Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP6583

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
10/00360 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP6583
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. ’s-Hofs oordeel, dat op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat de in de bewezenverklaring genoemde huiden een legale herkomst hebben en dat de stukken die de raadsman heeft overgelegd daartoe ontoereikend zijn, is gelet op hetgeen door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd en op de inhoud van door de raadsman overgelegde stukken, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/1016
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/00360 E

Mr. Machielse

Zitting 22 februari 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 22 april 2009 wegens "Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet" veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

2. De verdachte heeft cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. J.L.J.M. van de Mortel, advocaat te Leidschendam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel klaagt over de verwerping van het verweer dat het tenlastegelegde geen strafbaar feit oplevert.

3.2. Aan de verdachte is -kort gezegd- overtreding van art. 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet tenlastegelegd. Het Hof heeft bewezenverklaard dat:

"hij op 13 juli 2007, te Nieuwerbrug, gemeente Bodegraven, opzettelijk producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten:

- 39 huiden (met bevedering) van waterhoenen (Gallinula Chloropus) en

- 22 huiden (met bevedering) van gaaien (Garrulus Glandarius),

onder zich heeft gehad."

3.3. De raadsman van de verdachte heeft in hoger beroep bepleit dat dit geen strafbaar feit oplevert. Het Hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat het tenlastegelegde geen strafbaar feit oplevert - naar het hof begrijpt - omdat het verbod waar het hier om gaat niet van toepassing is door het bestaan van feiten die vrijstellen van het verbod en door het primaat van EG-regelingen van vrij verkeer, immers de in de tenlastelegging bedoelde dierenhuiden zouden legaal zijn verkregen van leveranciers in Nederland of een andere EG-lidstaat (Verenigd Koninkrijk) voor de slacht en voor preparatie.

Het hof verwerpt dit verweer. Op geen enkele wijze is een feitelijkheid die ziet op de legale herkomst van de huiden aannemelijk geworden, noch ook een andere feitelijkheid om die huiden legaal voorhanden te hebben. De stukken die de raadsman heeft overgelegd zijn daartoe ontoereikend. Hetgeen de raadsman overigens als grondslag voor zijn verweer heeft bedoeld aan te voeren, kan dat verweer evenmin dragen."

3.4. De steller van het middel wijst erop dat het Hof met deze verwerping miskent dat de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de herkomst van de gaaien en waterhoenen kan aantonen met een brief van [A] Ltd van 4 februari 2008. Nu het Hof deze verklaring onbesproken laat en niet waardeert, is de verwerping van het verweer onvoldoende met redenen omkleed. Het Hof heeft daarmee tevens de bewijslast ter zake de legale herkomst van de huiden omgekeerd. Het Hof heeft tenslotte miskend dat het slechts tot een bewezenverklaring had mogen komen als bewezen zou kunnen worden dat de huiden een illegale herkomst hadden.

3.5. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:

- art. 4 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw):

"1. Als beschermde inheemse diersoort worden aangemerkt:

(...)

b. alle van nature op het Europese grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met uitzondering van gedomesticeerde vogels behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten; (...)"

- art. 13, eerste lid, Ffw:

"1. Het is verboden:

a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort,

(...)

te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben."

De Flora- en faunawet opent de mogelijkheid dat in bepaalde situaties alle of sommige verplichtingen van artikel 13, eerste lid, Ffw niet gelden. De wet kent in de eerste plaats een aparte titel over de jacht op wild. De jacht is de activiteit strekkende tot het bemachtigen, doden of met het oog daarop opsporen van wild alsmede het doen van pogingen daartoe (artikel 1 Ffw). Artikel 31 van de wet staat het jagen op wild toe, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. In artikel 32 Ffw wordt de verzameling 'wild' uitputtend ingevuld door het aanwijzen van diersoorten. Artikel 10 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (Stb. 2000, 525, gewijzigd bij Stb. 2004, 501) (hierna: het Besluit) bepaalt dat de verboden van het eerste lid van artikel 13 Ffw onder bepaalde voorwaarden niet gelden ten aanzien van producten van wild:

"De verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van producten van wild:

a. gedurende het tijdvak van de opening tot en met de tiende dag na de sluiting van de jacht op dat wild, dan wel;

b. gedurende het tijdvak vanaf de elfde dag na de sluiting tot de opening van de jacht op dat wild,

indien de houder van de betrokken producten kan aantonen dat deze zijn verworven overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk V, titel II, van de wet, dan wel op geoorloofde wijze elders dan in Nederland zijn verkregen."

Producten van wild die afkomstig zijn uit het buitenland en daar legaal zijn verkregen vallen dus niet onder het verbod van het eerste lid van artikel 13 Ffw.(1) Maar de Vlaamse gaai en het waterhoen zijn in artikel 32 Ffw niet genoemd als wildsoorten.

Op Titel II die de jacht betreft volgt Titel III met de naam "Vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen". Die titel kent een Afdeling 1 die in drie paragrafen is verdeeld. De eerste paragraaf draagt de titel "Kievitseieren", de tweede "Het prepareren" en de derde "Beheer en bestrijding van schade".Van die laatste paragraaf maakt art. 65 deel uit:

- art. 65 Ffw:

"1. Bij algemene maatregel van bestuur worden beschermde inheemse diersoorten aangewezen, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen soorten die:

a. in het gehele land schade aanrichten;

b. in delen van het land schade aanrichten.

2. Slechts wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid worden gedaan ter voorkoming van:

a. belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren, of

b. schade aan de fauna.

(...)"

Het Besluit van 28 november 2000, Stb. 2000, 521 (Besluit beheer en schadebestrijding dieren) is de algemene maatregel van bestuur waarnaar het eerste lid van artikel 65 Ffw verwijst. De beschermde inheemse diersoorten die in het gehele land schade aanrichten zijn genoemd in Bijlage 1 bij het Besluit, de diersoorten die in delen van het land schade aanrichten in Bijlage 2. Ten aanzien van de aangewezen schadelijke soorten mag de schade die deze dieren aanrichten worden voorkomen door bijvoorbeeld deze dieren te doden, hun nesten te vernielen et cetera. De Vlaamse gaai en het waterhoen zijn op geen van beide lijsten vermeld.

Na Afdeling 1 is Afdeling 2 opgenomen, genaamd "Overige vrijstellingen en ontheffingen". Artikel 75 maakt deel uit van Afdeling 2 en heeft de volgende inhoud:

- art. 75 Ffw:

"1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, vrijstelling worden verleend van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 18 bepaalde verboden.(...)"

De op artikel 75 lid 1 Ffw berustende algemene maatregel van bestuur is het Besluit van 28 november 2000, Stb. 2000, 525 (Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten).

- art. 11 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten luidt als volgt:

"1. De verboden op het onder zich hebben en vervoeren van producten van dieren, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, voorzover deze producten afkomstig zijn van bij ministeriële regeling aangewezen dieren, indien de houder van de betrokken producten kan aantonen dat deze zijn verworven overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk V, titel III, afdeling 1, paragraaf 3, van de wet.

2. De verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, voorzover deze producten afkomstig zijn van bij ministeriële regeling aangewezen dieren, indien de houder van de betrokken producten kan aantonen dat deze zijn verworven overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk V, titel III, afdeling 1, paragraaf 3, van de wet, dan wel op geoorloofde wijze elders dan in Nederland zijn verkregen."

Bijlage 2 als die is bedoeld in art. 11, eerste lid, van het Besluit vrijstelling noemt onder meer de (Vlaamse) gaai (garrulus glandarius) en het waterhoen (gallinula chloropus). In Bijlage 3, bedoeld in art. 11, tweede lid, van het Besluit vrijstelling, komen de gaai en het waterhoen niet voor. De artikelen 65 tot en met 74a Ffw vormen tesamen de in beide leden genoemde paragraaf 3 (Beheer en bestrijding van schade).(2)

Dat de Vlaamse gaai en het waterhoen wel voorkomen in Bijlage 2, maar niet in Bijlage 3 is relevant. Als producten van dieren van Bijlage 3 op geoorloofde wijze in het buitenland zijn verkregen is artikel 13 Ffw niet van toepassing. Voor producten van dieren die zijn vermeld in Bijlage 2 is zo'n uitzondering niet geformuleerd.

3.6. De Nota van Toelichting bij het Besluit vrijstelling houdt onder meer het volgende in:

- als algemene toelichting:

"In hoofdstuk V, titel III, afdeling 1, van de wet zijn regels neergelegd voor het verlenen van bijzondere vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen. Deze betreffen het zoeken en rapen van kievitseieren, het prepareren van dieren, het beheer van dieren en de bestrijding van schade veroorzaakt door dieren. Afdeling 2 van titel III van hoofdstuk V bevat een basis voor het verlenen van overige vrijstellingen en ontheffingen. In dit kader maakt artikel 75 van de wet het mogelijk vrijstelling of ontheffing te verlenen van de wettelijke verboden, genoemd in hoofdstuk III van de wet, indien hiervoor niet op basis van een ander, bijzonder artikel van de wet vrijstelling of ontheffing kan worden verleend.

In afdeling 3 van titel III van hoofdstuk V van de wet zijn verdere bepalingen inzake vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen neergelegd.

Het onderhavige besluit strekt ertoe op grond van artikel 75 van de wet een aantal vrijstellingen te verlenen."

- als toelichting op art. 10(3) en 11:

"De artikelen 10 en 11 bevatten vrijstellingen voor het onder zich hebben, vervoeren en verhandelen van producten van wild en vrijstellingen voor het onder zich hebben, vervoeren en verhandelen van andere dieren behorende tot de ingevolge artikel 4 van de wet beschermde inheemse diersoorten die op geoorloofde wijze zijn gedood. Het moet immers mogelijk zijn op geoorloofde wijze gedode dieren, zoals dieren die buit zijn gemaakt tijdens de jacht of die in het kader van beheer of bestrijding van schade zijn gedood, onder zich te hebben, te vervoeren en eventueel te verhandelen zonder daarbij de wet te overtreden. Van het geoorloofd doden van dieren in het kader van beheer of bestrijding van schade kan bijvoorbeeld sprake zijn indien het dieren betreft die door de grondgebruiker mogen worden gedood op basis van artikel 65, derde of vierde lid, van de wet, of op grond van een daartoe door gedeputeerde staten afgegeven ontheffing als bedoeld in artikel 68 van de wet. Een dergelijke ontheffing kan ingevolge de wet slechts worden afgegeven indien deze geen afbreuk doet aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Tegen de verhandeling van producten van dieren voorzover die voor consumptie bestemd zijn en die geoorloofd zijn gedood in het kader van de jacht, beheer of de bestrijding van schade, bestaat vanuit een oogpunt van soortenbescherming evenmin bezwaar. Gelet daarop zou het in stand laten van de in artikel 13, eerste lid, van de wet genoemde handelsverboden in strijd zijn met de regels van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name met de artikelen 28 tot en met 30 (voorheen artikelen 30 tot en met 36) inzake een vrij verkeer van goederen. De diersoorten waarvan dieren op basis van een vrijstelling of een ontheffing in het kader van schadebestrijding kunnen worden gedood en waarvoor de vrijstelling van artikel 11, tweede lid, van het besluit geldt, zijn in bijlage 3 bij dit besluit genoemd.

(...)

De diersoorten waarvan dieren op basis van een vrijstelling als bedoeld in artikel 65, derde en vierde lid, van de wet, of een ontheffing als bedoeld in artikel 68 van de wet in het kader van schadebestrijding kunnen worden gedood, en waarvoor de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, van het besluit geldt, zijn in bijlage 2 bij dit besluit genoemd. De vrijstelling in artikel 11, eerste lid, kent als voorschrift dat degene die producten van de betrokken dieren onder zich houdt of vervoert, kan aantonen dat deze krachtens hoofdstuk V, titel III, afdeling 1, paragraaf 3 van de wet, dus op geoorloofde wijze, zijn verkregen. Dit is mede mogelijk aan de hand van stukken en bescheiden, zoals ontheffingen en facturen.

Artikel 11, tweede lid, van het besluit behelst een vrijstelling van de verboden van artikel 13, eerste lid, van de wet, voor producten van dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten die zijn opgenomen in bijlage 3 bij het besluit. Ten aanzien van deze soorten geldt niet alleen een vrijstelling voor het vervoeren en onder zich hebben van producten van dieren, maar tevens voor het verhandelen van die producten. Teneinde niet in strijd te handelen met het vrije handelsverkeer wordt de vrijstelling verleend van alle verboden genoemd in artikel 13, eerste lid, van de wet. De soorten opgenomen in bijlage 3 bij het besluit zijn soorten waarvan de producten worden geconsumeerd en die daarom veel worden verhandeld, ook in internationaal verband. Als voorwaarde voor de vrijstelling geldt dat de houder van de betrokken producten moet kunnen aantonen dat ze zijn verkregen in het kader van beheer van dieren of bestrijding van schade overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk V, titel III, afdeling 1, paragraaf 3 van de wet, of dat ze op geoorloofde wijze elders dan in Nederland zijn verkregen.

(...)

De in bijlage 3 bij het besluit genoemde vogelsoorten komen alle voor in bijlage III van de Vogelrichtlijn. Ingevolge artikel 6 van de Vogelrichtlijn mogen de lid-staten van de Europese Unie toestaan dat de in die bijlage genoemde soorten worden verhandeld.

Hoewel de regels van primair gemeenschapsrecht mede bepalend zijn voor het verlenen van vrijstellingen van de verboden van artikel 13, eerste lid, van de wet, kan niet worden gesteld dat vrijstellingen voor bezit en handel in bovengenoemde gevallen rechtstreeks voortvloeien uit internationale verplichtingen of bindende besluiten van de organen van de Europese Unie. In dat geval zouden de betrokken vrijstellingen ingevolge artikel 75, tweede lid, van de wet bij ministeriële regeling kunnen worden verleend. Bij vrijstellingen op grond van artikel 75, tweede lid, van de wet gaat het echter met name om vrijstellingen die voortvloeien uit specifieke bepalingen van secundair gemeenschapsrecht, zoals de Europeesrechtelijke regels ter uitvoering van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantesoorten, de zogenaamde Conventie van Washington, CITES (Trb. 1975, 23). Vrijstellingen ter uitvoering van de CITES-regelgeving zijn derhalve niet in het onderhavige besluit opgenomen, maar in een ministeriële regeling gebaseerd op artikel 75, tweede lid, van de wet."

3.7. Uit het bovenstaande volgt dat het onder zich hebben van gaaien en waterhoenen in beginsel verboden is. Dit verbod geldt slechts dan niet indien de houder van de dieren kan aantonen dat deze legaal zijn verworven. De klacht dat het Hof slechts tot een bewezenverklaring had kunnen komen als bewezen zou kunnen worden dat de huiden een illegale herkomst hadden, stuit daarop af. Dat is een eis die niet aan art. 13 Ffw is te ontlenen. Dat artikel verbiedt in het algemeen het onder zich hebben van producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort. De tenlastelegging sluit bij de inhoud van het artikel aan. Meer hoeft niet bewezen te worden. De klacht dat het Hof de bewijslast terzake de legale herkomst van de huiden heeft omgekeerd stuit ook hierop af.

3.8. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het onder 3.3 weergegeven verweer ten onrechte eveneens (mede) is verworpen met de overweging "dat hetgeen de raadsman overigens (mede) als grondslag voor zijn verweer heeft bedoeld aan te dragen dit verweer niet kan dragen."

4.2. De verdediging heeft in hoger beroep aan het hof voorgehouden dat de Vlaamse gaai en het waterhoen genoemd zijn in Lijst II/2 behorende bij de Vogelrichtlijn van 2 april 1979.(4) Volgens artikel 7, derde lid, van deze Vogelrichtlijn mag op de soorten die in deze bijlage zijn genoemd alleen worden gejaagd in de lidstaten waarbij deze soorten zijn vermeld. De Gallinula Chloropus is een vogelsoort waarop, blijkens een bijlage bij de Vogelrichtlijn, Engeland de jacht wel, maar Nederland de jacht niet mag toestaan. Beide landen mogen volgens deze bijlage de jacht op de Garrulus Glandarius wel toestaan.

4.3. De verdediging heeft met een beroep op bijgeleverde stukken verdedigd dat in Engeland op de Vlaamse gaai en het waterhoen mag worden gejaagd en dat het in strijd is met het Europese recht als het onder zich hebben van de producten van deze in Engeland legaal verkregen vogels in Nederland verboden zou zijn. Onder de stukken die de advocaat heeft overgelegd is een bijlage 2, volgens het door de advocaat geleverde overzicht inhoudende de Britse jachtwetbepalingen over afschot van Vlaamse gaaien en waterhoenen. Daaruit zou zijn op te maken dat waterhoenen geschoten mogen worden in de periode van 1 september tot en met 31 januari. De Vlaamse gaaien zouden altijd geschoten mogen worden door daartoe bevoegde personen. Ik moet bekennen dat dit overgelegd stuk nou niet bepaald imponeert als een betrouwbaar bewijsstuk waaruit zou zijn af te leiden dat in 2005 deze vogels in Engeland onder bepaalde voorwaarden mochten worden gedood. Maar een beperkte zoektocht op Internet heeft mij geleerd dat er de afgelopen jaren wel degelijk licenties zijn uitgegeven om Vlaamse gaaien en waterhoenen te doden.(5) Dat lijkt mij de stelling van de verdediging te ondersteunen. Ook is ondersteuning te vinden in het Verslag van de Commissie over de toepassing van Richtlijn 79/409/EEG inzake het behoud van de vogelstand van 25 maart 2002.(6) In dat Verslag wordt ten aanzien van de Gallinula Chloropus vermeld dat deze in 1998 in ieder geval gedurende een bepaalde periode mocht worden bejaagd in het Verenigd Koninkrijk.

4.4. Het oordeel van het hof dat op geen enkele wijze een feitelijkheid aannemelijk is geworden die duidt op de legale herkomst van de huiden lijkt mij zonder nadere motivering in ieder geval voor zover het betreft de huiden van het waterhoen, gelet op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd, ontoereikend gemotiveerd.

4.5. In het middel wordt voorts aangevoerd dat een beroep is gedaan op het Besluit prepareren dieren in samenhang met art. 62, vierde lid, Ffw, op welk beroep het Hof in het geheel niet is ingegaan.

4.6. De volgende bepalingen zijn van belang:

- art. 62 (oud) Ffw:

"1. Het is verboden dode dieren, behorende tot soorten waarop deze wet van toepassing is, te prepareren zonder voorzien te zijn van een vergunning van Onze Minister.

2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister afhankelijk gesteld van het met gunstig gevolg afgelegd hebben van een door Onze Minister erkend preparateursexamen. Het bepaalde in artikel 40, eerste lid, is ten aanzien van dat examen van overeenkomstige toepassing.

3. Het aantal vergunningen kan bij algemene maatregel van bestuur aan een maximum worden gebonden.

4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen diersoorten worden aangewezen ten aanzien waarvan het verbod, bedoeld in het eerste lid, niet geldt."

- art. 63 Ffw:

"1. Bij algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van de verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, het onder zich hebben, het vervoeren, het afleveren of het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van te prepareren of geprepareerde producten van dieren worden toegestaan overeenkomstig bij die maatregel gestelde regels.

2. Tot de regels, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval verplichtingen voor de houder van een vergunning bedoeld in artikel 62, eerste lid, tot:

a. het aanbrengen van ringen of merktekens aan de ter preparatie aangeboden en geprepareerde producten van dieren;

b. het houden van een registratie van de ter preparatie ontvangen en geprepareerde producten van dieren alsmede van de namen en adressen van degenen van wie deze producten van dieren zijn ontvangen en aan wie zij zijn geleverd;

c. onderzoek van ter preparatie aangeboden producten van dieren en

d. het doen van periodiek verslag aan Onze Minister.

(...)

4. Ter uitvoering van internationale verplichtingen of van bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties kan bij de regels, bedoeld in het eerste lid, tevens worden bepaald dat het verrichten van in het eerste lid genoemde handelingen slechts kan worden toegestaan bij vergunning.

- art. 5 van het Besluit prepareren dieren (Stb. 2000, 524):

"Als diersoort ten aanzien waarvan het verbod, bedoeld in artikel 62, eerste lid, van de wet niet geldt, worden aangewezen:

a. de diersoorten die niet worden aangemerkt of niet zijn aangewezen als beschermde inheemse of uitheemse diersoort;

b. de diersoorten waarvoor, met inachtneming van de daarbij gestelde voorschriften, een vrijstelling of ontheffing geldt van het in artikel 13, eerste lid, van de wet bedoelde verbod op het onder zich hebben van producten van dieren van die soorten:

1°. ingevolge artikel 13, vierde lid, of artikel 75, derde lid, van de wet;

2°. ingevolge het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten

of

3°. krachtens een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 75, tweede lid, van de wet;

met uitzondering van de diersoorten, bedoeld in artikel 8."

- art. 6 van het Besluit prepareren dieren:

"1. Het is een ieder toegestaan, onverminderd artikel 8, te prepareren producten van dieren van andere diersoorten dan die, bedoeld in artikel 5, onder zich te hebben, te vervoeren of af te leveren, mits de houder beschikt over een verklaring van een korpschef dat:

a. het betrokken dier kennelijk een natuurlijke dood is gestorven of kennelijk buiten schuld of medeweten van de houder de dood heeft gevonden dan wel kennelijk niet in strijd met de wetgeving van het land van herkomst is verkregen, en

b. de houder het betrokken product onder zich heeft, vervoert of aflevert met het oog op preparatie daarvan.

2. Het is een ieder toegestaan, onverminderd artikel 8, geprepareerde producten van dieren van andere diersoorten dan die, bedoeld in artikel 5, onder zich te hebben, te vervoeren of af te leveren, mits deze producten zijn voorzien van een merkteken dat voldoet aan de krachtens artikel 7, tweede lid, gestelde regels.

3. Het is, in afwijking van het tweede lid, een ieder toegestaan, onverminderd artikel 8, binnen het grondgebied van Nederland gebrachte geprepareerde producten van dieren van andere diersoorten dan die, bedoeld in artikel 5, onder zich te hebben, te vervoeren of af te leveren mits de houder beschikt over een verklaring van de korpschef dat:

a. het betrokken product kennelijk niet in strijd met de wetgeving van het land van herkomst is verkregen, en

b. de houder het betrokken product onder zich heeft, vervoert of aflevert met het oog op het daarop laten aanbrengen van een merkteken als bedoeld in het tweede lid.

4. Het is een ieder toegestaan, onverminderd artikel 8, te prepareren of geprepareerde producten van dieren van andere diersoorten dan die, bedoeld in artikel 5, binnen het grondgebied van Nederland te brengen, mits de houder aannemelijk kan maken dat hij voldoet dan wel binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid, zal voldoen aan het eerste of derde lid.

5. Het is in afwijking van het tweede lid een ieder toegestaan, onverminderd artikel 8, geprepareerde producten van dieren van andere diersoorten dan die, bedoeld in artikel 5, onder zich te hebben, te vervoeren of af te leveren indien het betrokken product aantoonbaar is verworven vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

6. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en derde lid, gelden gedurende drie dagen na de dagtekening van de in die leden bedoelde verklaring."

4.7. Kort gezegd komt deze regeling er op neer dat in de eerste plaats alle diersoorten mogen worden geprepareerd waarvoor bij of krachtens de Ffw een vrijstelling of ontheffing geldt van het bezitsverbod van art. 13, eerste lid, Ffw.

Het stellige oordeel van het hof dat de verdediging onvoldoende heeft aangevoerd om aan te kunnen nemen dat de huiden van de vogels een illegale herkomst hebben heb ik in mijn bespreking van het eerste onderdeel van het tweede middel al bekritiseerd. Als het zo is dat de verdachte de huiden van een legale bron in een andere EU-Staat betrok heeft de verdachte die huiden ook voorhanden mogen hebben.

Dan had het hof nader moeten bezien of zich niet een uitzondering op het verbod van artikel 62 Ffw heeft voorgedaan en of niet artikel 5 van het Besluit prepareren van dieren, aanhef en onder b, van overeenkomstige toepassing was. Het tweede onderdeel van dit middel hangt zozeer samen met het eerste onderdeel dat de twijfel over de verwerping van het eerste onderdeel zich mijns inziens ook direct uitstrekt over een impliciete verwerping van het verweer dat verdachte de huiden ter reparatie onder zich mocht hebben.

Daarom slaagt naar mijn indruk ook dit onderdeel.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het hof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Eigenaardig is wel dat deze bepaling zo zou kunnen worden uitgelegd dat men het wild uit het buitenland alleen maar voorhanden mag hebben in de onder b genoemde periode. De toelichting op dit artikel biedt geen steun aan een andere uitleg (Stb. 2000, 525, p. 22). Deze uitleg zou erop neerkomen dat gedurende de onder a genoemde periode in Nederland geschoten wild mag worden verhandeld, maar geen wild dat legaal uit een andere EU-Staat is betrokken. Dat zou alleen maar verhandeld mogen worden buiten de onder a genoemde periode. Ik vraag mij oprecht af of zo'n uitleg niet op gespannen voet staat met het verbod van belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen binnen de Europese Unie.

2 De stand van bij de ministeriële regeling aangewezen beschermde inheemse diersoorten kan volgens art. 67 Ffw worden beperkt. Die beperking kan erin bestaan dat dieren worden gedood. Art. 68 Ffw opent de mogelijkheid van ontheffing van onder meer de verboden van art. 13 Ffw.

3 Art. 10 Besluit luidt: De verboden, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, gelden niet ten aanzien van producten van wild:

a. gedurende het tijdvak van de opening tot en met de tiende dag na de sluiting van de jacht op dat wild, dan wel;

b. gedurende het tijdvak vanaf de elfde dag na de sluiting tot de opening van de jacht op dat wild,

indien de houder van de betrokken producten kan aantonen dat deze zijn verworven overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk V, titel II, van de wet, dan wel op geoorloofde wijze elders dan in Nederland zijn verkregen.

Art. 32 Ffw bepaalt dat de volgende diersoorten als wild worden aangewezen: haas (Lepus europaeus), fazant (Phasianus colchicus), patrijs (Perdix perdix), wilde eend (Anas platyrhynchos), konijn (Oryctolagus cuniculus) en houtduif (Columba palumbus).

4 PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1. De Richtlijn 79/409/EEG is ingetrokken door de Richtlijn 2009/147/EG van 30 november 2009 (PB L van 26.1.2010 20/7). Artikel 7 van deze nieuwe Richtlijn stelt dat op de in de Bijlage II, deel B genoemde soorten alleen mag worden gejaagd in de lidstaten waarbij deze soorten zijn vermeld. Zowel de Gallinula Chloropus als de Garrulus Glandarius komen voor in deze Bijlage. Maar voor Nederland geldt dat Nederland niet mag toestaan dat op de Gallinula Chloropus wordt gejaagd. Engeland mag weer wel de jacht op deze vogel openen. Met betrekking tot de Garrulus Glandarius zijn beide lidstaten bevoegd om de jacht open te stellen. Ten tijde van de feiten zoals deze zich volgens de tenlastelegging zouden hebben voorgedaan gold nog de oude Vogelrichtlijn, zodat ik ook daarvan uitga.

5 http://www.naturalengland.org.uk/Images/birdstats08_tcm6-14734.pdf

6 COM (2002) 146.