Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP9502

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-06-2011
Datum publicatie
24-06-2011
Zaaknummer
10/03594
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP9502
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Familierecht. Alimentatie tussen gewezen echtgenoten; afwikkeling huwelijkse voorwaarden; vergoeding voor gebruik personenauto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/799
JWB 2011/323
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/03594

Mr L. Strikwerda

Parket, 25 maart 2011

conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het tijdig door verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 mei 2010. Bij deze beschikking heeft het hof in hoger beroep beslist op over en weer door de vrouw en door verweerder in cassatie (hierna: de man) ingediende verzoeken inzake onder meer de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, de eigendom van een personenauto, en een door de vrouw aan de man te betalen vergoeding voor het gebruik van die personenauto.

2. Het cassatieberoep van de vrouw berust op een uit twee onderdelen opgebouwd middel. De man heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij het middel bestreden en de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep van de vrouw te verwerpen. Bovendien heeft de man van zijn kant incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het incidenteel beroep berust op drie klachten. De vrouw heeft een verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep ingediend en daarbij de klachten bestreden en de Hoge Raad verzocht het incidenteel cassatieberoep van de man te verwerpen.

3. Zowel de in het principaal beroep als de in het incidenteel beroep voorgestelde klachten kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat zowel het principaal als het incidenteel beroep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.

Het principaal beroep

4. Onderdeel 1 van het in het principaal beroep voorgestelde middel betreft de beoordeling door het hof van de draagkracht van de man in verband met de door de vrouw verzochte uitkering tot haar levensonderhoud (r.o. 10 t/m 17). Het onderdeel bevat drie klachten.

5. De eerste klacht (onder 1.1 en 1.3) verwijt het hof niet te zijn ingegaan op de stelling van de vrouw dat de VISA-schuld door de man had kunnen zijn afgelost uit de opbrengst van de Mini Cooper ad Euro 24.500,-. Volgens de klacht is het oordeel van het hof daardoor onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.

6. De klacht faalt, omdat het oordeel van het hof, ook zonder dat is ingegaan op de bedoelde stelling van de vrouw, niet onbegrijpelijk is. Het hof heeft overwogen dat de man ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de opbrengst van de Mini Cooper heeft aangewend ter betaling van andere schulden dan de VISA-schuld. Waar uit de gedingstukken niet blijkt (de klacht noemt ook geen vindplaatsen) dat de vrouw die verklaring van de man gemotiveerd heeft bestreden, is het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk ervan uitgegaan dat de man met de opbrengst van de Mini Cooper andere schulden dan de VISA-schuld heeft voldaan en daarmee dus niet (meer) de VISA-schuld heeft kunnen voldoen. Dit oordeel behoefde geen nadere motivering.

7. De tweede klacht (onder 1.2 en 1.3) voert aan dat het hof geen enkele consequentie heeft verbonden aan zijn overweging dat de man op zo kort mogelijke termijn overgaat tot sanering van zijn financiële positie en dat daardoor het oordeel van het hof onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is.

8. De klacht kan geen doel treffen, omdat het oordeel van het hof, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk is. Dat het hof ervan is uitgaan dat de man op zo kort mogelijke termijn overgaat tot sanering van zijn financiële positie, maakt niet onbegrijpelijk dat het hof bij de beoordeling van de draagkracht van de man rekening houdt met de ten tijde van de beschikking bestaande financiële positie van de man.

9. De derde klacht (onder 1.4) verwijt het hof in het geheel niet te zijn ingegaan op de stelling van de vrouw dat de man op korte termijn zou gaan samenwonen met zijn vriendin met drie kinderen. Volgens de klacht is het oordeel van het hof daardoor onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.

10. De klacht kan niet slagen, omdat het hof bij de beoordeling van de draagkracht van de man kennelijk is uitgegaan, en ook mocht uitgaan, van de actuele woonsituatie van de man. Het oordeel van het hof is daarom, ook zonder dat is ingegaan op de bedoelde stelling van de vrouw, niet onbegrijpelijk.

11. Onderdeel 2 van het middel bestrijdt het oordeel van het hof - in r.o. 32 - inzake de eigendom van de Mini Cooper. Het onderdeel bevat twee klachten.

12. De eerste klacht (onder 2.2 en 2.3) bestrijdt als onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat, omdat de vrouw ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat de man haar niet letterlijk heeft gezegd dat zij de auto ten geschenke kreeg, er geen sprake is van een schenking.

13. De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag omdat, anders dan de klacht kennelijk veronderstelt, het hof zijn oordeel dat schenking niet kan worden vastgesteld niet uitsluitend heeft gebaseerd op de bedoelde verklaring van de vrouw, maar ook op enkele andere, in r.o. 32 genoemde omstandigheden. Dat het hof op grond de genoemde omstandigheden tot het oordeel is gekomen dat een schenking niet kan worden vastgesteld, is overigens niet onbegrijpelijk.

14. De tweede klacht (onder 2.4 en 2.5) voert een aantal omstandigheden aan waaruit zou volgen dat vast is komen te staan dat de auto door de man aan de vrouw ten geschenke is gegeven, en betoogt dat daarom het anders luidende oordeel van het hof onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is.

15. De klacht faalt, omdat zij niet voldoet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen, aangezien een vermelding van de vindplaatsen van de in de klacht geponeerde stellingen in de gedingstukken in feitelijke instanties ontbreekt en zonder deze vermelding onvoldoende duidelijk is waar deze stellingen zijn aangevoerd.

Het incidenteel beroep

16. Klacht I van het incidenteel beroep betreft het oordeel van het hof - in r.o. 23 - inzake de stelling van de man dat het gewijzigde art. 9 van de huwelijkse voorwaarden vernietigbaar is omdat sprake is van misbruik van omstandigheden aan de zijde van de vrouw en (althans) dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de vrouw rechtens geen beroep op art. 9 van de huwelijkse voorwaarden toekomt. Volgens de klacht is de verwerping door het hof van de stelling van de man onvoldoende, althans onbegrijpelijk gemotiveerd. Deze algemene klacht wordt, als ik goed zie, in drie subklachten uitgewerkt.

17. De eerste subklacht (onder 24) houdt in dat, voor zover het hof zijn oordeel dat beide partijen onverkort gebonden zijn aan de huwelijkse voorwaarden, heeft gegrond op de overweging dat ervan uitgegaan moet worden dat de notaris partijen genoegzaam zal hebben geïnformeerd omtrent de gevolgen van de wijziging van de huwelijkse voorwaarden, deze overweging onbegrijpelijk is, nu daaromtrent in de procedure niets is komen vast te staan.

18. Deze klacht faalt, omdat het hof, dat kennelijk heeft geoordeeld dat de ervaring leert dat notarissen echtgenoten genoegzaam plegen voor te lichten omtrent de gevolgen van (wijziging van) huwelijkse voorwaarden, ingevolge art. 149 lid 2 Rv deze ervaringsregel zonder meer aan zijn beslissing ten grondslag mocht leggen.

19. De tweede subklacht (onder 25, 1e alinea) houdt in dat het hof de substantiële stelling van de man dat sprake is van misbruik van omstandigheden aan de zijde van de vrouw volledig heeft gepasseerd.

20. Deze klacht faalt omdat zij feitelijke grondslag mist. Het hof is niet voorbijgegaan aan de bedoelde stelling van de man, maar heeft de stelling verworpen.

21. De derde subklacht (onder 25, 2e alinea) verwijt het hof de substantiële stellingen van de man dat de vrouw zich niet aan de gemaakte afspraken (belofte van huwelijkstrouw) heeft gehouden, dat dit wanprestatie oplevert, en dat dit mede dient te leiden tot een partiële vernietiging van de huwelijkse voorwaarden, in het bijzonder art. 9 daarvan, te hebben gepasseerd.

22. De klacht kan wegens gebrek aan belang geen doel treffen. Het recht verbindt aan schending van huwelijkstrouw geen sanctie, ook niet als een belofte daartoe in huwelijkse voorwaarden is neergelegd. De klacht dat het hof aan de bedoelde stellingen is voorbijgegaan, kan de man derhalve niet baten.

23. Klacht II keert zich tegen het oordeel van het hof - in r.o. 35 - dat de man, ook over de periode na het huwelijk, geen recht heeft op een gebruiksvergoeding van de vrouw voor het gebruik van de Mini Cooper. Volgens de klacht heeft het hof in zijn overwegingen substantiële stellingen van de man gepasseerd en aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.

24. Begrijp ik het goed, dan heeft de klacht het oog op de volgende stellingen van de man.

(a) Op de man rust, naast voldoening van partneralimentatie, geen enkele wettelijke verplichting om te voorzien in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (onder 31, 1e alinea).

(b) Het gebruik van een auto leent zich, naar de aard van het goed, zeer goed voor het verschuldigd zijn van een gebruiksvergoeding (onder 32, eerste gedeelte).

(c) Deze vergoeding is in dit geval ook redelijk en billijk (onder 32, tweede gedeelte).

25. Voor zover de klacht betrekking heeft op de onder (a) bedoelde stelling, faalt de klacht omdat zij niet voldoet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen, aangezien een vermelding van de vindplaats van de bedoelde stelling in de gedingstukken in feitelijke instanties ontbreekt en zonder deze vermelding onvoldoende duidelijk is waar deze stelling is aangevoerd.

26. Voor zover de klacht betrekking heeft op de onder (b) en (c) bedoelde stellingen, kan zij wegens gebrek aan feitelijke grondslag geen doel treffen. Het hof is aan deze stellingen niet voorbijgegaan, maar heeft ze verworpen.

27. Klacht III betreft het oordeel van het hof inzake de draagkracht van de man in verband met de door de vrouw verzochte uitkering tot haar levensonderhoud (r.o. 10 t/m 17) en verwijt het hof geen rekening te hebben gehouden met de kosten van de man voor de (bij hem wonende) kinderen.

28. De klacht faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in r.o. 16 overwogen dat de overige in de door de man (bij zijn beroepschrift overgelegde) draagkrachtberekening genoemde lasten niet in geschil zijn en is, blijkens r.o. 17, dan ook van die niet bestreden lasten uitgegaan. In de bedoelde draagkrachtberekening (onder 121 en 122) is het draagkrachtloos inkomen van de man berekend op basis van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder. Langs deze weg, die kennelijk ook door het hof is gevolgd, is rekening gehouden met de kosten van de man voor de kinderen.

De conclusie strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,