Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP4678

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-04-2011
Datum publicatie
01-04-2011
Zaaknummer
10/04708
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP4678
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling; art. 288 lid 1, onder b, en lid 3 F. Cassatieberoep niet-ontvankelijk in verband met overschrijding beroepstermijn art. 292 lid 5 in verbinding met lid 3 F.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/467
JWB 2011/183
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 10/04708

mr. Wuisman

Parketdatum: 4 februari 2011

CONCLUSIE inzake:

[Verzoeker],

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen.

1. Voorgeschiedenis

1.1 Op 9 juli 2010 heeft verzoeker tot cassatie - een alleenstaande man zonder inwonende kinderen en levend van een WBB-uitkering - bij de rechtbank Amsterdam een verzoek ingediend tot toepassingverklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen. In de bij het verzoekschrift gevoegde Verklaring Schuldsanering wordt gewag gemaakt van een totale schuldenlast van € 108.692,92, waaronder een schuld aan het CJIB ter grootte van € 1.589,14, met als nadere kwalificatie: "Boete (verkeersovertreding)".((1))

1.2 Bij vonnis d.d. 31 augustus 2010 wijst de rechtbank het verzoek af op de gronden (a) dat verzoeker ten aanzien van de schuld aan het CJIB wegens verkeersovertredingen, die betrekking hebben op de periode van 10 september 2006 tot en met 4 augustus 2010, niet te goeder trouw is geweest en (b) dat omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot toepassing van artikel 288 lid 3 FW niet zijn aangevoerd of gebleken.

1.3 Het hof te Amsterdam heeft in hoger beroep bij arrest d.d. 19 oktober 2010 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe overweegt het hof, kort samengevat:

- niet aannemelijk is geworden dat verzoeker tot cassatie ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan het CJIB te goeder trouw is geweest (rov. 2.5, eerste gedeelte);

- er bevinden zich onder de opgegeven schulden nog andere schulden dan de CJIB-schuld, die ontstaan zijn in de vijf jaren voorafgaande aan de dag waarop het verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsanering is gedaan en waarvan bij gebreke van toelichting en onderbouwing evenmin aannemelijk is geworden dat het ontstaan en/of laten voortbestaan er van te goeder trouw is geschied (rov. 2.6);

- de stelling dat de omstandigheden, die tot het ontstaan en laten voortbestaan van de schulden hebben geleid, onder controle zijn, wordt gepasseerd reeds wegens onvoldoende onderbouwing (rov. 2.5, tweede gedeelte).

1.4 Verzoeker tot cassatie is van het arrest van het hof in cassatie gekomen.

2. Ontvankelijkheid cassatieberoep

2.1 Om ontvankelijk te zijn moet het cassatieberoep, gelet op artikel 292 lid 5 Fw, zijn ingesteld door indiening van een verzoekschrift bij de Hoge Raad uiterlijk op 27 oktober 2010. In het griffiedossier bevindt zich een brief van mr. Garretsen met verwijzing naar een bijgesloten verzoekschrift, welke brief als datum vermeldt 27 oktober 2010 maar op welke brief ook een vanwege de Hoge Raad geplaatst stempel voorkomt, dat als datum van binnenkomst 28 oktober 2010 noemt. Bij gebreke van aanwijzingen voor de aankomst van de brief bij de Hoge Raad op 27 oktober 2010, bijvoorbeeld door persoonlijke afgifte of toezending per fax, moet het er vooralsnog voor worden gehouden dat de brief op 28 oktober 2010 bij de Hoge Raad is aangekomen. Daaraan is de conclusie te verbinden dat het cassatieberoep na het verstrijken van de cassatietermijn is ingesteld en bijgevolg niet ontvankelijk is.

2.2 Niettemin wordt zekerheidshalve en volledigheidshalve op het aangevoerde cassatie-middel ingegaan.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1 Onder 2.5 en 2.6 van het verzoekschrift wordt opgekomen tegen 's hofs oordeel dat het niet aannemelijk gemaakt acht dat verzoeker tot cassatie de omstandigheden die tot het ontstaan en laten voortbestaan van de schulden hebben geleid, onder controle heeft.

3.1.1 Dit feitelijke oordeel kan slechts op begrijpelijkheid worden getoetst en is alleen bij onbegrijpelijkheid voor cassatie vatbaar. De onbegrijpelijkheid van het oordeel wordt niet aangetoond. De twee omstandigheden waarop wordt gewezen, te weten dat er sprake is van budgetbeheer en van een behandeling bij het centrum [A] wijzen niet dwingend op een onder controle zijn van de omstandigheden die tot het ontstaan en laten voortbestaan van de schulden hebben geleid. In het slotgedeelte van rov. 2.5 licht het hof dit ten aanzien van de behandeling bij het centrum [A] nog nader toe. Het aldaar overwogene is alleszins begrijpelijk.

3.2 In 2.7 en 2.8 wordt 's hofs oordeel bestreden dat ook ten aanzien van andere schulden dan de CJIB-schuld, die zijn ontstaan in de vijf jaren voorafgaande aan de dag waarop het verzoek om toelating tot de wettelijke schuldsanering is gedaan, niet aannemelijk is geworden dat het ontstaan en/of laten voortbestaan er van te goeder trouw is geweest.

3.2.1 Ook wat in 2.7 en 2.8 wordt aangevoerd kan verzoeker tot cassatie niet baten. In de eerste plaats rust het betoog op het onjuiste uitgangspunt, dat het ervoor moet worden gehouden dat de rechtbank ten aanzien van die andere schulden de goede trouw van verzoeker tot cassatie met betrekking tot het ontstaan en laten voortbestaan van die schulden heeft aangenomen. De rechtbank heeft dit punt onbeoordeeld gelaten. In de tweede plaats mist het betoog belang, nu in cassatie onbestreden blijft 's hofs oordeel aan het begin van rov. 2.5, dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker tot cassatie te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan het CJIB. Dat oordeel kan de afwijzing van het verzoek van verzoeker tot cassatie, voor zover gebaseerd op artikel 288 lid 1, sub b, FW, reeds ten volle dragen.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep, althans en in ieder geval tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. In het vonnis van de rechtbank wordt een bedrag van € 1.649,14 genoemd. Hierbij wordt verwezen naar een ambtshalve bij het CJIB opgevraagd overzicht van per 24 augustus 2010 openstaande vorderingen.