Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP9336

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
09/02800
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP9336
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Unus testis, nullus testis. Art. 342.2 Sv. Het Hof heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom het van oordeel is dat de verklaringen van aangeefsters voldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal. Dat oordeel geeft niet blijk van miskenning van art. 342.2 Sv, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. 2. De opvatting dat (bedreiging met) geweld en/of een andere feitelijkheid niet kan worden gepleegd zowel teneinde het slachtoffer te dwingen tot het ondergaan van seksuele handelingen als teneinde een diefstal gemakkelijk te maken om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, vindt in haar algemeenheid geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/622
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/02800

Mr. Hofstee

Zitting: 15 maart 2011

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verzoeker bij arrest van 2 juli 2009 in de zaak met parketnummer 03-703390-06 wegens 1. mishandeling, '3 primair' poging tot verkrachting en '4 subsidiair' poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid en in de zaak met parketnummer 03-703667-05 wegens 1. verkrachting en 2. diefstal met geweldpleging, veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de teruggave aan verzoeker gelast van de in het bestreden arrest genoemde inbeslaggenomen voorwerpen. Ten slotte heeft het Hof de vorderingen van de twee benadeelde partijen toegewezen en daarbij aan verzoeker een schadevergoedingsmaatregel, subsidiair vervangende hechtenis, opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens verzoeker heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een schriftuur ingezonden houdende vier middelen van cassatie.(1)

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaringen in de zaak met parketnummer 03-703390-06 van 'feit 3 primair' respectievelijk 'feit 4 subsidiair' uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van één getuige (de aangeefster), althans dat die getuigenverklaring onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat de bewezenverklaringen niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed.

4. Onder 'feit 3 primair' heeft het Hof ten laste van verzoeker bewezen verklaard dat:

"hij op 1 juli 2006 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door feitelijkheden [slachtoffer 1] te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1] al fietsend naast die fietsende [slachtoffer 1] een arm om de schouder van [slachtoffer 1] heeft geslagen en [slachtoffer 1] naar zich toe heeft getrokken en zijn, verdachtes, hand tussen de billen van [slachtoffer 1] en het zadel van de fiets, alwaar [slachtoffer 1] op was gezeten, heeft gestoken en met zijn, verdachtes, vingers de vagina van [slachtoffer 1] heeft betast, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid".

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 5 juli 2006 (bewijsmiddel 1), inhoudend de volgende verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 1]:

"Op 1 juli 2006 fietste ik omstreeks 00.30 uur door de Joannesstraat in Geleen. Ik keek achterom en zag een persoon op een fiets achter mij rijden. Ik zag dat die persoon geen verlichting voerde op zijn fiets. Ik zag dat de man naast mij fietste en dat hij zijn rechterarm om mij heen sloeg. Ik voelde zijn rechterhand tegen mijn rechterschouder en ik voelde dat hij mij naar zich toe trok. Ik hoorde dat de man in Limburgs dialect zei: 'Ik wil je wat vragen'.

Ik voelde dat de man van achteren zijn rechterhand tussen mijn billen en het zadel stak. Ik voelde dat hij direct met zijn vingers aan mijn vagina kwam. Ik voelde dat hij met zijn vingers in mijn vagina kwam en dat hij met een of twee vingers vrij snel op en neer bewoog. Hij kon natuurlijk niet echt in mijn vagina komen vanwege mijn rok en mijn onderbroek. Ik vond dit een heel erg smerig gevoel en ik schrok daar hevig van. De man heeft tegen mijn wil, met geweld, ontuchtige handelingen bij mij verricht waardoor ik mij in mijn eerbaarheid aangetast voelde.

Ik schat de man rond de 30 jaar oud, ik denk dat hij ongeveer 1.80 meter lang was. Hij had een mager postuur. Hij had heel kort haar of was helemaal kaal geschoren. Hij had een spitse neus en hij had geen mooie tanden. Hij had, volgens mij, vrij dunne lippen en ingevallen wangen. Hij had lichte ogen.

De volgende dag moest ik mijn verhaal aan iemand kwijt. Ik wilde het van me af praten en ik sprak erover met [betrokkene 1] die in de Joannesstraat te Geleen woont. Nadat ik aan [betrokkene 1] verteld had hoe die man eruit zag, hoorde ik dat [betrokkene 1] vertelde ook een keer in de Joannesstraat te zijn lastig gevallen door een man op een fiets. [Betrokkene 1] kent die man als een zekere [verdachte]."

b. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 juli 2006 (bewijsmiddel 2), inhoudend het volgende relaas van verbalisant [verbalisant 1]:

"Op 31 augustus 2006 heb ik een onderzoek ingesteld, waarbij het volgende is bevonden:

Op maandag 10 juli 2006 werd door [verbalisant 2] (buitengewoon opsporingsambtenaar) een fotoconfrontatie gehouden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt (het hof begrijpt: met nummer 2006088742-3, doorgenummerde pagina's 96 en 97, getuige [slachtoffer 1]).

Naar aanleiding van deze confrontatie heb ik contact opgenomen met collega [verbalisant 2] en ik stelde haar de vraag hoe voorgaande confrontatie was verlopen. [Verbalisant 2] vertelde toen dat de aangeefster bij het zien van de foto's bij vier mogelijk ook wel vijf personen zei [dat] hij op de dader leek. [Verbalisant 2] vertelde verder dat ze de namen van de personen op de foto's verder niet genoteerd had. Wel wist ze zeker dat één van de door aangeefster [slachtoffer 1] aangewezen foto's, de foto van [verdachte] betrof. Dit viel [verbalisant 2] op, omdat de foto van [verdachte] aan de confrontatie was toegevoegd. De aangeefster heeft na de confrontatie ook nog gezegd dat wanneer een van die vier mannen '[verdachte]' heet, hij de dader moet zijn."

6. Voorts bevat de aanvulling op het arrest nog de volgende nadere bewijsoverweging van het Hof:

"Het hof overweegt dat verdachte tijdens de verhoren door de verbalisanten steevast met '[verdachte]' wordt aangesproken, waarbij het naar het oordeel van het hof tevens een feit van a1gemene bekendheid is dat de naam '[verdachte]' een gebruikelijke roepnaam is voor iemand wiens officiële naam '[verdachte]' is."

7. Onder 'feit 4 subsidiair' heeft het Hof ten laste van verzoeker bewezen verklaard dat:

"hij op 22 juli 2006 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door feitelijkheden [slachtoffer 2] te dwingen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen al fietsend naast die fietsende [slachtoffer 2] is gaan rijden en [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en naar zich toe heeft getrokken en [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: 'Heb je zin' en [slachtoffer 2] aan haar haren heeft vast gepakt en in die haren heeft geknepen en zijn, verdachtes, hand in de nek van [slachtoffer 2] heeft gelegd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid".

8. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

a. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 22 juli 2006 (bewijsmiddel 1), inhoudend de volgende verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 2]:

"Ik doe aangifte ter zake poging tot aanranding gepleegd te Geleen op 22 juli 2006.

Vannacht, 22 juli 2006, omstreeks 01.50 uur, (het hof begrijpt: fietste ik) te Geleen de Geenstraat in. Ter hoogte van de basisschool de Drossaert bemerkte ik dat er iemand achter mij fietste. Ik keek achter mij en zag dat deze persoon geen licht op zijn fiets voerde. De persoon die achter mij fietste kwam naast mij fietsen. Ik hoorde dat hij zei: 'Mag ik je iets vragen'. Ik voelde dat hij mij aanraakte met zijn rechterhand op mijn rechter zij en ik voelde dat hij mij vastpakte en naar zich toe trok. Ik hoorde dat hij vervolgens aan mij vroeg: 'Heb je zin'. Vervolgens voelde ik dat de persoon mijn haar stevig vastpakte en in mijn haar kneep. Op een bepaald moment legde hij zijn hand in mijn nek. Ik ben vervolgens uit angst hard gaan gillen. Ik merkte dat de man mijn haar en nek losliet. Ik heb naar huis gebeld. Nadat ik thuis kwam is mijn vader in de omgeving gaan kijken of hij de man aantrof.

Ik kan de persoon als volgt beschrijven: Het was een manspersoon, ongeveer 25 jaar oud, mager, slungelachtig type, kort gemilimeterd blind (het hof begrijpt: b1ond) haar, donkere ogen. Zijn oren zagen er raar uit. Hij was gekleed in een donkerblauw overhemd."

b. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 22 juli 2006 (bewijsmiddel 2), inhoudend de volgende verklaring van getuige [betrokkene 2], de vader van het slachtoffer:

"Vandaag, 22 juli omstreeks 0l.55 uur schreeuwde mijn dochter [slachtoffer 2] door de telefoon dat zij zojuist was lastig gevallen door een man. Nadat ik me had aangekleed ging ik naar beneden en opende de voordeur. Inmiddels was mijn dochter [slachteroffer 2] bij de voordeur aangekomen. [Slachtoffer 2] vertelde dat de man haar had lastig gevallen op de Geenstraat te Geleen. Ik vroeg aan [slachtoffer 2] het signalement van de persoon. Zij antwoordde dat de persoon een blauw T-shirt zou dragen. Ik ben gaan kijken of ik die persoon zag. Ik ben gaan rondkijken op de Geenstraat. Ik zag een mij onbekende persoon over de Geenstraat fietsen. Ik heb niet gezien dat deze fiets licht voerde. Ik ben vervolgens achter deze man aangegaan. Ik besloot de man aan te spreken. Ik rook dat de man naar alcohol rook. Ik ben vervolgens weer naar huis gereden. Ik vroeg aan [slachtoffer 2] of die man een blauw T-shirt droeg of dat dit een blauw overhemd was. [Slachtoffer 2] antwoordde dat dit een blauw overhemd was. Ik realiseerde mij toen meteen dat ik met de dader gesproken had. Het was een man in de leeftijd van ongeveer 30 jaar oud, slank mager postuur, blond stekeltjes haar, afstaande flaporen. Hij was gekleed in een spijkerbroek en een blauwe blouse."

c. Een proces-verbaal van samenstellen van een fotoconfrontatie d.d. 26 juli 2006 (bewijsmiddel 3), inhoudend - voor zover relevant - het volgende relaas van verbalisant [verbalisant 3]:

"Naar aanleiding van het door de getuige verstrekte signalement selecteerde ik 14 verdachtenfoto's. Vervolgens toonde ik de getuige [slachtoffer 2] de fotoselectie. Ik zag dat de getuige bij het zien van foto 4 emotioneel werd. De getuige verklaarde vervolgens tegenover mij: 'Dat is hem. Hij is de man geweest die mij op de fiets heeft vastgepakt.' De door de getuige aangewezen foto is in het herkenningsdienstsysteem opgenomen onder [de] naam:

[verdachte], geboren [geboortedatum]/1967 te [geboorteplaats].(...)"

d. Een proces-verbaal van samenstellen van een fotoconfrontatie d.d. 31 juli 2006 (bewijsmiddel 4), inhoudend - voor zover relevant - het volgende relaas van verbalisant [verbalisant 3]:

"Naar aanleiding van een ingesteld onderzoek is een mogelijke verdachte bekend geworden. Daarnaast heb ik 7 foto's geselecteerd die op deze persoon lijken. Met deze selectie heb ik een fotomap samengesteld. Vervolgens toonde ik getuige [betrokkene 2] de fotomap. Ik zag dat de getuige commentaar gaf bij het zien van foto 3. De getuige verklaarde vervolgens tegenover mij: 'Die is het.'

Bij deze fotoconfrontatie had de foto van de verdachte het nummer 3. De door de getuige aangewezen foto is in het herkenningsdienstsysteem opgenomen onder de naam:

(...)

Naam: [verdachte];

Voornamen: [voornamen];

Geboren: [geboortedatum]/1967;(...)".

9. Voorts bevat het bestreden arrest - voor zover relevant - nog de volgende bijzondere bewijsoverwegingen van het Hof:

"De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof besloten om de bewijsmiddelen in de gelijktijdig, doch niet gevoegde strafzaak tegen verdachte onder parketnummer: 20-003670-08(2) te voegen in de onderhavige strafzaak (en omgekeerd). Dit gegeven brengt met zich mee, dat het hof de beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, tevens kan - en zal - doen steunen op de laatstbedoelde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd met de bewijsmiddelen van de onderhavige strafzaak. Het hof merkt met name op, dat in de tegen de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangebrachte (zeden)zaken sprake is van een hoge mate van overeenstemming in de wijze waarop de slachtoffers in die zaken door de dader zijn benaderd en behandeld.

Deze vergelijkbare 'werkwijze' bestaat veelal in het zich in de nachtelijke uren per fiets, al dan niet verlicht, verplaatsen in steeds dezelfde omgeving om - na achtervolging - de vrouwelijke slachtoffers, die ook op de fiets zijn, aan te spreken, waarbij de verdachte steeds vergelijkbare openingszinnen gebruikte en de desbetreffende vrouwen voorts onzedelijk betastte, dan wel op de een of andere manier aanraakte. Een andere voor verdachte kenmerkende 'werkwijze' is het in de nachtelijke uren belagen van vrouwelijke slachtoffers in een lift van een flat, waarbij de lift door verdachte werd stopgezet, de vrouwelijke slachtoffers van hun vrijheid werden beroofd en ten slotte op een vergelijkbaar gewelddadige wijze werden verkracht en mishandeld door verdachte.(...)"

10. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige ('unus testis nullus testis'). Deze bepaling strekt ertoe de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Juist is de constatering in de toelichting op het middel dat het leerstuk van het wettelijk bewijsminimum nogal eens kritisch wordt besproken in de vakliteratuur, ook in het licht van de desbetreffende rechtspraak van de Hoge Raad. Daarbij dient wel de kanttekening te worden gemaakt dat de rijke en gevarieerde casuïstiek binnen de rechtspraak ertoe heeft geleid dat, zoals de Hoge Raad terecht heeft geoordeeld(3), de vraag of en wanneer aan het bewijsminimum 'van' art. 342, tweede lid, Sv is voldaan zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar telkens een beoordeling van het concrete geval vergt.(4)

11. Het voorgaande dient slechts als achtergrond voor mijn nu volgende betoog dat in de onderhavige zaak niet kan worden gezegd dat de tot het bewijs van de ten laste gelegde feiten '3 primair' (poging tot verkrachting) en '4 subsidiair' (poging tot feitelijke aanranding van de eerbaarheid) gebruikte verklaringen van de respectieve aangeefsters onvoldoende steun vinden in het overige gebezigde bewijsmateriaal en de nadere c.q. bijzondere bewijsoverwegingen van het Hof. Anders dan in (de toelichting op) het middel wordt gesteld, is naar het mij voorkomt geen sprake van schending van art. 342, tweede lid, Sv. Ik neem daarbij in het bijzonder de volgende beschouwingen (12-17) in aanmerking.

12. Om te beginnen stel ik vast dat het Hof de bewezenverklaring van 'feit 3 primair' heeft doen steunen op i) twee bewijsmiddelen - te weten een proces-verbaal van aangifte en een proces-verbaal van bevindingen -, ii) een nadere bewijsoverweging in de aanvulling op het arrest die een, in de woorden van het Hof en in het middel niet bestreden, feit van algemene bekendheid vormt ([verdachte] is een gebruikelijke roepnaam voor [verdachte]) en iii) de bijzondere bewijsoverweging in het bestreden arrest die - kort gezegd - een schakelbewijs inhoudt vanwege de frappante gelijkenis van de verklaringen van de slachtoffers met elkaar omtrent de modus operandi van verzoeker. Wellicht lijkt op het eerste gezicht de bewezenverklaring van 'feit 3 primair' in te druisen tegen de 'unus testis nullus testis'-regel: het eerste bewijsmiddel bevat de verklaring van het slachtoffer, het tweede bewijsmiddel betreft de fotoconfrontatie met het slachtoffer en de nadere bewijsoverweging van het Hof houdt een feit van algemene bekendheid in. Hierop kom ik straks terug.

13. Eerst merk ik nog op dat ten aanzien van het bewezen verklaarde 'feit 4 subsidiair' men bezwaarlijk kan stellen dat sprake is van schending van de 'unus testis nullus testis'-regel. Hier steunt de bewezenverklaring op onder meer twee verschillende bewijsmiddelen: de verklaring van het slachtoffer, waarbij ik mede de fotoherkenning door haar betrek, en de verklaring van haar vader.

14. Het Hof heeft de bewezenverklaring van 'feit 3 primair' niet enkel doen steunen op de twee bewijsmiddelen, maar het anders opengebleven gat gedicht door in de bewijsvoering daarvan een feit van algemene bekendheid te betrekken en vooral ook door te overwegen dat de modus operandi van verzoeker bij de bedoelde feiten belangrijke overeenkomsten vertoont. Het Hof heeft immers vastgesteld dat in de tegen verzoeker "ter terechtzitting in hoger beroep aangebrachte (zeden)zaken sprake is van een hoge mate van overeenstemming in de wijze waarop de slachtoffers in die zaken door de dader zijn benaderd en behandeld". Tot dit oordeel is het Hof zonder miskenning of schending van enige rechtsregel kunnen komen.(5)

15. Voorts heeft het Hof in het bijzonder met redenen aangegeven waarin die vergelijkbare 'werkwijze' dan veelal bestond, te weten: het zich in de nachtelijke uren (00.30 uur resp. 1.50 uur) per fiets, al dan niet verlicht (uit beide aangiftes blijkt: onverlicht), verplaatsen in steeds dezelfde omgeving (Joannesstraat resp. Geenstraat te Geleen(6)) om - na achtervolging - de vrouwelijke slachtoffers, die alleen en ook op de fiets zijn, aan te spreken, waarbij de verdachte steeds vergelijkbare openingszinnen gebruikte ("Ik wil je wat vragen" respectievelijk "Mag ik je iets vragen") en de deze vrouwen voorts onzedelijk betastte, dan wel op de een of andere manier aanraakte (uit beide aangiftes blijkt dat verzoeker de slachtoffers eerst naar zich toetrok).

16. Verder wordt het door het slachtoffer [slachtoffer 1] ('feit 3 primair') opgegeven signalement van de dader bevestigd door de overeenstemmende persoonsbeschrijvingen die het slachtoffer [slachtoffer 2] en haar vader ('feit 4 subsidiair') hebben gegeven. Het slachtoffer [slachtoffer 1] beschrijft de dader als volgt: man, rond 30 jaar oud, ongeveer 1.80 meter lang, mager postuur, kort of kaalgeschoren haar. Het slachtoffer [slachtoffer 2] geeft de volgende omschrijving: manspersoon, ongeveer 25 jaar oud, mager en slungelachtig type, kort gemillimeterd blond haar, waarbij zij nog opmerkt dat zijn oren er raar uitzagen en hij gekleed was in een donkerblauw overhemd. De vader van het slachtoffer [slachtoffer 2], die zelf met de - toen over de Geenstraat fietsende - persoon had gesproken, geeft nog het volgende signalement op: man, ongeveer 30 jaar oud, slank mager postuur, blond stekeltjes haar, afstaande flaporen, gekleed in een blauwe blouse.

17. Gelet op de vergelijkbare modus operandi, de overeenstemmende persoonsbeschrijvingen en de fotoherkenningen - in onderling verband en samenhang bezien - kan het oordeel van het Hof dat verzoeker de beide feiten heeft begaan worden afgeleid uit de verklaringen van de aangeefsters en het ondersteunende overige bewijsmateriaal. De bewezenverklaringen van 'feit 3 primair' en 'feit 4 subsidiair' zijn derhalve naar de eis der wet met voldoende redenen omkleed.

18. Het eerste middel faalt.

19. Het tweede middel klaagt dat het onder feit 2 in de zaak met parketnummer 03-703667-05 bewezen verklaarde niet uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, nu daaruit niet zonder meer kan volgen dat verzoeker de goederen heeft weggenomen, zodat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

20. Onder feit 2 heeft het Hof ten laste van verzoeker bewezen verklaard dat:

"hij op 13 december 2005 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een gsm, een beurs, een pakje sigaretten en een aansteker, toebehorende aan [slachtoffer 3], welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- [slachtoffer 3] in een door hem, verdachte, stopgezette lift heeft vastgehouden, en (vervolgens) in die lift

- [slachtoffer 3] op de grond heeft gegooid en

- [slachtoffer 3] bij de keel/nek heeft vastgepakt en

- zijn, verdachtes, hand op de mond van [slachtoffer 3] heeft gehouden en

- [slachtoffer 3] meermalen heeft geslagen en geschopt (tegen het hoofd) en meer van zijn, verdachtes, vingers in de keel van [slachtoffer 3] heeft gestoken en

- [slachtoffer 3] de woorden heeft toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat zij niet mocht schreeuwen anders zou hij, verdachte, haar vermoorden".

21. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:

a. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 14 december 2005 (bewijsmiddel 1), inhoudend voor zover relevant de volgende verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 3]:

"(...)

Tussendoor heeft hij mijn tas leeggemaakt. In mijn tas zat onder meer mijn GSM, een pakje Belinda sigaretten die in een etui zaten, waar ook een aansteker bij zat. Het is een zwarte portemonnee met twee of drie ritssluitingen. Daar zaten twee briefjes van 50 en een briefje van 20 en een briefje van 5 euro in. Verder een stuk of l0 munten van 2 euro. Ik neem aan dat hij in mijn tas ging rommelen, nadat hij de eerste keer klaargekomen was.(...)"

b. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 december 2005 (bewijsmiddel 9), inhoudend het volgende relaas van verbalisant [verbalisant 4]:

"Op donderdag 15 december 2005 ben ik, [verbalisant 4], inspecteur van politie, tevens hulpofficier van justitie, met schriftelijke toestemming van verdachte/bewoner de woning binnengetreden aan [adres], zulks ter inbeslagneming.

In de woning werd in beslaggenomen:

Een beurs, inhoudende voor 100 euro aan bankbiljetten (1 x 50 euro, 1 x 20 euro, 2 x 10 euro en 2 x 5 euro). Uit een bakje op het buro: 8 x 2 euro munten."

22. Uit de inhoud van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen volgt slechts dat: - verzoeker in de tas van het slachtoffer had 'gerommeld' en deze had 'leeggemaakt'; - in die tas onder meer zat: een gsm, een beurs, een pakje sigaretten en een aansteker; - in die beurs een aantal bankbiljetten en munten zaten; - in de woning van verzoeker een beurs, inhoudende een aantal banbiljetten, en een aantal munten in beslag zijn genomen.

23. Nu uit het proces-verbaal van bevindingen (onder b) niet blijkt dat de in de woning aangetroffen en in beslag genomen goederen dezelfde betreffen als die waarover het slachtoffer in haar aangifte heeft verklaard (onder a), kan naar mijn mening niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat verzoeker de desbetreffende goederen ook daadwerkelijk heeft 'weggenomen'. De bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde is derhalve onvoldoende naar de eis der wet met redenen omkleed.

24. Het tweede middel slaagt.

25. Het derde middel klaagt dat het arrest van het Hof innerlijk tegenstrijdig is, nu het Hof in de zaak met parketnummer 03-703667-05 bij het onder feit 2 (diefstal met geweld) bewezen verklaarde exact dezelfde gedragingen en handelingen van verzoeker heeft bewezen geacht als de gedragingen en handelingen waarin het geweld, een andere feitelijkheid en de bedreiging met geweld inzake de bewezen verklaarde verkrachting hebben bestaan.

26. De bewezenverklaring van feit 2 is hiervoor bij de bespreking van het tweede middel reeds weergegeven (zie punt 20). Onder feit 1 in de zaak met parketnummer 03-703667-05 heeft het Hof ten laste van verzoeker bewezen verklaard dat:

"hij op 13 december 2005 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, door geweld en een andere feitelijkheid en bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 3], te weten het duwen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van [slachtoffer 3] en het duwen van zijn, verdachtes, penis in de anus van [slachtoffer 3] en bestaande dat geweld en die andere feitelijkheid en bedreiging met geweld hierin dat verdachte,

- [slachtoffer 3] in een door hem, verdachte, stopgezette lift heeft vastgehouden, en (vervolgens) in die lift

- [slachtoffer 3] op de grond heeft gegooid en

- [slachtoffer 3] bij de keel/nek heeft vastgepakt en

- zijn, verdachtes, hand op de mond van [slachtoffer 3] heeft gehouden en

- [slachtoffer 3] meermalen (met vuisten) heeft geslagen en/of geschopt (tegen het hoofd) en

- meer van zijn, verdachtes, vingers in de keel van [slachtoffer 3] heeft gestoken en

- [slachtoffer 3] de woorden heeft toegevoegd - zakelijk weergegeven - dat zij niet mocht schreeuwen anders zou hij, verdachte, haar vermoorden en

- de onderbroek van [slachtoffer 3] heeft uitgetrokken,

en aldus voor [slachtoffer 3] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan".

27. Het middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, berust op de opvatting dat een verdachte niet bepaalde (gewelddadige) gedragingen kan plegen met het doel een slachtoffer te dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van dat slachtoffer, terwijl hij tegelijkertijd diezelfde (gewelddadige) gedragingen pleegt met het oogmerk om diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken. Die opvatting vindt geen steun in het recht, nu zeer wel denkbaar is dat een verdachte één en dezelfde handeling verricht met twee uiteenlopende bedoelingen, welke handeling (in combinatie met andere handelingen) dan dus twee verschillende bewezenverklaringen van strafbare feiten kan opleveren, in casu: verkrachting én diefstal met geweld. Zoals de steller van het middel zelf reeds aanvoelt, is, in de woorden van De Hullu, volgens vaste rechtspraak hier "het bestaan van meerdere motieven en zelfs van een bepaalde rangorde daarin strafrechtelijk niet zo relevant".(7)

28. Anders dan het middel stelt, bevat het bestreden arrest geen innerlijke tegenstrijdigheid.

29. Subsidiair behelst het middel de klacht dat uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat (de bedreiging met) het geweld is aangewend als middel om de onder feit 2 ten laste gelegde diefstal mogelijk of succesvol te maken.

30. Hoewel ik hiervoor bij de bespreking van het tweede middel heb geconcludeerd dat de bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde onvoldoende met redenen is omkleed, omdat niet blijkt dat verzoeker de goederen heeft 'weggenomen', wil ik ten aanzien van de subsidiaire klacht niet onbesproken laten dat ik tot een andersluidende slotsom kom.

31. Voor de beoordeling van de subsidiaire klacht is de volgende passage in het proces-verbaal van aangifte d.d. 14 december 2005 (bewijsmiddel 1), inhoudende de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 3], van belang (de reeds hiervoor onder punt 21 a geciteerde passage maakt hiervan deel uit):

"(...)

Nadat de lift omhoog ging, drukte hij tussen de 3e en 5e verdieping op de noodrem. Ik hoorde een klik en wist toen dat het de noodrem was, omdat de lift gelijk stopte.

Hij heeft me toen tegen de grond gegooid. Hij had me al in de houdgreep en hij heeft me met zijn arm om mijn nek vastgepakt. Ik kon de lift niet meer omhoog laten gaan. Hij pakte me bij mijn nek vast en drukte me naar beneden met mijn gezicht tegen de grond. Ik was op mijn buik terechtgekomen. Toen ik op de grond lag, begon hij mij te schoppen en te slaan. Op dat moment deed hij net even zijn hand weg voor mijn mond, daarom kon ik schreeuwen. Hij deed toen zijn hand weer voor mijn mond en zei: 'als je nog eens schreeuwt, dan vermoord ik je'. Toen hij me om mijn keel had vastgepakt deed hij meteen zijn hand voor mijn mond. Op dat moment deed hij ook nog een vinger achter in mijn keel. Mijn gebit ging schuiven en toen dacht ik, nu ben je er geweest. Ik heb een verwonding aan de binnenzijde van mijn mond. Dat is door het slaan en door die vinger in mijn keel gekomen. Ik lag op mijn knieën met mijn hoofd op de grond. Ik hoorde dat hij de rits van zijn broek opendeed. Hij zette zijn knieën op de achterzijde van mijn benen, die hij uit elkaar had gedaan. Ik hoorde een plastic zakje ritselen en ik vermoed dat hij een condoom gebruikt heeft. Hij probeerde met zijn penis in mijn vagina te komen, dat lukte niet. Toen heeft hij het met een vinger geprobeerd. Het voelde niet aan als een blote vinger, daarom denk ik dat hij handschoenen aanhad. Ik hield mijn vagina dicht, daarom lukte het hem niet om met zijn penis in mijn vagina te komen. Ik voelde daarna dat hij met een vinger in mijn vagina ging. Hij stak die zover naar binnen en zo hard, dat het pijn deed. Hij bewoog hard op een neer met die vinger. Ik had een broek en onderbroek aan en die heeft hij afgetrokken op het moment dat ik op mijn knieën zat. Die man had zoveel kracht en ik was zo overdonderd, dat ik de kracht niet had om me te verzetten. Mijn onderbroek en broek zijn op mijn knieën blijven zitten. Nadat hij die vinger in mijn vagina had gestoken, heeft hij geprobeerd om zijn penis in mijn anus te steken, en dat is hem gelukt. Hij ging meer dan een keer op en neer. Hij heeft met tussenpozen zijn penis in mijn anus gedaan.

Tussendoor heeft hij mijn tas leeggemaakt. In mijn tas zat onder meer mijn GSM, een pakje Belinda sigaretten die in een etui zaten, waar ook een aansteker bij zat. Het is een zwarte portemonnee met twee of drie ritssluitingen. Daar zaten twee briefjes van 50 en een briefje van 20 en een briefje van 5 euro in. Verder een stuk of l0 munten van 2 euro. Ik neem aan dat hij in mijn tas ging rommelen, nadat hij de eerste keer klaargekomen was.

Ik lag nog met mijn hoofd op de grond, zodra ik even bewoog stampte hij mij tegen mijn hoofd of in mijn gezicht. Met zijn schoenen, maar ook met zijn vuisten.(...)"

32. Uit deze passage in het proces-verbaal van aangifte blijkt in voldoende mate dat verzoeker (de bedreiging met) het geweld heeft aangewend als middel om de ten laste gelegde diefstal mogelijk of succesvol te maken. Het door verzoeker toegepaste geweld jegens het slachtoffer, dat zich - zoals zij zelf heeft verklaard - niet meer kon verweren, stelde hem immers in staat om in de tas van het slachtoffer te rommelen en deze leeg te maken. Als - na eventuele vernietiging van het arrest en terugwijzing - zou kunnen worden bewezen verklaard dat verzoeker de desbetreffende goederen ook daadwerkelijk heeft 'weggenomen', dan is de bewezenverklaring op het onderhavige punt in ieder geval voldoende met redenen omkleed.

33. Het derde middel faalt.

34. Het vierde middel klaagt dat de redelijke inzendingstermijn in cassatie is overschreden.

35. Dit middel laat ik onbesproken, nu ik zal concluderen tot gedeeltelijke vernietiging van het bestreden arrest. Een eventuele overschrijding van de redelijke termijn kan dan bij de nieuwe behandeling van de zaak door het Gerechtshof aan de orde worden gesteld.(8)

36. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend voor wat betreft de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 03-703667-05 onder feit 2 ten laste gelegde, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde haar in zoverre opnieuw te berechten en af te doen. Voor het overige dient het cassatieberoep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Deze zaak hangt samen met de zaak met griffienummer 09/03096 waarin ik heden eveneens concludeer.

2 Dit betreft de in voetnoot 1 genoemde samenhangende strafzaak tegen verzoeker.

3 HR 26 januari 2010, LJN BK2094, NJ 2010, 512, m.nt. M.J. Borgers.

4 Wel valt een zekere differentiatie te maken naar de aard van het ten laste gelegde feit (bijvoorbeeld de categorie van zedendelicten) en naar de persoon van het slachtoffer (jeugdige kinderen).

5 Vgl. HR 14 maart 2006, LJN AU5496, NJ 2007, 345 (r.o. 6.3.2).

6 Volgens Google maps bedraagt de afstand tussen de Joannesstraat en de Geenstraat circa 1 km.

7 J. de Hullu, Materieel strafrecht, vierde druk, 2009, p. 246, waarin wordt verwezen naar HR 21 februari 1938, NJ 1938, 929 m.nt. Pompe.

8 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358 (r.o. 3.5.3).