Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP7997

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
10/04273
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP7997
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Art. 350 en 351 F. Niet-ontvankelijk verklaard beroep tegen beëindiging toepassing schuldsaneringsregeling zonder schone lei; verschoonbare termijnoverschrijding? (81 RO)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/396
JWB 2011/142
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/04273

Mr. L. Timmerman

Parket: 21 januari 2011

Conclusie inzake:

1. [Verzoeker 1]

2. [Verzoekster 2]

verzoekers tot cassatie

Verkorte conclusie

1.1 Bij vonnis van 4 augustus 2010 heeft de rechtbank Amsterdam ten aanzien van [verzoeker] c.s. de toepassing van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei beëindigd.

1.2 Bij fax van 18 augustus 2010 zijn [verzoeker] c.s. in hoger beroep gekomen van deze beslissing van de rechtbank. Het hof heeft de zaak ter zitting van 14 september 2010 behandeld. Bij arrest van 21 september 2010 heeft het hof [verzoeker] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in het door hen ingestelde beroep, omdat het beroepschrift niet binnen de wettelijke termijn is ingediend en er geen sprake is van een verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn.

1.3 Tegen dit arrest hebben [verzoeker] tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld.

1.4 Het verzoekschrift bevat één cassatiemiddel.

Het middel klaagt - in de kern - dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtstoepassing en haar beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd. Het hof miskent dat een verschoonbare termijnoverschrijding enkel mogelijk zou zijn wanneer de rechtbank bepaalde mededelingen over bepaalde termijnen achterwege zou gelaten hebben. Het hof miskent tevens het specifieke karakter van partijen, nu zij zonder advocaat of juridische bijstand de procedure bij de rechtbank hebben gevoerd. Volgens het middel is er wel sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding aan de zijde van [verzoekers] nu de rechtbank de beschikking niet aangetekend verstuurd heeft.

1.5 Het middel faalt. Het is vaste rechtspraak dat in het belang van een goede rechtspleging omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie aanvangt (en eindigt), duidelijkheid dient te bestaan en dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden(2). In de beschikking van 28 november 2003, NJ 2005, 465(3) heeft de Hoge Raad een uitzondering gerechtvaardigd geacht op de strikte toepassing van de beroepstermijn ingeval degene die hoger beroep of cassatie instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) het kantongerecht, de rechtbank of het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist of redelijkerwijs kon weten dat de rechter een beschikking had gegeven en de beschikking hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt. De Hoge Raad heeft beslist dat van een dergelijk niet tijdig weten of redelijkerwijs niet kunnen weten geen sprake is indien de betrokkene aanwezig was tijdens de mondelinge behandeling en hem toen is medegedeeld dat op een bepaalde datum uitspraak zou worden gedaan(4). In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld - en is in cassatie niet bestreden - dat [verzoeker] c.s. ter zitting van de rechtbank van 28 juli 2010 aanwezig zijn geweest en op die zitting is medegedeeld dat de uitspraak een week na de zitting zou worden gedaan. Op grond van deze vaststelling kan niet worden gezegd dat [verzoeker] c.s. niet wisten of redelijkerwijs niet konden weten dat het vonnis op 4 augustus 2010 zou worden uitgesproken. Het zonder procesvertegenwoordiging procederen komt voor risico van partijen en kan er niet toe leiden dat de rechtbank beslissingen per aangetekende post dient te versturen.

2. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 29 september 2010, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw in verbinding met art. 354 lid 1 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.

2 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 40.

3 LJN: AN8489.

4 HR 10 juni 2005, LJN: AT1097, NJ 2005, 372.