Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP9394

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
10/00444
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2010:BK9410
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP9394
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Psychische overmacht. 2. Non-punishmentbeginsel. Ad 1. Het Hof heeft bij het gedane beroep op psychische overmacht als maatstaf gehanteerd of sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Het Hof heeft bij zijn oordeel betrokken dat verdachte afkomstig is uit de Indiase cultuur en dat zij door medeverdachten - eveneens uit die cultuur afkomstig - werd uitgebuit. Het Hof is tot de slotsom gekomen dat van verdachte, niettegenstaande de op haar uitgeoefende druk, mocht worden gevergd dat zij mogelijkheden had gezocht om het leven van het slachtoffer te sparen, “gelet op het absolute recht op leven” van het zeer jonge kind. Het Hof heeft daarmee als zijn, niet van een onjuiste rechtsopvatting blijkgevende en niet onbegrijpelijke oordeel tot uitdrukking gebracht dat een beroep op psychische overmacht i.c. waarin sprake is van mishandeling en levensberoving van een zeer jong kind, gelet op de voor psychische overmacht geldende maatstaven alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kan worden aanvaard. Het Hof heeft uiteindelijk de aangevoerde omstandigheden, die er op neer kwamen dat verdachte verkeerde onder een cultuurgerelateerde druk om te gehoorzamen, onvoldoende geacht voor het slagen van het gedane beroep op overmacht. Uit het voorgaande volgt dat de klacht dat het Hof heeft nagelaten de aangevoerde “cultuurspecifieke” omstandigheden bij zijn oordeel te betrekken, feitelijke grondslag mist. Ook de klacht dat het Hof de opvatting zou zijn toegedaan dat bij levensdelicten een beroep op psychische overmacht “welhaast per definitie gedoemd is te falen” berust op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak. Ad 2. Nog daargelaten dat de bepalingen van het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel (Trb. 2006,99) t.t.v. de berechting in h.b. in Nederland nog niet van kracht waren en het Nederlandse strafrecht in art. 9a Sr een voorziening kent die aan deze tot de wetgever gerichte verdragsbepaling tegemoetkomt, kan aan art. 26 van het Verdrag niet worden ontleend dat de rechter in een geval waarop die bepaling ziet, gehouden is tot daadwerkelijke toepassing van art. 9a Sr, terwijl ook overigens geen rechtsregel het Hof tot die toepassing verplichtte. De aan het middelonderdeel ten grondslag liggende opvatting is dus onjuist, hetgeen meebrengt dat de tegen het aangevallen oordeel van het Hof opgeworpen motiveringsklachten belang missen en geen bespreking behoeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/32
RvdW 2011/1568
NJ 2013/12 met annotatie van P.A.M. Mevis
NBSTRAF 2012/15 met annotatie van mr. J.H. Blomsma
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/00444

Mr. Machielse

Zitting 15 maart 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte], ook bekend als: [verdachte](1)

1. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 19 januari 2010 voor 1 primair: Medeplegen van doodslag, 2: In de gevallen, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen, en 3 subsidiair derde cumulatief/alternatief: Mishandeling gepleegd met voorbedachte rade, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.

2. Mr. B.D.W. Martens, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt over de verwerping van een beroep op psychische overmacht en over de afwijking van het onderbouwd standpunt dat toepassing moest worden gegeven aan artikel 9a Sr. Het middel heeft betrekking op de feiten 1 en 3.

3.2. De advocaat van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep in zijn pleidooi uitvoerig verwezen naar de rapportage die over verdachte is gemaakt. Daaruit blijkt dat verdachte niet is te vergelijken met een normale Nederlandse werknemer. Haar Indiase achtergrond verklaart haar onderdanigheid en loyaliteit jegens haar werkgevers die van een beduidend hogere kaste waren. Verdachte was in alle opzichten van hen afhankelijk en aan hen ondergeschikt. Zij is op zeer jonge leeftijd naar Nederland gehaald en is in Nederland op geen enkele wijze in staat gesteld een zelfstandig leven te leiden of zich te ontwikkelen. Zij is analfabete en spreekt geen Nederlands. Zij is door haar werkgevers uitgebuit en onderdrukt. Zij is door één van haar werkgevers lichamelijk en geestelijk mishandeld. Haar werkgevers isoleerden haar van de buitenwereld. Zij was alleen maar goed om haar meesters te dienen maar had geen eigen rechten. Zij moest niet alleen voor haar eigen welzijn vrezen als zij tegen haar meesters zou ingaan, maar ook voor het welzijn van haar in India achtergebleven familieleden.(2) De advocaat gaat vervolgens na of er alternatieven waren die verdachte in redelijkheid kon benutten. Hij concludeert dat die ontbraken en dat aan verdachte een beroep op psychische overmacht toe komt.

3.3. Dienaangaande heeft het hof het volgende overwogen:

"2) Beroep op psychische overmacht (Pleitaantekeningen, hoofdstuk 11, pag. 38 e.v.)

De verdediging heeft voorts ter zake van de ten laste gelegde feiten bepleit dat de verdachte heeft gehandeld uit psychische overmacht, zij was in een zodanige positie gemanoeuvreerd dat zij niet anders kon handelen dan zij heeft gedaan, zodat zij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt als volgt.

De vraag die hierbij moet worden beantwoord is of anders handelen door van buiten komende drang, van psychische en fysieke aard, redelijkerwijs en menselijkerwijs van de verdachte niet kon en hoefde te worden gevergd.

Bij de beantwoording van deze vraag betrekt het hof dat in rechte ervan kan worden uitgegaan dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] de verdachte, die afkomstig is uit de Indiase cultuur, heeft uitgebuit door, kort gezegd, de verdachte illegaal in hun woning in Nederland te laten verblijven en te werk te stellen in hun huishouding, en dat [medeverdachte 5] op 28 januari 2006 om de kwade geest in [slachtoffer] te bedwingen aan de verdachte opdrachten heeft gegeven [slachtoffer] te (laten) slaan en/of te (laten) vastbinden.

Bij het beoordelen van psychische overmacht dient de proportionaliteits- en subsidiariteitseis te worden gesteld en zijn van belang de maatstaven die gelden voor wat redelijkerwijs in het maatschappelijke verkeer - in casu de Nederlandse samenleving - van de mensen kan worden gevergd.

Feiten betreffende [slachtoffer]

Van de verdachte mocht in redelijkheid worden gevergd, gelet op de inbreuk op het (internationaal geldende) absolute recht op leven van de peuter [slachtoffer] van nog geen twee jaar, dat zij mogelijkheden had gezocht de gezondheid en het leven van dit slachtoffer te sparen door zonodig de woede van [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 2] te trotseren.

Het gegeven dat de verdachte volgens de psychiater W.G.E. Kuyck ten tijde van het bewezenverklaarde lijdende was aan een aanpassingsstoornis en als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd maakt bovengenoemde afweging niet anders.

(...)

Gelet op het vorenoverwogene verwerpt het hof het beroep op psychische overmacht integraal.

Conclusie strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof voorts acht geslagen op de Pro Justitia rapporten d.d. 31 januari 2007 en 14 februari 2007, opgesteld en ondertekend door respectievelijk drs. W.G.E. Kuyck, forensisch psychiater, en drs. J.H. Ruijs, GZ-psycholoog, alsmede op de schriftelijke beantwoording van deze deskundigen op de door de raadsman mr. Martens gestelde (aanvullende) vragen, opgesteld en ondertekend door drs. Kuyck op 12 mei 2009 en door drs. Ruijs op 3 mei 2009.

Kuyck concludeert in zijn rapport dat er omstreeks of ten tijde van de tenlastegelegde feiten een ziekelijke storing van de geestesvermogens aanwezig was, te weten een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag. Hij adviseert, kort gezegd, de verdachte bij een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Ruijs overweegt in zijn rapport, kort gezegd, dat de verdachte in de periode rond het tenlastegelegde hoogstwaarschijnlijk onder grote spanning verkeerde en dat het heel goed mogelijk is dat deze spanning tot een overreactie in de zin van een aanpassingsstoornis heeft geleid. Omdat hieromtrent echter geen duidelijke diagnose is te stellen en de verdachte de ten laste gelegde feiten ontkent, komt Ruijs tot de conclusie zich van een uitspraak over de mate van toerekeningsvatbaarheid te moeten onthouden.

Het hof komt met in achtneming van de beschouwingen en de conclusies van deze deskundigen tot het oordeel dat het bewezenverklaarde de verdachte in licht verminderde mate dient te worden toegerekend.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is."

3.4. De steller van de schriftuur stelt vast dat het hof het juiste criterium heeft gehanteerd maar dat zijn oordeel onbegrijpelijk of in ieder geval ontoereikend is gemotiveerd. Het hof heeft ten onrechte geen of te weinig aandacht geschonken aan de (cultuur)specifieke omstandigheden van de situatie waarin verdachte verkeerde. Voorts heeft het hof het, door te verwijzen naar het absolute karakter van het recht op leven, ten onrechte doen voorkomen alsof een beroep op psychische overmacht nooit kan slagen in strafvervolgingen voor levensdelicten.

3.5. Ik moet de steller van het middel toegeven dat de verwerping van het beroep op psychische overmacht niet alle aspecten van de zaak, zoals deze bij pleidooi aan het hof zijn voorgehouden, indringend behandelt. Het hof memoreert de afkomst van verdachte, de uitbuitingssituatie waarin zij verkeerde en de rol die de opdrachten van een van haar meesters speelde bij het tenlastegelegde handelen. Het zwaartepunt van de argumentatie van het hof ligt in de waardering van het hof van het menselijk leven, meer bepaald het leven van een kwetsbaar kind van nog geen twee jaar. Dat het hof het recht op leven absoluut noemt getuigt van een uitleg van internationaal geldende verplichtingen waarbij vraagtekens zijn te zetten. Artikel 2 EVRM kent immers een tweede lid waarin situaties worden genoemd die een levensberoving niet in strijd kunnen doen zijn met het eerste lid. Ik meen dat het hof, zij het in ongelukkige bewoordingen, de grote, universele waarde van het menselijk leven, zeker van een nog zo jong en teer leven, heeft willen benadrukken en tot uitdrukking heeft willen brengen dat het van het leven beroven van zo een jong kind alleen in uiterste en laatste omstandigheden op grond van artikel 40 Sr niet verweten kan worden en dat in ieder geval redelijkerwijs verwacht mag worden dat serieus pogingen worden aangewend om de druk waaronder men verkeert te verminderen of te ontwijken.

3.6. Van verdachte mocht volgens het hof redelijkerwijs worden verwacht dat zij, gelet op het universele belang van het menselijk leven, weerstand zou bieden aan de druk die op haar is gelegd. Uiteindelijk hangt de beoordeling van de vraag of de omstandigheden van het geval en de kenmerken van de persoonlijkheid van de verdachte zodanig zijn dat er nog wel redelijkerwijs weerstand kan worden gevergd af van inschattingen en waarderingen van feitelijke aard. Zulke afwegingen zijn in cassatie slechts op begrijpelijkheid te toetsen. Factoren die een rol bij dergelijke afwegingen kunnen spelen zijn bijvoorbeeld de lengte van het verblijf in Nederland en de mate van acculturatie, het opleidingsniveau en de mate van integratie, de gevolgen voor het slachtoffer en de uiteindelijke risico's voor personen die het slachtoffer kunnen worden, de aard van de culturele norm et cetera.(3) Een geharmoniseerde standaard voor deze afwegingen bestaat niet. De één zal bijvoorbeeld veel sterker de nadruk leggen op de persoonlijkheid van de verdachte, de ander op eigen verantwoordelijkheid in een cultureel krachtenveld en de derde op de juridische omgeving waarin de culturele achtergrond slechts een zeer beperkte rol kan spelen.(4) Maar beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit spelen telkens een rol. Wanneer het belang dat men schendt in verhouding tot de druk waaronder men staat veel zwaarder weegt, zal meer inspanning mogen worden verwacht om die schade te voorkomen en om aan de druk weerstand te bieden.

3.7. In de onderhavige zaak wens ik te benadrukken dat er geen cultureel verweer gevoerd is dat rechtstreeks verband houdt met het doden van het kind. Het cultureel verweer hield in dat verdachte ondergeschikt was aan haar meesters, loyaal moest zijn, moest gehoorzamen, zich op moest offeren. Maar er was geen culturele norm die rechtstreeks dwong tot het uitoefenen van geweld jegens het kind. Met de drang tot gehoorzaamheid was dus nog niet een onweerstaanbare drang om het kind te doden gegeven.

Verdachte was dan wel gepredisponeerd tot gehoorzaamheid, maar niet tot levensberoving.

3.8. Het hof heeft verwezen naar beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en de eisen die gelden in de Nederlandse samenleving. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat de culturele druk tot gehoorzamen aan haar meesters het redelijkerwijs moest afleggen tegen de noodzaak weerstand te bieden tegen de aandrang een weerloos kind te mishandelen en te doden. Die afweging is sterk afhankelijk, zoals gezegd, van waarderingen van feitelijke aard. Het hof heeft niet goed duidelijk gemaakt welke feitelijke gegevens het bij zijn afwegingen heeft betrokken, maar de verwijzing naar de universele waarde van een mensenleven zegt mij genoeg, mede in aanmerking genomen dat verdachte zelf er terechtzitting van 27 oktober 2009 heeft verklaard tot januari 2006 al een jaar of zes in Nederland te verblijven en zich ook in het Engels te kunnen uitdrukken.(5) Zij moet hebben kunnen reflecteren op wat haar werd opgedragen en redelijkerwijs kan van haar worden gevergd dat zij haar uiterste best deed op enigerlei wijze daar onder uit te komen. Dat laatste heeft zij nagelaten.

Het eerste onderdeel faalt.

3.9. Het tweede onderdeel van het middel komt op tegen de afwijzing door het hof van de door de verdediging gevraagde toepassing van het zogenaamde non punishment-beginsel.

In zijn pleidooi in hoger beroep heeft de advocaat van verdachte aangevoerd dat verdachte slachtoffer is geworden van mensenhandel. Zij was minderjarig toen zij naar Nederland kwam en is sindsdien uitgebuit door haar meesters. Het beginsel van niet bestraffing is een in het internationale recht neergelegd uitgangspunt, erop neerkomend dat slachtoffers van mensenhandel niet mogen worden bestraft voor delicten die aan mensenhandel zijn gerelateerd.

3.10. Op 16 mei 2005 is het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel (Verdrag van Warschau, Trb. 2006, 99, voor Nederland inwerking getreden op 1 augustus 2010, dus na het door het hof gewezen arrest) tot stand gekomen. Ik schenk enige aandacht aan dit Verdrag omdat het een exponent is van een al langer internationaal uitgedrukte wens om de slachtoffers van mensenhandel in strafrechtelijk opzicht te ontzien, niet omdat het op het moment van het wijzen van het arrest in Nederland al dwingend recht was. Bovendien heeft de steller van het middel aangevoerd dat het hof het beginsel van niet bestraffing, zoals in diverse internationale rechtsinstrumenten neergelegd, op een onjuiste wijze heeft uitgelegd.

Artikel 26 van het Verdrag heeft de volgende inhoud:

"Each Party shall, in accordance with the basic principles of its legal system, provide for the possibility of not imposing penalties on victims for their involvement in unlawful activities, to the extent that they have been compelled to do so." (6)

De toelichting van artikel 26 is bepaald niet uitbundig:

"272. Article 26 constitutes an obligation to Parties to adopt and/or implement legislative measures providing for the possibility of not imposing penalties on victims, on the grounds indicated in the same article.

273. In particular, the requirement that victims have been compelled to be involved in unlawful activities shall be understood as comprising, at a minimum, victims that have been subject to any of the illicit means referred to in Article 4, when such involvement results from compulsion.

274. Each Party can comply with the obligation established in Article 26, by providing for a substantive criminal or procedural criminal law provision, or any other measure, allowing for the possibility of not punishing victims when the above mentioned legal requirements are met, in accordance with the basic principles of every national legal system."

Ook bij de goedkeuring van het Verdrag is weinig aandacht besteed aan artikel 26. De Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel houdt slechts het volgende hieromtrent in:

"Ingevolge deze bepaling moeten partijen voorzien in de mogelijkheid dat geen straf wordt opgelegd aan het slachtoffer voor betrokkenheid bij onrechtmatige handelingen waartoe het is gedwongen.

Artikel 9a Sr voorziet in de mogelijkheid van schuldigverklaring zonder oplegging van straf, als strafzaken van deze aard aan het oordeel van de rechter worden onderworpen."(7)

3.11. In de zevende rapportage van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel (NRM) van 29 oktober 2009 is een compleet hoofdstuk gewijd aan het beginsel van non-punishment.(8) In de inleiding schrijft de NRM dat artikel 26 van het Verdrag doelt op slachtoffers die als dader betrokken zijn bij strafbare feiten die verband houden met de mensenhandel. Te denken is aan mensen die gedwongen worden een vals paspoort te gebruiken, die uitgebuit worden in hennepkwekerijen of die uit angst voor hun uitbuiter onder ede een valse verklaring afleggen. Andere voorbeelden zijn slachtoffers die onder invloed van hun mensenhandelaar betrokken waren bij drugssmokkel, diefstal, fraude en mishandeling.(9) De NRM wijst er op dat de lidstaten louter verplicht zijn om in de mogelijkheid te voorzien dat slachtoffers van mensenhandel niet worden bestraft. Artikel 26 voorziet niet in de verplichting om niet te straffen. Na een bespreking van de andere internationale, niet bindende instrumenten die de mogelijkheid van straffeloosheid voor slachtoffers van mensenhandel bepleiten, gaat de NRM over tot een bespreking van het nationaal juridisch kader.

De NRM wijst naar de Memorie van toelichting van de goedkeuringswet en merkt op dat Nederland via artikel 9a Sr formeel voldoet aan de eisen van artikel 26 van het Verdrag van de Raad van Europa.(10) Voorts wijst zij op de Nederlandse reactie op een VN resolutie betreffende deze materie, waaruit blijkt dat Nederland groot belang hecht aan de mogelijkheid om slachtoffers van mensenhandel niet te bestraffen voor delicten waartoe zij als gevolg van hun situatie zijn gedwongen.(11) Als afzonderlijk thema noemt de NRM het probleem van het begaan van meineed of valse aangifte onder druk van de mensenhandelaar.(12) Op p. 251 e.v. snijdt de NRM de onderhavige zaak aan. Op het moment van het schrijven van de rapportage was het arrest van het hof in deze zaak nog niet bekend. Het hof heeft aan verdachte een gewichtiger rol toebedeeld bij het overlijden van het kind dan de rechtbank heeft gedaan en heeft haar dan ook voor doodslag in plaats van voor het medeplegen van zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad, terwijl dit feit de dood ten gevolge had, veroordeeld.

3.12. In zijn arrest heeft het hof aandacht geschonken aan het non punishment-beginsel:

"1) Non-punishment beginsel (Pleitaantekeningen, hoofdstuk 13, pag. 48 e.v.)

Verdediging

De verdediging heeft nog bepleit dat, indien het hof tot een bewezenverklaring en een strafbare dader komt, de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel (ex artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht) op grond van het non-punishment beginsel. Het non-punishment beginsel houdt in, kort gezegd, dat slachtoffers van mensenhandel niet bestraft hoeven te worden voor strafrechtelijke gedragingen die zij onder dwang hebben gedaan. De raadsman voert hiertoe aan, kort gezegd, dat de verdachte het slachtoffer is van mensenhandel en dat er sprake is van een causaal verband tussen de mensenhandel/uitbuitingssituatie en de strafbare feiten gepleegd door de verdachte.

Het hof overweegt als volgt.

Naar het oordeel van het hof staan de stelselmatige mishandelingen van [slachtoffer] vóór 28 januari 2006 en de doodslag van [slachtoffer] op 28 januari 2006, in onvoldoende direct verband met de werkzaamheden die de verdachte in het kader van de uitbuiting door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] moest verrichten. Gelet hierop, alsmede de ernst van de onderhavige delicten, dient toepassing van het non-punishment beginsel achterwege te blijven."

Ik lees in deze overwegingen dat het hof het beginsel van non-punishment van toepassing acht, maar dat de mishandelingen van en doodslag op het kind onvoldoende sterk verbonden zijn met de uitbuiting waaraan verdachte ten prooi viel. Voorts heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat toepassing van het beginsel hier niet in aanmerking komt gelet op de ernst van de delicten.

3.13. In de bewijsconstructie heeft het hof vastgesteld dat verdachte, die op 25 december 1986 is geboren, eind 1999 naar Nederland is gekomen om bij [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] te werken. In augustus 2004 zijn het kind en haar ouders gearriveerd, ook om te werken ten behoeve van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2]. In 2005 begon [medeverdachte 5] te denken dat het kind behekst was. Zij gaf het kind de schuld van alles wat er in huis verkeerd ging en sloeg haar ook. Zij gaf ook verdachte opdracht om het kind te slaan. De opdrachten om het kind te mishandelen kwamen steeds van [medeverdachte 5]. Zij gaf deze opdrachten ook wel telefonisch. Op 28 januari 2006 verloor het zoontje van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] zijn eerste schaakpartij op een toernooi, [slachtoffer] krijgt daarvan de schuld en verdachte krijgt telefonisch de opdracht om [slachtoffer] te (doen) mishandelen. Na de derde verloren schaakpartij moet het kind weer worden vastgebonden en krijgt het weer klappen. Verdachte slaat het kind met een stok. Het kind overlijdt dezelfde dag.

3.14. In de overwegingen ter verwerping van het beroep op overmacht heeft het hof overwogen dat verdachte door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] is uitgebuit door haar illegaal in Nederland te laten verblijven en in de huishouding te laten werken en dat [medeverdachte 5] op 28 januari 2006 aan verdachte opdrachten heeft gegeven om [slachtoffer] te (laten) slaan en vast te (doen) binden.

3.15. In de strafmotivering heeft het hof de ernst van de feiten gepleegd tegen de kleine [slachtoffer] benadrukt en opgemerkt dat verdachte op 28 januari 2006, de dag dat [slachtoffer] het leven liet, bij de mishandeling van het kind een sturende rol heeft gespeeld. Ook daarvóór heeft de verdachte met haar mededaders het kind meermalen en ernstig mishandeld. Voorts heeft verdachte zich nog schuldig gemaakt aan meineed. Vervolgens overweegt het hof:

"De verdachte is eind 1999 op jonge leeftijd (volgens eigen opgave net 13 jaren oud) naar Nederland gekomen en heeft sindsdien bij [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] zonder scholing verbleven. Bij arrest van heden in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] heeft het hof geoordeeld dat de verdachte zich vanaf januari 2005 in een uitbuitingssituatie bevond. Zij verkeerde in een zeer afhankelijke positie ten opzichte van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2]; zij was illegaal in Nederland en woonde bij hen in huis, zij sprak de Nederlandse taal niet, had geen eigen financiële middelen en had beperkt contact met de buitenwereld. Tevens was er in die situatie sprake van geweld tegen de verdachte en bedreiging met geweld, een en ander zoals bewezenverklaard.

De verdachte verblijft tot op heden illegaal in Nederland. Zij is thans ongewenst verklaard en een uitzetting naar India dreigt. Ter zitting in hoger beroep is gemotiveerd door de verdachte en haar raadsman naar voren gebracht dat zij angst heeft voor [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2], thans en ook indien zij teruggezonden zou worden naar India.

De verdachte is de eerste geweest die enigszins inzicht heeft gegeven in hetgeen er op die bewuste 28ste januari heeft plaatsgevonden en de redenen daarvan, waarmee zij ook zichzelf heeft belast. Het hof acht haar rol in de gebeurtenissen echter wel groter dan de rol die zij zichzelf, met name in haar latere verklaringen, en die het openbaar ministerie haar heeft toebedeeld.

Het hof heeft voorts acht geslagen op voornoemde Pro Justitia rapporten d.d. 31 januari 2007 en 14 februari 2007, opgesteld en ondertekend door respectievelijk drs. W.G.E. Kuyck, forensisch psychiater, en drs. J.H. Ruijs, GZ-psycholoog, alsmede op de schriftelijke beantwoording van deze deskundigen op de door de raadsman mr. Martens gestelde (aanvullende) vragen, opgesteld en ondertekend door drs. Kuyck op 12 mei 2009 en door drs. Ruijs op 3 mei 2009. Het hof komt, met in achtneming van de beschouwingen en de conclusies van deze deskundigen, tot het oordeel dat het bewezenverklaarde de verdachte in licht verminderde mate dient te worden toegerekend.

Bovendien lijdt zij volgens drs. Kuyck, forensisch psychiater, en drs. Ruijs, psycholoog, aan een posttraumatische stress stoornis. Voor zover bekend is de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen.

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in zowel de door de eerste rechter opgelegde straf, als in de door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde straf.

Het is op deze grond dat het hof de hierna te vermelden zwaardere straf zal opleggen dan door de eerste rechter is opgelegd en thans door de advocaat-generaal in hoger beroep is gevorderd."

3.16. Het hof heeft vastgesteld dat verdachte het slachtoffer is geworden van mensenhandel. Het hof heeft tevens vastgesteld dat verdachte in zeer grote mate afhankelijk was van haar meesters en dat dezen haar opdracht hebben gegeven tot mishandelingen van het kind en haar tot meineed hebben aangezet. De uitbuitingssituatie waarin verdachte verkeerde hield in dat zij huishoudelijk werk moest doen, maar ook dat zij afhankelijk en geïsoleerd was. Dat de bewezenverklaarde feiten gepleegd tegen het kind in onvoldoende direct verband stonden met de werkzaamheden die verdachte in het kader van de uitbuiting moest verrichten kan wel zo zijn, maar dat deze bewezenverklaarde feiten geheel of grotendeels zijn bepaald door de uitbuitingssituatie volgt ook uit de vaststellingen van het hof. De werkzaamheden in de huishouding, zoals het schoonmaken van het huis en het verzorgen van het eten, stonden los van de mishandelingen van [slachtoffer], maar de geïsoleerde en onderdanige positie van verdachte, bij uitstek kenmerken van een uitbuitingssituatie, niet. De motivering die het hof heeft gegeven voor het buiten toepassing laten van het non punishment-beginsel is daarom volgens mij op zichzelf beschouwd ontoereikend. De vraag is overigens waartoe dat moet leiden.

Ten tijde van de berechting in hoger beroep was artikel 26 van het Verdrag voor Nederland nog niet inwerking getreden. Verdachte kon aan het Verdrag dus nog niet rechtstreeks rechten ontlenen. Wel bestond al, gelet op de internationale afspraken en verklaringen, het streven om meer rekening te houden met de slachtoffers van mensenhandel die in strafrechtelijke problemen waren gekomen. Maar indertijd was het beginsel nog niet meer dan een algemene uiting in het kader van de wens om mensenhandel steviger en meer gecoördineerd te kunnen aanpakken, een bereidverklaring. De constatering dat verdachte strafbare feiten heeft gepleegd als gevolg van een uitbuitingssituatie noopte dus niet zonder meer tot toepassing van artikel 9a Sr. Ook thans lijkt mij dat nog niet het geval. Artikel 26 van het Verdrag verplicht de lidstaten tot het invoeren van een mogelijkheid, niet van een gebod. De toelichting op artikel 26 van het Verdrag houdt ook in dat een eventuele te creëren mogelijkheid van straffeloosheid moet passen binnen het nationale rechtssysteem. Artikel 9a Sr biedt de rechter de mogelijkheid van een rechterlijk pardon in verband met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit begaan, maar kent geen automatische straffeloosheid. Het is dus nog steeds aan de rechter om af te wegen of en hoe de uitbuitingssituatie waarin bepaalde strafbare feiten zijn begaan moet meewegen.

Het hof heeft de ernst van de bewezenverklaarde feiten zwaar laten wegen. Dat stond aan het hof, als rechter die over de feiten oordeelt, vrij. Nu in cassatie er niet over wordt geklaagd dat de strafoplegging verbazing wekt, maar enkel dat het hof aan het beginsel van non-punishment en aan de voorwaarden voor toepassing ervan een verkeerde uitleg heeft gegeven, en evenmin erover wordt geklaagd dat de uitbuitingssituatie waarin verdachte verkeerde heeft geleid tot het begaan van de meineed, kom ik tot de slotsom dat de strafoplegging toereikend is gemotiveerd en dat - ook bij een juiste uitleg - het non punishment-beginsel het hof niet verplichtte tot toepassing van artikel 9a Sr, zodat het middel daarom faalt.

Het middel is in beide onderdelen tevergeefs voorgesteld.

4. Nu beide middelen geen doel treffen en ik ambtshalve geen grond heb aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nrs. 10/00470 ([medeverdachte 5]), 10/00540 ([medeverdachte 2]), 10/01588 ([medeverdachte 3]) en 10/01590 ([medeverdachte 4]) waarin ik ook heden concludeer.

2 Kortom, er is sprake van aansluiting bij de definitie van gedwongen of verplichte arbeid van de ILO. Zie Mr. drs. H. de Jonge van Ellemeet, Slecht werkgeverschap of ' moderne slavernij', in JV 2007, 7/07, p. 108. Op p. 116 beveelt de auteur aan om in Nederland alvast rekening te houden met art. 26 van het later nog aan de orde te stellen Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel ook al was dat op dat moment nog niet voor Nederland in werking getreden.

3 Prof. mr. M.A.P. Bovens, Cultuur als verweer. Een rechtspolitieke verkenning. Te raadplegen op:

http://igitur-archive.library.uu.nl/USBO/2007-0223-201157/bovens_03_cultuur.pdf.

4 J.M. ten Voorde, Cultuur als verweer, WLP 2007, nrs. 90, 95, 96, 111.

5 Bovendien blijkt uit de verklaringen van de bedienden dat de mogelijkheid bestond om van de telefoon gebruik te maken, zeker als de meesters uithuizig waren.

6 In het Nederlands vertaald als:

"Elke Partij voorziet, in overeenstemming met de grondbeginselen van haar rechtsstelsel, in de mogelijkheid slachtoffers geen straf op te leggen voor hun betrokkenheid bij onrechtmatige handelingen indien zij hiertoe gedwongen werden."

7 Kamerstukken II 2007/08, 31429 (R 1855), nr. 3, p. 13.

8 Bureau NRM, Mensenhandel: Zevende rapportage van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel, hoofdstuk 6: Slachtoffers als daders en het non punishment-beginsel.

9 Mensenhandel: Zevende rapportage, p. 229.

10 T.a.p. p. 237.

11 Ibidem.

12 T.a.p. p. 246.