Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP6055

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-05-2011
Datum publicatie
17-05-2011
Zaaknummer
09/04402
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2009:BK0619
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP6055
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81 RO en overschrijding redelijke termijn in cassatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/04402

Mr. Hofstee

Zitting: 15 februari 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 16 oktober 2009 door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "moord" veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en daarbij aan verzoeker een schadevergoedingsmaatregel, subsidiair vervangende hechtenis, opgelegd, een en ander zoals in het bestreden arrest vermeld.

2. Namens verzoeker heeft mr. N.F. Hoogervorst, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat de artikelen 315 en 288 in verbinding met art. 415 Sv zijn geschonden.

4. Alvorens over te gaan tot bespreking van het middel, zal ik op grond van de voorliggende gedingstukken eerst de casus en vervolgens het procesverloop in hoger beroep - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - schetsen.

5. Ten laste van verzoeker is door het Hof bewezen verklaard dat:

"hij op 30 april 2007 in de gemeente Wervershoof opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte - nadat hij met een scherp voorweerp in de hals van die [slachtoffer] had gestoken - met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een auto het lichaam van die [slachtoffer] overreden, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden."

6. In deze zaak draait het onder meer om de vraag waarin de doodsoorzaak is gelegen: in het steken of in het overrijden? Wat de toedracht van het feit betreft, is het Hof in zijn bewijsoverwegingen uitgegaan van de juistheid van de verklaringen van [betrokkene 1], verzoekers metgezel, en heeft het verzoekers lezing niet aannemelijk geoordeeld. De inhoud van de verklaringen van [betrokkene 1] komt op het volgende neer. Op 30 april 2007 vindt er telefonisch contact plaats tussen verzoeker en het latere slachtoffer [slachtoffer] over de aankoop van een hoeveelheid cocaïne door verzoeker. Rijdend in een auto, vertelt verzoeker onderweg aan [betrokkene 1] dat hij, verzoeker, nog een appeltje te schillen heeft met [slachtoffer], dat hij geen geld bij zich heeft en dat hij van plan is de cocaïne en eventueel het geld van [slachtoffer] af te pakken. In dat plan is de cocaïne voor verzoeker en het geld voor [betrokkene 1]. Nadat [slachtoffer] ergens is opgepikt, krijgen hij en verzoeker een heftige discussie. Bij de Parallelweg in Wervershoof stoppen ze. Verzoeker stapt uit de auto, loopt erom heen en trekt [slachtoffer] naar buiten, waarna beiden op de grond vallen. [Betrokkene 1] loopt naar hen toe, terwijl verzoeker omhoog komt. Dan ziet [betrokkene 1] bloed bij de mond, hals of kaak van [slachtoffer]. [Slachtoffer] blijkt in zijn hals met een scherp voorwerp te zijn gestoken. Na goederen uit de broekzak van [slachtoffer] te hebben weggenomen, rijden verzoeker en [betrokkene 1] weer weg. Een paar honderd meter verder, keert verzoeker de auto en rijdt terug naar de plek waar [slachtoffer] is achtergelaten. [Betrokkene 1] stapt uit om een telefoon te zoeken, terwijl verzoeker in de auto blijft zitten. Op dat moment ziet [betrokkene 1] verzoeker met de auto over het lichaam van [slachtoffer] heenrijden.(1) [Betrokkene 1] stapt daarop weer in de auto, waarna verzoeker en [betrokkene 1] wegrijden.

7. Het proces-verloop in hoger beroep is als volgt. Op de pro forma zitting van het Hof van 9 oktober 2008 wordt blijkens het proces-verbaal van die zitting de zaak aangehouden tot de regiezitting op 19 december 2008 en bepaald dat onderzoekswensen vóór 1 december 2008 kenbaar moeten worden gemaakt. Voor aanvang van de regiezitting van 19 december 2008 dient de verdediging in haar schrijven van 28 november 2008 het verzoek in om de getuige-deskundigen prof. G.N. Rutty (hierna: Rutty) en dr R. Visser (hierna: Visser) opnieuw te horen. Beide getuige-deskundigen waren al eerder door de rechter-commissaris gehoord, voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg.

Op de regiezitting van 19 december 2008 wijst het Hof het verzoek van de verdediging toe. Rutty en Visser zullen worden opgeroepen voor de (toen nog voorgenomen) inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de terechtzitting van het Hof op 11 mei 2009. Voorts wordt op de regiezitting de zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris dan wel de rechter-commissaris, teneinde een onderzoek te laten verrichten en een rapport van bevindingen op te doen maken over de mogelijke doodsoorzaak van het slachtoffer [slachtoffer] door een forensisch patholoog van het NFI. Na ontvangst van het dossier in april 2009, benadert de rechter-commissaris de Belgische patholoog prof. W. Jacobs (hierna: Jacobs). Deze is bereid het onderzoek naar de doodsoorzaak van het slachtoffer [slachtoffer] te verrichten en daarover te rapporteren. Op 16 april 2009 wordt Rutty opgeroepen om ter terechtzitting van 11 mei 2009 te verschijnen. Rutty laat telefonisch weten die dag verhinderd te zijn. Het Openbaar Ministerie (hierna: OM) stelt de raadsvrouw hiervan op de hoogte en vraagt haar of volstaan kan worden met het stellen van schriftelijke vragen. Hiermee stemt de raadsvrouw bij brief van 24 april 2009 niet in. Op 28 april 2009 verzoekt het OM Rutty een aantal vragen schriftelijk te beantwoorden. Rutty vraagt het OM of er mogelijkheden zijn om hem met behulp van een video-verbinding te horen. Omdat Rutty niet op de terechtzitting zal kunnen verschijnen, wordt op voorhand Visser door het OM (desverzocht door het Hof) meegedeeld dat zijn aanwezigheid op de zitting van 11 mei 2009 niet langer noodzakelijk is. Nu beide getuige-deskundigen niet gehoord zijn, wordt de zaak op 11 mei 2009 niet inhoudelijk behandeld. Op de zitting van 11 mei 2009 houdt het Hof de behandeling van de zaak aan tot de terechtzitting van 2 oktober 2009 en verwijst het de zaak naar de rechter-commissaris voor het horen van Rutty en Visser en bovendien op een zodanige wijze dat deze beide getuige-deskundigen in de gelegenheid worden gesteld ook op elkaars bevindingen en conclusies te reageren. Het horen van Rutty en Visser dient plaats te vinden nadat Jacobs zijn rapport heeft afgerond, zodat Rutty en Visser alvorens te worden gehoord kennis hebben kunnen nemen van het rapport-Jacobs. In de opdracht aan de rechter-commissaris krijgt deze mee 'voorts al datgene te verrichten wat hem noodzakelijk voorkomt'.

Op 28 mei 2009 verschijnt het 'supplementary opinion report' van Rutty, waarin hij de schriftelijke vragen van de Advocaat-Generaal van 28 april 2009 beantwoordt. Blijkens de noot in het proces-verbaal van het Hof van 4 augustus 2009 wordt het rapport van Jacobs medio augustus 2009 verwacht en zal de rechter-commissaris na ontvangst van dit rapport de video-conferentie met Rutty plannen.

Op 18 augustus 2009 is het rapport van Jacobs voltooid. Dit rapport wordt verstrekt aan de Advocaat-Generaal bij het Hof, de verdediging, Rutty en Visser. Op 23 september 2009 respectievelijk 29 september 2009 volgen de reacties van Rutty en Visser op dat rapport. Op 8 september 2009 is door de rechter-commissaris aan de Advocaat-Generaal en de verdediging verzocht hun eventuele vragen aan Rutty, Visser en Jacobs schriftelijk op te geven. De Advocaat-Generaal en, na herhaald verzoek door de rechter-commissaris, ook de verdediging maken van deze gelegenheid gebruik, in die zin dat zij alleen vragen voor Jacobs hebben, welke vragen door Jacobs op 15 september 2009 respectievelijk 24 september 2009 (schriftelijk) worden beantwoord. Vragen voor Rutty en Visser zijn dus door de Advocaat-Generaal noch door de verdediging opgegeven. Op de terechtzitting van 2 oktober 2009 blijkt dat Visser en Rutty nog niet gehoord zijn. Wel hebben Rutty (in zijn 'second supplemantary opinion report' van 23 september 2009) en Visser (29 september 2009) gereageerd op het rapport van Jacobs. De raadsman voert aan dat de rechter-commissaris niet heeft voldaan aan de hem eerder verstrekte opdracht tot het horen van deze getuige-deskundigen, ten gevolge waarvan de verdediging in haar belangen zou zijn geschaad. De verdediging verzoekt daarom de behandeling van de zaak opnieuw aan te houden, teneinde alsnog Rutty en Visser ten overstaan van de rechter-commissaris te horen. Het Hof wijst dit verzoek af, nu - kort gezegd - a) Rutty en Visser schriftelijk hebben gereageerd op het rapport van Jacobs, b) de Advocaat-Generaal bij het Hof en de verdediging is verzocht schriftelijke vragen op te geven aan Visser, Rutty en Jacobs, c) van welke gelegenheid zowel de Advocaat-Generaal als de verdediging gebruik heeft gemaakt door schriftelijke vragen te stellen aan (enkel) Jacobs, en d) Jacobs deze vragen (eveneens schriftelijk) heeft beantwoord. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat Rutty en Visser reeds voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg ten overstaan van de rechter-commissaris waren gehoord en dat de toenmalige raadsman van verzoeker daaraan heeft deelgenomen. 'De noodzaak van het verzochte is dus niet gebleken en - ten overvloede - het valt redelijkerwijs aan te nemen dat door de afwijzing van het verzoek de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad', aldus het Hof.(2)

8. In het bestreden arrest heeft het Hof over deze gang van zaken nog het volgende overwogen:

Verzoek van de raadsman om aanhouding

De raadsman is van mening dat de rechter-commissaris niet heeft voldaan aan de op 11 mei 2009 door het hof aan hem verstrekte opdracht tot het horen van de deskundigen Visser en Rutty. De raadsman meent dat de verdachte daardoor in zijn verdediging wordt geschaad, en heeft verzocht om aanhouding van de behandeling ter terechtzitting en einde alsnog de deskundigen Visser en Rutty ten overstaan van de rechter-commissaris te doen horen. Het verzoek is toegelicht conform daartoe overgelegde 'pleitaantekeningen'.

Het hof overweegt en beslist in dit verband als volgt.

Ter terechtzitting van ll mei 2009 heeft het hof beslist, voor zover thans van belang, dat de zaak werd verwezen naar de rechter-commissaris in de rechtbank Alkmaar voor het horen van de getuigen-deskundigen Visser en Rutty eventueel door middel van een videoverbinding op een zodanige wijze dat de getuigen-deskundigen in de gelegenheid worden gesteld op elkaars uitlatingen te reageren, welk verhoor dient plaats te vinden nadat professor dr. Jacobs zijn rapport heeft afgerond en dit rapport aan Visser en Rutty is gezonden,en met het verzoek aan de rechter-commissaris voorts al datgene te verrichten wat door de rechter-commissaris noodzakelijk wordt geacht.

Aan de raadsman moet worden toegegeven dat vervolgens de deskundigen Visser en Rutty niet zijn gehoord op de wijze die het hof voor ogen had. Het volgende is echter gebleken. Het rapport van prof. W. Jacobs is pas op 18 augustus 2009 voltooid en vervolgens aan de advocaat-generaal en de verdediging verstrekt. Het is ook toegestuurd aan de deskundigen Rutty en Visser, die daarop schriftelijk hebben gereageerd op 23 september 2009 respectievelijk 29 september 2009. Aan de advocaat-generaal en de verdediging is op 8 september 2009 verzocht schriftelijk de vragen op te geven die zij nog aan Visser, Rutty en Jacobs wilden stellen. Van deze gelegenheid heeft de advocaat-generaal gebruik gemaakt en daarbij alleen een vraag voor Jacobs geformuleerd welke vraag door Jacobs op l5 september 2009 is beantwoord. Na herhaald verzoek van de rechter-commissaris heeft ook de verdediging van genoemde gelegenheid gebruik gemaakt en daarbij op 18 september 2009, alleen voor Jacobs een aantal vragen geformuleerd. Jacobs heeft de door de verdediging gestelde vragen op 24 september 2009 schriftelijk beantwoord. Vragen voor Rutty en Visser zijn niet door de verdediging opgegeven.

Naar het oordeel van het hof is door deze gang van zaken in voldoende mate door de rechter-commissaris aan de opdracht van het hof van 11 mei 2009 voldaan. Aan het recht van de verdediging op het mogen stellen van nadere vragen aan de deskundigen Rutty en Visser is niet te kort gedaan en de verdachte is door de gevolgde wijze van voorleggen van vragen aan de deskundigen geenszins in zijn verdediging geschaad. Daarbij is van belang dat Rutty en Visser reeds voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg ten overstaan van de rechter-commissaris in de rechtbank Alkmaar zijn gehoord, mede in aanwezigheid van de toenmalige raadsman van de verdachte, welke raadsman toen ook aan de ondervraging heeft deelgenomen. Het enkele feit dat Rutty en Visser thans niet gelijktijdig hun bevindingen hebben weergegeven en gelijktijdig in elkaars aanwezigheid op de vragen van de verdediging hebben gereageerd, doet aan het voorgaande niet af. Uit het door de raadsman in dit verband naar voren gebrachte blijkt niet dat alsnog horen van de deskundigen Visser en Rutty ten overstaan van de rechter-commissaris van belang kan zijn voor enige beslissing die het hof in deze zaak heeft te nemen.

Het verzoek van de raadsman wordt derhalve afgewezen."

9. In de toelichting op het middel wordt - voorzover hier van belang - het volgende aangevoerd. In weerwil van de desbetreffende opdracht van het Hof heeft de rechter-commissaris de getuige-deskundigen Rutty en Visser niet in aanwezigheid van de verdediging gehoord (eventueel met behulp van een video-verbinding), maar in plaats daarvan de verdediging slechts in de gelegenheid gesteld schriftelijke vragen aan hen te formuleren. Door deze eigenhandige beslissing van de rechter-commissaris, waarbij deze bovendien een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd - de tijdsdruk -, is verzoeker in zijn verdedigingsbelang geschaad. Het belang van de verdediging bij het horen van Rutty en Visser in aanwezigheid van de verdediging is er in gelegen om duidelijkheid te verkrijgen over de doodsoorzaak. Indien immers het slachtoffer [slachtoffer] al was overleden vóórdat hij met de auto werd overreden, zou dit gegeven aan de bewezenverklaring in de weg kunnen staan. In dat licht beschouwd heeft het Hof het verzoek om deze reeds eerder door hem toegewezen getuige-deskundigen alsnog te horen op onjuiste gronden, dan wel onvoldoende gemotiveerd, dan wel onbegrijpelijk afgewezen, aldus de steller van het middel.

10. Voor de beoordeling van het middel acht ik het van belang de onderhavige kwestie eerst te plaatsen in het wettelijk kader. Mede met het oog op de in het middel genoemde artikelen, die volgens de steller van het middel zijn geschonden (zie hierboven onder 3), zal ik dat doen door - voorzover hier relevant - de tekst van de artikelen 315, 288 (beide te lezen in verbinding met art. 415 Sv) en 418 Sv weer te geven. Deze drie artikelen hebben alle betrekking op de oproeping van niet ter terechtzitting gehoorde respectievelijk verschenen getuigen.

De drie genoemde artikelen luiden - nogmaals voor zover van belang - als volgt:

Artikel 315, eerste lid Sv:

"1. Indien aan de rechtbank de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van op de terechtzitting nog niet gehoorde getuigen of deskundigen, of van de overlegging van bescheiden of stukken van overtuiging, die niet op de terechtzitting aanwezig zijn, beveelt zij zo nodig onder bijvoeging van een bevel tot medebrenging, tegen een door haar te bepalen tijdstip de dagvaarding of schriftelijke oproeping dier getuigen of deskundigen of de overlegging van die bescheiden of die stukken van overtuiging."

Artikel 288, eerste lid, Sv:

"1. De rechtbank kan van de oproeping van niet verschenen getuigen als bedoeld in artikel 287, derde lid, bij met redenen omklede beslissing afzien, indien zij van oordeel is dat:

a. het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen;

b. het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige of deskundige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht, en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige of deskundige ter terechtzitting te kunnen ondervragen;

c. redelijkerwijs valt aan te nemen dat daardoor het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad."

Artikel 418 Sv:

"1. De oproeping van niet verschenen getuigen kan worden geweigerd in de gevallen, genoemd in artikel 288.

2. In het geval de berechting in eerste aanleg op tegenspraak heeft plaatsgevonden, kan oproeping ook worden geweigerd indien de getuige of deskundige ter terechtzitting in eerste aanleg dan wel, daaraan voorafgaand, door de rechter-commissaris is gehoord en het gerechtshof horen ter terechtzitting niet noodzakelijk oordeelt.

3. Indien de verdachte hoger beroep heeft ingesteld kan oproeping van een niet bij schriftuur door de verdachte opgegeven getuige of deskundige worden geweigerd indien horen ter terechtzitting niet noodzakelijk is te achten."

11. Concreet toegespitst op het middel - dat in de kern beschouwd de klacht bevat dat het Hof het verzoek van de verdediging om de getuige-deskundigen Rutty en Visser alsnog te horen ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd heeft afgewezen -, staat blijkens de gedingstukken het volgende vast: i) Rutty en Visser waren al eerder, te weten voorafgaand aan de terechtzitting in eerste aanleg, als getuige-deskundigen gehoord door de rechter-commissaris; ii) op de pro forma zitting van het Hof van 9 oktober 2008 is de verdediging in de gelegenheid gesteld eventuele onderzoekswensen voor 1 december 2008 naar voren te brengen; iii) de verdediging heeft ná de pro forma zitting van het Hof van 9 oktober 2008 en, zoals afgesproken, vóór 1 december 2008 en daarmee vóór de regiezitting van het Hof van 19 december 2008 het verzoek gedaan om Rutty en Visser in haar aanwezigheid te horen; iv) op die regiezitting is dat verzoek van de verdediging door het Hof ingewilligd en dienden Rutty en Visser als getuige-deskundigen te worden opgeroepen voor de terechtzitting van 11 mei 2009; v) omdat Rutty (door verhindering) en Visser (na daartoe strekkend bericht) niet op de terechtzitting van 11 mei 2009 waren verschenen, stemde de verdediging ermee in dat beide getuige-deskundigen ten overstaan van de rechter-commissaris zouden worden gehoord; vi) vanwege tijdsdruk was de rechter-commissaris niet in staat Rutty en Visser in persoon te horen en gaf hij in plaats daarvan de verdediging de gelegenheid de vragen aan Rutty, Visser en Jacobs schriftelijk te stellen; vii) daarvan heeft de verdediging gebruik gemaakt, in die zin dat enkel vragen werden opgegeven aan Jacobs; viii) op de terechtzitting van 2 oktober 2009 heeft de verdediging aan het Hof het verzoek gedaan om alsnog Rutty en Visser als getuige-deskundigen op te roepen, welk verzoek door het Hof is afgewezen.

12. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of het Hof in zijn bestreden arrest de juiste maatstaf heeft aangelegd bij zijn afwijzing van het verzoek van de verdediging tot het alsnog horen van de getuige-deskundigen Rutty en Visser. Als ik het goed zie, heeft het Hof daarbij het criterium van (het ontbreken van) het verdedigingsbelang gehanteerd. Denkbaar was ook toepassing van het criterium van de noodzakelijkheid als bedoeld in art. 418, tweede lid, Sv geweest. Beide getuige-deskundigen waren immers al door de rechter-commissaris gehoord, voorafgaand aan de op tegenspraak plaatsgevonden hebbende terechtzitting in eerste aanleg.

13. Maar daarnaast verdient aandacht dat het Hof op zijn pro forma zitting van 9 oktober 2008 de verdediging de opening heeft geboden om nadere onderzoekswensen van haar kant op te geven. Van deze gelegenheid heeft de verdediging gebruik gemaakt door het verzoek te doen Rutty en Visser te horen, welk verzoek door het Hof is gehonoreerd. Tegen die achtergrond komt ten aanzien van de latere afwijzing van het Hof om deze beide getuige-deskundigen alsnog te horen art. 288, eerste lid aanhef en onder c, Sv in beeld. Daarin is het 'verdedigingbelang' als toetssteen verwoord.

14. Ook indien op grond van art. 418, tweede lid, Sv het criterium van de noodzakelijkheid had moeten worden toegepast, meen ik dat het middel niet tot cassatie kan leiden. Voor de verdediging is de door het Hof gehanteerde maatstaf van 'redelijkerwijs niet in de verdediging worden geschaad' minder streng dan het criterium van de noodzakelijkheid.(3) Ik vermag dan ook niet in te zien welk belang de steller van het middel bij zijn klacht voor ogen heeft gestaan.(4)

15. Dan rest de vraag of het oordeel van het Hof toereikend gemotiveerd en begrijpelijk is. Het Hof heeft kort gezegd overwogen dat de verdediging redelijkerwijs niet in haar belangen is geschaad, nu de getuige-deskundigen Rutty en Visser een schriftelijke reactie hebben gegeven op het rapport van Jacobs, de verdediging in de gelegenheid is gesteld schriftelijk vragen op te geven aan de getuige-deskundigen en de getuige-deskundigen in eerste aanleg, in aanwezigheid van de verdediging zijn gehoord. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat in de opdracht van het Hof aan de rechter-commissaris ook is meegegeven om al datgene te verrichten wat door de rechter-comissaris noodzakelijk wordt geacht. Nu het rapport van Jacobs medio augustus 2009 is ingezonden en pas daarna de verhoren van de getuige-deskundigen Rutty en Visser konden worden gepland, was het, gezien de kennelijk druk bezette agenda's van de getuige-deskundigen Rutty en Visser, blijkbaar niet mogelijk om nog vóór aanvang van de zitting van 2 oktober 2009 een verhoor te plannen. Aldus is het niet onbegrijpelijk dat de rechter-commissaris bij het OM en de verdediging erop aandrong schriftelijk vragen aan de getuige-deskundigen in te dienen. Op deze wijze werd immers aan zowel de verdediging als het OM een alternatief geboden voor de wijze van horen die het Hof aanvankelijk voor ogen had en nodeloze vertraging in de procesgang, die zou ontstaan wanneer de deskundigen alsnog zouden moeten worden opgeroepen, voorkomen. Daarbij wijs ik erop dat het Hof zèlf (als opdrachtgever) het alternatief van de rechter-commissaris voldoende compensatoir voor het niet (kunnen) voldoen aan zijn opdracht, zoals aanvankelijk geformuleerd, heeft bevonden. Aldus heeft de rechter-commissaris gehandeld binnen de strekking van de opdracht van het Hof en gehandeld zoals hem noodzakelijk voorkwam.(5)

16. Voorts meen ik dat de deelklacht van de steller van het middel dat de verdediging in haar belangen is geschaad doordat Rutty en Visser niet in de gelegenheid zouden zijn geweest te reageren op elkaars bevindingen, niet opgaat. Rutty en Visser hebben namelijk elkaars bevindingen bevestigd. Blijkens de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen is Visser bij zijn lijkschouwing op 1 mei 2007 tot de conclusie gekomen dat het slachtoffer is overleden door ernstige letsels (waaronder kneuzingen in het hart en van beide longen) en bloedverlies, dat het letselpatroon past bij overrijding door (de onderkant van) een auto en dat zijn bevindingen er op wijzen dat de letsels zijn ontstaan bij leven (bewijsmiddel 17). Rutty heeft in zijn verslag van 9 oktober 2007 de bevindingen van Visser bevestigd en verklaard: "(...) I agree with the information that has been given to me that the terminal event that resulted in the death of the deceased was him being run over" (bewijsmiddel 18). Daarnaast heeft Rutty op 21 januari 2008 tegenover de rechter-commissaris verklaard - kort gezegd - dat hij over de oorzaak van de wond met Visser heeft gesproken en samen met hem de mogelijkheden heeft bekeken, en dat het slachtoffer nog in leven moet zijn geweest toen hij door de auto werd overreden (bewijsmiddel 19). Dit komt overeen met de op 22 november 2007 door Visser tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring, te weten dat het massale geweld op het slachtoffer werd toegepast toen er nog bloedcirculatie moet zijn geweest, dat het slachtoffer (dus) nog in leven was en dat er geen aanwijzingen zijn dat de wond in de hals de dood heeft veroorzaakt (bewijsmiddel 20). Ook de bevindingen van Jacobs in diens rapport van 18 augustus 2009 bevestigen deze conclusies (bewijsmiddel 21).

17. Voor zover het middel nog klaagt dat art. 315 Sv zou zijn geschonden merk ik op dat dit artikel niet van toepassing is op de onderhavige zaak. Artikel 315 Sv betreft de situatie waarin de rechter ambtshalve overgaat tot het horen van een getuige of deskundige. In de onderhavige zaak heeft het Hof Rutty en Visser opgeroepen op verzoek van de verdediging.

18. Het middel faalt.

19. Het tweede middel klaagt dat de redelijke inzendtermijn in cassatie is overschreden.

20. Verzoeker heeft op 30 oktober 2009 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de aanbiedingsbrief van de processtukken geplaatste stempel zijn de stukken van het geding eerst op 19 augustus 2010 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Verzoeker bevindt zich in voorlopige hechtenis. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van maximaal zes maanden met bijna vier maanden is overschreden. Dit tijdverlies kan bovendien niet door een voortvarende behandeling in cassatie worden gecompenseerd.

21. Ambtshalve wijs ik er tevens op dat de zaak in cassatie niet binnen de daarvoor gestelde termijn kan worden afgedaan. Verzoeker heeft op 30 oktober 2009 beroep in cassatie ingesteld. Het geding in cassatie behoort binnen zestien maanden met een einduitspraak te zijn afgerond nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Dat betekent dat ook die gestelde termijn zal worden overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot een door Uw Raad te bepalen vermindering van de opgelegde straf.(6)

22. Het tweede middel slaagt.

23. Het eerste middel faalt als gezegd.

24. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

25. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Uit de als bewijsmiddelen opgenomen verklaringen van [betrokkene 1] kan worden afgeleid dat verzoeker meerdere keren over het lichaam van [slachtoffer] is gereden.

2 Zie het proces-verbaal terechtzitting van 2 oktober 2009.

3 Zie G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, zesde druk, 2008, p. 763.

4 Vgl. HR 8 september 2009, LJN BI4059 (en de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge voor dat arrest) en HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007, 626 m.nt. Mevis. In beide arresten wordt besproken dat het noodzakelijkheidscriterium onder omstandigheden zodanig moet worden ingevuld dat er geen wezenlijk verschil is met een toetsing aan de criterium van art. 288, eerste lid aanhef en onder c, Sv.

5 Vgl. HR 1 februari 1994, LJN AB7528, NJ 1994, 427 en (de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor) HR 22 april 2008, LJN BC5977, NJ 2008, 313 m.nt. Mevis. Vgl. tevens HR 23 november 1999, LJN ZD1625, NJ 2000, 126.

6 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358.