Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP5617

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2011
Datum publicatie
15-04-2011
Zaaknummer
11/00296
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP5617
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

BOPZ. Verzoek tot verlening machtiging tot voortgezet verblijf; art. 15 Wet Bopz. (81 RO)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/541
JWB 2011/221
JVGGZ 2011/17
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/00296

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 14 februari 2011

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

tegen

Officier van Justitie te Amsterdam

1. In deze Bopz-zaak wordt volstaan met een verkorte conclusie. Verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) is onvrijwillig opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Op 27 september 2010 heeft de officier van justitie een verzoek ingediend tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf (art. 15 Wet Bopz). Bij het verzoek was een geneeskundige verklaring d.d. 22 september 2010 gevoegd van de geneesheer-directeur van het ziekenhuis, die betrokkene heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [psychiater]. De diagnose is schizofrenie, paranoïde type.

2. Na betrokkene en zijn advocaat en de behandelend arts te hebben gehoord, heeft de rechtbank op 18 oktober 2010 de verzochte machtiging verleend met een geldigheidsduur tot en met 18 oktober 2011. Tegen die beslissing is namens betrokkene - tijdig - cassatieberoep ingesteld(1). In cassatie is geen verweer gevoerd.

3. Onderdeel 2.1 van het cassatiemiddel (onderdeel 1 dient slechts ter inleiding) klaagt dat niet is voldaan aan het bepaalde in art. 5 Wet Bopz: de rechtbank heeft niet voldoende zorgvuldig vastgesteld of de verklaring van de geneesheer-directeur werd onderbouwd door (onderzoek door) een onafhankelijke psychiater.

4. Art. 16 in verbinding met art. 5 Wet Bopz vereist een verklaring van de geneesheer-directeur, die (voor zover hier van belang) de betrokkene kort te voren met het oog daarop heeft laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. De rechtbank, die naar de verklaring van de geneesheer-directeur en naar de desbetreffende wettelijke bepalingen verwijst, is kennelijk van oordeel dat aan dit vereiste is voldaan. Dat oordeel is niet rechtens onjuist, noch onbegrijpelijk: de verklaring vermeldt dat de geneesheer-directeur betrokkene heeft laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. Voor zover het middel wil betogen dat een onderzoek door een psychiater die in dienst is van dezelfde instelling die het ziekenhuis exploiteert waarin de betrokkene is opgenomen, niet aan de wettelijke eis voldoet, faalt de klacht(2). Bovendien staat in cassatie niet vast dat [de psychiater] in dienst is van dezelfde instelling die het ziekenhuis exploiteert: ter zitting in eerste aanleg is op dit punt geen verweer gevoerd en in cassatie is er geen gelegenheid voor een onderzoek naar de feiten(3).

5. Voor zover in de tweede alinea van dit middelonderdeel wordt betoogd dat een verschil van inzicht tussen de verklarende psychiater en de betrokken patiënt "zeer goed mogelijk is" en dat ter ondervanging daarvan zorgvuldig door de rechtbank moet worden vastgesteld "of gesprekken daadwerkelijk hebben plaatsgevonden" en "wat de inhoud van die gesprekken was" geldt het volgende. In beginsel(4) behoort de geneeskundige verklaring te berusten op een geneeskundig onderzoek waarbij de psychiater de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert(5). Vrijheidsbeneming op grond van een geestelijke stoornis is, gelet op art. 5, lid 1 onder e, EVRM slechts geoorloofd indien door middel van objective medical expertise de aanwezigheid van een true mental disorder conclusively is vastgesteld(6) door een medical expert(7). De rechtbank kon op de aangegeven gronden tot het oordeel komen dat aan die eis is voldaan. In eerste aanleg is ook niet gesteld dat de geneeskundige verklaring op dit punt tekort zou schieten. Op zichzelf is juist, dat een verschil van opvatting mogelijk is tussen de rapporterende psychiater en de betrokken patiënt. Om die reden geeft de wet de mogelijkheid om tegenbewijs in het geding te brengen of een contra-expertise te verzoeken. Van deze mogelijkheid is in dit geval geen gebruik gemaakt. Voor zover het middel inhoudt dat de rechtbank tevens had moeten vaststellen wat de inhoud van de gesprekken tussen de rapporterende psychiater en betrokkene was, gaat het uit van een eis die de wet niet stelt.

6. Onderdeel 2.2 houdt in dat formeel is voldaan aan de eis van hoor en wederhoor in art. 8 Wet Bopz (betrokkene is gehoord in aanwezigheid van een advocaat), maar materieel niet. In het onderhavige geval, aldus het middel, betreft het iemand "die een ernstige geestelijke stoornis heeft en medicijnen gebruikt, waardoor overzicht over zijn situatie en het reageren op die situatie niet optimaal kan zijn". Volgens de klacht had de rechtbank dit moeten doorzien en tot het oordeel moeten komen dat er geen sprake was van een adequaat hoor en wederhoor.

7. Voor de eisen waaraan het horen moet voldoen ("Special procedural safeguards may prove called for in order to protect the interests of persons who, on account of their mental disabilities, are not fully capable of acting for themselves"), wordt verwezen naar de jurisprudentie(8). De klacht gaat uit van feiten die in cassatie niet vaststaan omdat zij niet uit de bestreden beschikking of de gedingstukken blijken (art. 419 in verbinding met art. 429 Rv). In eerste aanleg is niet aangevoerd dat betrokkene als gevolg van zijn geestelijke stoornis of van het medicijngebruik of om enige andere reden niet tot een adequate reactie op het verzoek van de officier van justitie in staat zou zijn. Zelfs wanneer veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat betrokkene vóór de zitting in eerste aanleg medicatie heeft gebruikt, is daarmee geenszins gegeven dat betrokkene als gevolg van dat medicijngebruik niet in staat is geweest zijn wil te uiten ten aanzien van het verzoek van de officier van justitie. Integendeel, blijkens het proces-verbaal en de beschikking heeft betrokkene zijn wil ter kennis van de rechtbank gebracht. De rechtbank heeft de verklaring van betrokkene weergegeven op blz. 1 van de bestreden beschikking. Daarbij komt dat betrokkene tijdens de behandeling in eerste aanleg werd bijgestaan door een advocaat, die het standpunt van betrokkene onder woorden heeft kunnen brengen en zo nodig had kunnen aanvullen. De klacht over hoor en wederhoor faalt.

8. Onderdeel 2.3 komt neer op de klacht dat de rechtbank niet of onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een machtiging tot voortgezet verblijf noodzakelijk is en niet kan worden volstaan met begeleid wonen.

9. Deze motiveringsklacht faalt omdat de rechtbank de noodzaak van een machtiging tot voortgezet verblijf heeft gemotiveerd aan de hand van medische informatie, te weten de geneeskundige verklaring en de toelichting van de behandelend arts ter zitting. Daarin is de mogelijkheid van begeleid wonen uitdrukkelijk besproken. De rechtbank heeft gewezen op diverse vormen van gevaar die niet kunnen worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis. Daaraan heeft de rechtbank toegevoegd dat zij, gelet op de mededelingen van de behandelend arts ter zitting, onvoldoende vertrouwen heeft in de consistentie van de bereidheid van betrokkene tot een vrijwillige behandeling buiten een psychiatrisch ziekenhuis. Deze redengeving kan de beslissing dragen.

10. Onderdeel 2.4 komt neer op de klacht dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de machtiging is verleend voor de duur van een jaar en niet slechts voor de duur van zes maanden.

11. Deze motiveringsklacht faalt. In het inleidend verzoekschrift is onder verwijzing naar de artikelen 15 - 19 Wet Bopz verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen. Ingevolge art. 17 lid 3 Wet Bopz heeft een dergelijke machtiging een geldigheidsduur van ten hoogste één jaar na haar dagtekening(9). Het middel klaagt niet dat die termijn zou zijn overschreden door de rechtbank. Ter zitting in eerste aanleg is, voor zover uit de beschikking en het proces-verbaal blijkt, de geldigheidsduur geen onderwerp van discussie geweest. Er was derhalve geen verweer m.b.t. de geldigheidsduur waarop de rechtbank had kunnen (en moeten) responderen. Er was voor de rechtbank evenmin een noodzaak ambtshalve nader in te gaan op de geldigheidsduur, mede gezien de inhoud van de geneeskundige verklaring waarnaar de rechtbank verwijst.

12. Toepassing van art. 81 RO wordt in overweging gegeven.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Bij brief van 17 januari 2011 is een verschrijving op blz. 1 van het cassatierekest hersteld. Een afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is later nagezonden.

2 Vgl. HR 20 oktober 2006 (LJN: AY9228), NJ 2007, 259, BJ 2006, 48 m.nt. red.; Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II 1999/2000, 26 527, nr. 5, blz. 5. Ik zie geen aanleiding voor de Hoge Raad om hierop terug te komen. Een discussie over de vraag of een onderzoek door een psychiater die niet aan dezelfde instelling verbonden is meer waarborgen biedt voor een zorgvuldig onderzoek, zoals het middelonderdeel lijkt te willen uitlokken, kan beter worden gevoerd in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel Wet verplichte ggz (Kamerstukken II 2009/10, 32 399 nr. 2 e.v.).

3 Zie art. 419 lid 2 in verbinding met art. 429 Rv.

4 Ik spreek hier niet over gevallen waarin de patiënt zich aan het onderzoek onttrekt.

5 HR 3 november 2000 (LJN: AA8079), NJ 2000, 717, kBJ 2000, 59; HR 21 februari 2003 (LJN: AF3450), NJ 2003, 484 m.nt. JdB, BJ 2003, 20 m.nt. WD.

6 EHRM 24 oktober 1979 (LJN: AC6700, Winterwerp/Nederland), NJ 1980, 114 m.nt. EAA, par. 39; EHRM 24 september 1992 (LJN: AC2379, Hercegfalvy/Oostenrijk), NJ 1993, 523 m.nt. HER onder nr. 524, par. 63.

7 EHRM 5 oktober 2000 (LJN: AS7846, Varbanov/Bulgarije), BJ 2001, 36 m.nt. WD.

8 EHRM 24 oktober 1979 (LJN-index: AC6700), NJ 1980, 114 m.nt. EAA, par. 60; EHRM 12 mei 1992 (LJN-index: AC2378), NJ 1993, 522, par. 22. Zie ook: W.J.A.M. Dijkers, Doen en laten in de Bopz-machtigingsprocedure, diss. 2003, blz. 259 e.v.; De Wet Bopz, artikelsgewijs commentaar, aant. 2.2 op art. 8 (W. Dijkers).

9 Het in het middel genoemde art. 34 Wet Bopz heeft uitsluitend betrekking op een machtiging op eigen verzoek.