1.3 De rechtbank 's-Gravenhage heeft met betrekking tot de alimentatie voor de vrouw geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt naar analogie van art. 5 lid 2 EEX en dat Nederlands recht van toepassing is naar analogie van art. 8 Verdrag inzake de wet die van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, gesloten te 's-Gravenhage op 2 oktober 1973(3).

1.4 Bij inleidend verzoekschrift van 10 oktober 2000 heeft de man de rechtbank 's-Gravenhage verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.

1.5 Voor zover in cassatie nog van belang, heeft de vrouw bij "verweerschrift echtscheiding tevens nevenverzoeken tevens verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening hangende de echtscheidingsprocedure", ingekomen ter griffie van de rechtbank op 18 december 2000, de rechtbank verzocht zowel in de echtscheidingsprocedure als bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de man met ingang van 23 februari 2000, althans met ingang van 10 oktober 2000, althans met ingang van de datum van indiening van haar verzoekschrift, aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud een bedrag van NAF. 15.000,- per maand dient te betalen.

1.6 Na verweer van de man tegen de door de vrouw gevraagde voorlopige voorziening en de schriftelijke reactie daarop van de vrouw is het verzoek van de vrouw om een voorlopige voorziening ter terechtzitting van 8 maart 2001 behandeld. Op 5 april 2001 is de mondelinge behandeling voortgezet.

1.7 Bij beschikking van 15 mei 2001 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift voorlopig een bedrag van netto ƒ 7.500,- per maand als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw zal verstrekken.

1.8 Nadat de man zich had verweerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw en zijnerzijds nog zelfstandige verzoeken had gedaan, is de zaak ter terechtzitting van 11 september 2001 behandeld, ter gelegenheid waarvan de vrouw haar verzoek om alimentatie heeft gewijzigd, in die zin dat zij heeft verzocht de uitkering tot haar levensonderhoud vast te stellen op ƒ 31.250,- per maand.

1.9 Bij beschikking van 29 januari 2002 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 24 juni 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage(4). Ten aanzien van de alimentatie heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden teneinde een deskundige te benoemen die zijn oordeel over de financiële draagkracht van de man kan geven (beschikking, p. 4).

1.10 Bij beschikking van 2 september 2002 heeft de rechtbank een onderzoek door de door haar benoemde deskundige E.M. van der Meij bevolen.

1.11 Nadat de deskundige op 28 september 2006 had gerapporteerd, is de behandeling van de zaak ter terechtzitting van 4 september 2007 voortgezet. Bij die gelegenheid heeft de vrouw haar verzoek in die zin gewijzigd dat zij de rechtbank heeft verzocht te bepalen dat de man vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot 1 augustus 2005 een uitkering tot haar levensonderhoud van € 14.180,- (ƒ 31.250,-) bruto per maand zal betalen, conform haar eerder gewijzigde verzoek, en vanaf 1 augustus 2005 een bijdrage van € 4.300,- bruto per maand.

1.12 Bij beschikking van 20 december 2007 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 24 juni 2002, de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, tot 1 augustus 2005 aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 5.500,- per maand, en vanaf 1 augustus 2005 een bedrag van € 4.300,- per maand.

1.13 Tegen de beschikking van 20 december 2007(5) heeft de man bij een op 13 maart 2008 gedateerd verzoekschrift hoger beroep ingesteld bij het hof 's-Gravenhage. Onder aanvoering van negen grieven heeft de man het hof verzocht de beschikking van de rechtbank waarvan beroep te vernietigen voor wat betreft de beslissing, voor zover in cassatie van belang, dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, 24 juni 2002, tot 1 augustus 2005 aan de vrouw tot haar levensonderhoud een bedrag van € 5.500,- per maand en vanaf 1 augustus 2005 een bedrag van € 4.300,- per maand zal uitkeren. De man heeft het hof verzocht zijn bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te bepalen op nihil, dan wel met ingang van een zodanige datum te bepalen op een zodanig bedrag, lager dan de door de rechtbank vastgestelde alimentatie, als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

1.14 De vrouw heeft de grieven gemotiveerd bestreden.

1.15 Het hof heeft de zaak op 5 juni 2009 ter terechtzitting behandeld.

1.16 Bij beschikking van 24 maart 2010 heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 20 december 2007 vernietigd voor zover deze ziet op de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw en, in zoverre opnieuw beschikkende, de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man voor de periode van 24 juni 2002 tot 26 juni 2008 bepaald op € 3.524,- bruto per maand en voor de periode vanaf 26 juni 2008 op € 2.984,- bruto per maand(6).

1.17 De man heeft van deze beschikking tijdig(7) beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarin tot verwerping van het cassatieberoep van de man geconcludeerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 De man heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dat middel omvat vijf onderdelen.

2.2 De eerste twee onderdelen van het cassatiemiddel zijn gericht tegen rov. 7:

"7. Ten aanzien van de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de vrouw voor de periode van 24 juni 2002 tot 1 augustus 2005 overweegt het hof als volgt. De desbetreffende grief van de man gaat ervan uit dat de door de rechtbank vastgestelde behoefte is gebaseerd op de door de vrouw overgelegde kostenoverzichten. Deze tweede grief berust op een verkeerde lezing van de bestreden beschikking. De rechtbank bepaalde daarin de behoefte van de vrouw op € 5.500,- bruto per maand, "zijnde het bruto equivalent van de in de beschikking voorlopige voorzieningen d.d. 15 mei 2001 bepaalde netto behoefte". De grief van de man bestrijdt deze overweging niet, zodat de grief geen doel treft. Inzake de brutering van de partneralimentatie merkt het hof nog het volgende op. Als uitkering op basis van een netto behoefte moet de alimentatie worden geacht bruto te zijn indien en voor zover de alimentatiegerechtigde hierover belasting verschuldigd is. Uit de pleitnotities ten behoeve van de terechtzitting van 11 september 2001 van de toenmalige advocaat van de vrouw blijkt dat de vrouw destijds in Nederland was ingeschreven en derhalve aldaar ook belastingplichtig was, zodat de rechtbank op juiste gronden een bruto behoefte heeft vastgesteld."

2.3 Onderdeel 1 klaagt dat onjuist en zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is dat het hof in het licht van de stellingen van de man tot het oordeel is gekomen dat de man niet de overweging van de rechtbank heeft bestreden dat het bedrag van € 5.500,- het bruto-equivalent van de nettobehoefte van de vrouw (ad ƒ 7.500,-) betreft, zoals bepaald in de beschikking voorlopige voorzieningen.

2.4 Met betrekking tot de behoefte van de vrouw heeft de rechtbank op p. 3 en 4 van haar in hoger beroep bestreden beschikking het volgende overwogen:

"Voor de periode na 1 augustus 2005 - het moment waarop de vrouw de woning van partijen in België verlaten heeft - is de door de vrouw gestelde behoefte van € 4.300,-- bruto per maand naar het oordeel van de rechtbank evident. Voor de periode tussen de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, zijnde 24 juni 2002, en 1 augustus 2005 bepaalt de rechtbank de behoefte van de vrouw op € 5.500,-- bruto per maand, zijnde het bruto equivalent van de in de beschikking voorlopige voorzieningen d.d. 15 mei 2001 bepaalde netto behoefte. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de welstand van partijen gedurende het huwelijk aanzienlijk was, hetgeen onder meer blijkt uit het forse uitgavenpatroon gedurende het huwelijk.

(...)"

2.5 Met zijn tweede grief bestreed de man dit oordeel als volgt:

"12. Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de behoefte van de vrouw vanaf de datum van de inschrijving van de inschrijvingsbeschikking tot 1 augustus 2005 € 5.500,-- bruto per maand is en vanaf 1 augustus 2005 op € 4.300,-- bruto per maand."

Ter toelichting op deze grief stelde de man (beroepschrift onder 13) dat de vrouw in de voorlopige-voorzieningenprocedure en ook thans een behoefteoverzicht heeft overgelegd zonder enige onderbouwing met bescheiden en dat de man gemotiveerd heeft aangegeven dat voor de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte dient te worden uitgegaan van het netto inkomen ten tijde van het huwelijk. De man heeft (beroepschrift onder 14) betoogd dat de behoefte van de vrouw veel lager is dan zij in de door haar overgelegde behoefteoverzichten heeft aangegeven en dat die overzichten veel te hoog zijn, zodat de beschikking van de rechtbank op dit onderdeel dient te worden vernietigd en dient te worden bepaald dat de behoefte van de vrouw € 2.105,- netto per maand bedraagt. Vervolgens stelde de man in zijn verzoekschrift in hoger beroep onder 15:

"Indien het Hof van oordeel zou zijn dat de behoefte van de vrouw in de periode tussen de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking € 3.403,55(8) netto per maand zou zijn, hetgeen de man betwist, dan is hij voorts van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bruto equivalent daarvan € 5.500,-- per maand bedraagt.

De vrouw was in die periode woonachtig in België.

De vrouw heeft geen inzage gegeven in haar fiscale positie in die periode.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het fiscale regime in België anders is dan in Nederland.

De man gaat er vooralsnog van uit dat de vrouw in België minder belasting betaalde dan in Nederland hetgeen tot gevolg is dat de door de rechtbank bepaalde bruto bijdrage haar netto behoefte overschrijdt.

De man kan nimmer verplicht worden om met een hoger bedrag bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dan het bedrag waar zij behoefte aan heeft.

Ten onrechte is de rechtbank er dan ook zonder nader onderzoek van uitgegaan dat € 5.500,-- de bruto equivalent van € 3.403,55 netto per maand is.

De man is dan ook van oordeel dat de beschikking van de rechtbank op dit onderdeel dient te worden vernietigd.

Bij het vaststellen van partneralimentatie dient rekening te worden gehouden met het fiscale regime waar de vrouw in die betreffende periode onder valt."

2.6 In hoger beroep heeft de man derhalve aan de hand van de door de vrouw overgelegde behoefteoverzichten betoogd dat de behoefte van de vrouw niet zo hoog is als uit die overzichten voortvloeit en daarentegen slechts € 2.105,- netto per maand bedraagt, en dat, als de behoefte van de vrouw voor de periode vanaf de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (tot, naar kennelijk is bedoeld, 1 augustus 2005) niettemin € 3.403,55 netto per maand (het equivalent van de in de beschikking voorlopige voorzieningen aangenomen nettobehoefte van de vrouw van f 7.500,-) zou hebben bedragen (hetgeen de man dus betwist), onjuist is dat een bedrag van € 5.500,- als bruto-equivalent van een nettobehoefte van € 3.403,55 per maand kan gelden.

2.7 Anders dan het hof heeft overwogen, heeft de man dus wel degelijk bestreden dat het bedrag van € 5.500,- het bruto-equivalent van de nettobehoefte van de vrouw vormt. In zoverre acht ik het onderdeel gegrond.

2.8 In haar verweerschrift in cassatie heeft de vrouw doen betogen dat de man belang bij het onderdeel mist, omdat (althans volgens haar) de subonderdelen 2.1 en 2.2, waarin de man opkomt tegen het oordeel van het hof dat de vrouw over de betrokken periode in Nederland belastingplichtig was, niet tot cassatie kunnen leiden. In dat verband is volgens de vrouw van belang dat de betwisting van de brutering van de nettobehoefte van de vrouw in het beroepschrift van de man slechts berust op de stelling dat de vrouw over de betrokken periode niet in Nederland maar in België belastingplichtig was.

Alhoewel zich inderdaad de gedachte opdringt dat het lot van het eerste onderdeel van dat van de subonderdelen 2.1 en 2.2 afhankelijk is, wijs ik erop dat de tweede grief van de man (die het hof met de bestreden overweging geheel terzijde heeft gesteld) onmiskenbaar ertoe strekte niet louter de brutering van de reeds in de beschikking voorlopige voorzieningen bepaalde nettobehoefte van de vrouw, maar ook en in de eerste plaats die nettobehoefte zelf ter discussie te stellen. Blijkens zijn beroepschrift onder 14 bedroeg die nettobehoefte volgens de man € 2.105,- per maand, daar waar in de beschikking voorlopige voorzieningen van een bedrag van f 7.500,- (= € 3.403,35) per maand was uitgegaan. Naar mijn mening moet gegrondbevinding van het eerste onderdeel (welke gegrondbevinding impliceert dat het hof de tweede grief van de man op ontoereikende gronden heeft verworpen) na verwijzing alsnog tot een volledige behandeling van die grief leiden, óók voor zover die grief ertoe strekt dat de rechtbank ten onrechte van een nettobehoefte van f 7.500,- (= € 3.403,35) per maand is uitgegaan. Het oordeel waarmee het hof de tweede grief van de man (in haar geheel) terzijde heeft gesteld, is immers hoe dan ook (en los van het oordeel over de subonderdelen 2.1 en 2.2) onbegrijpelijk.

Overigens kan men zich afvragen of, als de man niet zou hebben bestreden dat het door de rechtbank bepaalde bedrag van € 5.500,- per maand de brutering vormt van de door de rechtbank reeds in de beschikking voorlopige voorzieningen bepaalde nettobehoefte van de vrouw van f 7.500,- per maand, dit, zoals het hof kennelijk heeft aangenomen, in hoger beroep iedere verdere discussie over de nettobehoefte van de vrouw aan de hand van de door haarzelf overgelegde behoefteoverzichten inderdaad zou hebben uitgesloten. Dat de rechtbank bij de vaststelling van de brutobehoefte van de vrouw heeft teruggegrepen op een reeds eerder, in het kader van de behandeling van haar verzoek om een voorlopige voorziening, bepaalde nettobehoefte, waarborgt op zichzelf niet dat die vaststelling aan de wettelijke maatstaven voldoet. Eerder het tegendeel is het geval. In dat verband heeft de advocaat van de man ter zitting van 5 juni 2009 naar mijn mening terecht aangevoerd dat de rechter "niet zomaar in een procedure in 2007 een in 2000 voorlopig vastgestelde behoefte als uitgangspunt (had) mogen nemen voor het bepalen van de hoogte van definitieve partneralimentatie"(9).

2.9 Subonderdeel 2.1 klaagt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, nu het oordeel aan het slot van rov. 7 dat de vrouw in Nederland belastingplichtig is omdat zij daar staat ingeschreven, niet strookt met de door partijen betrokken stellingen. Het onderdeel betoogt dat het hof als niet weersproken had moeten aannemen dat de vrouw niet in Nederland, maar in België belastingplichtig is.

2.10 Het hof heeft het bestreden oordeel gegeven met het oog op de brutering van de partneralimentatie. In cassatie is niet bestreden dat, zoals het hof in rov. 7 heeft overwogen, "(de alimentatie) (a)ls uitkering op basis van een nettobehoefte moet (...) worden geacht bruto te zijn indien en voor zover de alimentatiegerechtigde hierover belasting verschuldigd is". Volgens het subonderdeel is bij die brutering echter ten onrechte van een Nederlandse belastingplicht uitgegaan, hetgeen tot een te hoog brutobedrag zou hebben geleid, nu de vrouw in België minder belasting zou zijn verschuldigd dan in Nederland(10).

2.11 In eerste aanleg heeft de vrouw in de pleitnotities ten behoeve van de zitting van 11 september 2001 ten aanzien van haar behoefte doen stellen dat bij haar verzoek om alimentatie geen rekening was gehouden met de belasting die zij over de alimentatie zal moeten betalen. De pleitnotities vermelden vervolgens onder 6:

"(...) Hoewel [de vrouw] feitelijk in België woont, is zij in Nederland ingeschreven als inwoner en aldaar ook belastingplichtig. Het is voor [de vrouw] niet mogelijk zich in te schrijven in België, omdat zij thans geen vast inkomen heeft, hetgeen vereist wordt voor inschrijving."

In de brief van 30 oktober 2001 aan de rechtbank schrijft de advocaat van de vrouw op p. 4:

"6. België / Nederland

Het is inderdaad mogelijk dat [de vrouw] tracht op grond van artikel 4 AWR haar woonplaats te laten vaststellen in België. De plaats van inschrijving in het GBA is daarvoor niet doorslaggevend. Echter in België wordt alimentatie ook progressief belast tegen maximaal 55% (bij een inkomen hoger dan 2,470,000 BEF in 2001). [De vrouw] biedt hiervoor bewijs aan.

Dat [de vrouw] zich heeft laten inschrijven in Nederland heeft geen diepere achterliggende oorzaak. [De vrouw] wilde zich in België inschrijven, doch hiervoor bleek nodig: (...) (samengevat: een aantal bewijzen dat niet voorhanden was; LK)"

2.12 Kennelijk is de rechtbank bij het bepalen van het bruto-equivalent van de nettobehoefte van de vrouw in haar in hoger beroep bestreden beschikking ervan uitgegaan dat de vrouw in Nederland belastingplichtig was. Uit de door het hof genoemde pleitnotities van de advocaat van de vrouw ten behoeve van de zitting van 11 september 2001 blijkt dat de vrouw destijds in Nederland was ingeschreven en aldaar ook belastingplichtig was. De passage in de door het subonderdeel aangehaalde en hierboven weergegeven brief dat alimentatie ook in België progressief wordt belast, houdt, anders dan het subonderdeel betoogt, niet in dat de vrouw in België belastingplichtig was en dat zij in zoverre terugkwam van haar eerdere stelling dat zij een Nederlandse belastingplichtige was. De stelling van de man in zijn verzoekschrift in hoger beroeo onder 15 dat de vrouw in België woonachtig was, behoefde geen betwisting, nu partijen daarover blijkens de aangehaalde stellingen van de vrouw niet verdeeld zijn. De daaropvolgende stelling van de man dat hij vooralsnog ervan uitgaat dat de vrouw in België minder belasting betaalde dan in Nederland, is door het hof kennelijk als onvoldoende pertinent en onvoldoende onderbouwd opgevat, zodat deze stelling in het licht van de eerdere stellingen van de vrouw (volgens welke zij in Nederland belastingplichtig was) geen afzonderlijke betwisting behoefde. Tegen deze achtergrond kon het hof, zonder buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen te treden, oordelen dat de rechtbank op juiste gronden (lees: ervan uitgaande dat de vrouw in Nederland belastingplichtig was) een brutobehoefte heeft vastgesteld.

2.13 Subonderdeel 2.2 klaagt dat, indien het hof niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, het heeft miskend dat uit de omstandigheid dat de vrouw in Nederland is ingeschreven niet automatisch kan worden afgeleid dat zij "derhalve" aldaar ook belastingplichtig is.

2.14 Het hof heeft zich kennelijk verlaten op de mededelingen zijdens de vrouw ter terechtzitting van de rechtbank van 11 september 2001 dat zij in Nederland was ingeschreven en aldaar belastingplichtig was. Anders dan het woord "derhalve" in de slotzin van rov. 7 zou kunnen doen vermoeden, heeft het hof de belastingplichtigheid van de vrouw in Nederland dus niet zelfstandig uit het enkele feit van haar inschrijving in Nederland afgeleid. In het licht van het partijdebat kan het hof ook bezwaarlijk worden verweten het fiscale regime waaronder de vrouw over de betrokken periode viel, niet nader te hebben onderzocht. De man heeft de vraag welk fiscaal regime over de betrokken periode op de vrouw van toepassing was, als zodanig niet uitdrukkelijk ter discussie gesteld, maar in zijn beroepschrift onder 15 slechts als uitgangspunt gesuggereerd dat de vrouw in België belasting betaalde ("(...) De man gaat er vooralsnog van uit dat de vrouw in België minder belasting betaalde dan in Nederland (...)"). Het subonderdeel kan niet tot cassatie leiden.

2.15 Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 8:

"8. Ten aanzien van de periode vanaf (het hof leest: met ingang van) 1 augustus 2005 overweegt de rechtbank dat de door de vrouw gestelde behoefte van € 4.300,- bruto per maand evident is. De man heeft geen grief aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank dat de behoefte evident is, zodat ook het hof de behoefte van de vrouw vanaf 1 augustus 2005 op € 4.300,- bruto per maand stelt. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden bekrachtigd."

2.16 Het onderdeel klaagt dat de overweging dat de man geen grief heeft aangevoerd tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de behoefte van de vrouw met ingang van 1 augustus 2005, in het licht van de in hoger beroep door de man betrokken stellingen onbegrijpelijk is. Dat het door de rechtbank gebruikte woord "evident" niet uitdrukkelijk door de man is bestreden, doet daaraan volgens het onderdeel niet af, nu de man gemotiveerd heeft aangegeven waarom de behoefte van de vrouw veel lager is dan zij heeft opgevoerd.

2.17 Hoewel de uitleg van de gedingstukken en de daarin opgeworpen grieven is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, meen ik dat rov. 8, volgens welke de man geen grief heeft gericht tegen de naar het oordeel van de rechtbank evidente behoefte van de vrouw over de periode vanaf 1 augustus 2005, in het licht van de tweede grief van de man en de in de toelichting daarop betrokken stellingen inderdaad niet begrijpelijk is.

Zoals bij de bespreking van onderdeel 1 reeds aan de orde kwam, heeft de man ook in hoger beroep de door de vrouw overgelegde behoefteberekeningen (ook die op grond waarvan de rechtbank de behoefte van de vrouw voor de periode na 1 augustus 2005 op € 4.300,- bruto per maand heeft vastgesteld) bestreden en zich op het standpunt gesteld dat de behoefte van de vrouw € 2.105,- netto per maand bedraagt. De betwisting door de man van de door de rechtbank vastgestelde behoefte van € 4.300,- bruto per maand impliceert mede een betwisting van het oordeel van de rechtbank dat die behoefte (zoals de rechtbank heeft geoordeeld) "evident" was.

Overigens heeft kennelijk ook de vrouw de door de man aangevoerde grieven aldus begrepen, dat de man de door de rechtbank vastgestelde behoefte daarmee bestreed. In haar verweerschrift in hoger beroep heeft de vrouw onder meer gesteld:

"ad Grief 2

De man heeft de hoogte van de behoefte van de vrouw betwist.

(...)"

2.18 Dat, zoals de vrouw in haar verweerschrift in cassatie heeft doen betogen, het onderdeel feitelijke grondslag zou missen, omdat de man in hoger beroep niet de door de rechtbank vastgestelde, maar slechts de door de vrouw aangegeven behoefte zou hebben bestreden, kan ik ten slotte niet volgen. De door de vrouw voor de periode vanaf 1 augustus 2005 voorgerekende behoefte is geen andere behoefte dan die welke de rechtbank heeft vastgesteld. Na in de beschikking van 20 december 2007 te hebben gereleveerd dat de vrouw "(t)er staving van haar behoefte over de periode vanaf augustus 2005 (...) een behoefteberekening (heeft) overgelegd, volgens welke haar behoefte € 4.300,- per maand bruto bedraagt" (beschikking, p. 3, derde tekstblok), heeft de rechtbank overwogen dat "de door de vrouw gestelde behoefte van € 4.300,-- bruto per maand naar het oordeel van de rechtbank evident (is)" (beschikking, p. 3, laatste tekstblok).

2.19 Ook onderdeel 3 is naar mijn mening terecht voorgesteld.

2.20 Onderdeel 4 keert zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen rov. 16, waarin het hof het volgende heeft overwogen:

"16. (...) Het hof houdt voorts geen rekening met de door de man opgevoerde aflossingen op de rekening-courantschuld. Door de man is niet gesteld dat hij aflossingen en rentebetalingen op deze schuld heeft gedaan, terwijl overigens niet is gebleken van een noodzaak daartoe."

Onder verwijzing naar HR 7 juni 1985, LJN: AB9855, NJ 1985, 719, en HR 11 juli 2008, LJN: BD1843, NJ 2008, 402, klaagt het onderdeel dat deze overweging van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu voor het in aanmerking nemen van een schuld ter vaststelling van de draagkracht van de alimentatieplichtige niet is vereist dat op de schuld wordt afgelost, althans het enkele feit dat niet op de schuld wordt afgelost geen toereikende motivering is om de schuld niet in aanmerking te nemen. Dat het hof de aflossingen van de man buiten beschouwing heeft gelaten, is volgens het onderdeel overigens onbegrijpelijk, gelet op de stellingen van de man in zijn verzoekschrift in hoger beroep.

2.21 Uitgangspunt bij de bepaling van de draagkracht van de alimentatieplichtige is dat in beginsel al diens schulden van invloed zijn op zijn draagkracht, waarbij wel, op gemotiveerd aangegeven gronden, reden kan zijn aan bepaalde schulden voor die draagkracht geen of minder gewicht toe te kennen(11). Ingevolge de door het onderdeel aangehaalde rechtspraak is bij het bepalen van de draagkracht van de alimentatieplichtige voor het in aanmerking nemen van een schuld niet vereist dat op de schuld ook wordt afgelost.

2.22 Hoewel het oordeel van het hof dat de man niet heeft gesteld dat hij (daadwerkelijk) aflossingen en rentebetalingen op de rekening-courantschuld heeft gedaan op zichzelf niet onbegrijpelijk is, houdt de bestreden overweging in het licht van de rechtspraak waarop het onderdeel een beroep doet, mijns inziens geen stand. Ook waar het bestreden oordeel is toegespitst op de door de man in zijn verzoekschrift in hoger beroep (onder 31) gestelde maar naar het oordeel van het hof kennelijk onvoldoende onderbouwde kosten van NAF. 6.282 per maand aan rente en NAF. 10.000 aan aflossingen, heeft het hof mijns inziens miskend dat uit de genoemde uitspraken voortvloeit dat het hof de bedoelde rekening-courantschuld in beginsel in aanmerking had moeten nemen. Dat, zoals de vrouw in cassatie heeft betoogd (verweerschrift in cassatie onder 33) zou moeten worden onderscheiden tussen de schuld als zodanig en de daarop te verrichten aflossingen en rentebetalingen, vindt mijns inziens geen steun in HR 11 juli 2008, LJN: BD1843, NJ 2008, 402. In die beschikking werd het oordeel van het hof dat geen rekening wordt gehouden met een maandlast van € 500,- nu de man niet dan wel onvoldoende heeft aangetoond dat hij structureel met € 500,- per maand op zijn schuld aflost (rov. 4.15 van de beschikking van het hof), onder verwijzing naar HR 7 juni 1985, LJN: AB9855, NJ 1985, 719, door de Hoge Raad vernietigd op de grond dat voor het in aanmerking nemen van een schuld niet is vereist dat op de schuld wordt afgelost. Ook onderdeel 4 is daarom terecht voorgesteld.

2.23 Onderdeel 5 is gericht tegen rov. 23, waarin het hof de zesde grief van de man tegen de terugwerkende kracht van de vaststelling van partneralimentatie op een brutobedrag heeft behandeld. Het onderdeel betoogt dat, als onderdeel 2, dat is gericht tegen rov. 7, slaagt, rov. 23, waarin is bepaald dat de man met terugwerkende kracht ter zake van alimentatie een brutobedrag aan de vrouw is verschuldigd, niet in stand kan blijven.

2.24 Nu het tweede onderdeel naar mijn mening niet tot cassatie kan leiden, moet onderdeel 5, dat overigens geen zelfstandige klachten bevat, in het lot daarvan delen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Het cassatierekest vermeldt: [voornaam van de vrouw].

2 Ontleend aan p. 2 van de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 januari 2002, van welke feiten ook het hof is uitgegaan (zie p. 2 van de bestreden beschikking).

3 Zie de beschikking van de rechtbank van 29 januari 2002, p. 3. De rechtbank heeft, sprekende van "het EEX", kennelijk gedoeld op het EEX-Verdrag. Daarbij moet worden bedacht dat de EEX-Verordening eerst op 1 maart 2002 in werking is getreden (zie art. 76 EEX-Verordening; zie ook de overgangsbepalingen van art. 66 EEX-Verordening).

4 Zie p. 2 van de beschikking van de rechtbank van 20 december 2007.

5 De nadien gewezen (eind)beschikking van de rechtbank van 3 maart 2009 is in cassatie niet van belang.

6 Ook de na deze beschikking gewezen beschikking van het hof van 16 juni 2010 is thans in cassatie niet van belang.

7 Het cassatierekest is op 22 juni 2010 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen, terwijl de bestreden beschikking van 24 maart 2010 dateert.

8 Het bedrag van ƒ 7.500,- omgerekend in euro's (zelf bereken ik overigens een bedrag van € 3.403,35).

9 Aantekeningen van mr. N.P.J.M. Kreté-Marres, onder 2.

10 Zie de hiervoor onder 2.5 weergegeven stellingen van de man in zijn verzoekschrift in hoger beroep onder nr. 15.

11 Vaste rechtspraak: zie o.m. HR 29 september 1978, LJN: AC6360, NJ 1979, 143, en HR 14 april 2000, LJN: AA5515, NJ 2000, 359. Zie ook de conclusie van A-G Verkade onder nr. 4.3 voor HR 11 juli 2008, LJN: BD1843, NJ 2008, 402.