Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP3838

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
29-03-2011
Zaaknummer
09/01705
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP3838
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht schuldheling (art. 417bis Sr). Uit de gebezigde bm en de nadere bewijsoverweging kan niet z.m. volgen dat verdachte t.t.v. het voorhanden krijgen van de kabelhaspels redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/485
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/01705

Mr. Aben

Zitting 1 februari 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft de verdachte bij arrest van 20 maart 2009 ter zake van 1. subsidiair "schuldheling", 2. "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen" en 3. "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en beschadigen" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 11 april 2007 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand.

2. Namens de verdachte heeft mr. J.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage, beroep in cassatie ingesteld. Mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

3.1. De eerste twee middelen betreffen 's hofs bewezenverklaring onder 1. subsidiair.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard onder 1. subsidiair dat

"hij op 21 augustus 2007 te Rotterdam goederen, te weten twee (2) kabelhaspels, heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf, verkregen goederen betrof."

3.3. Blijkens de bijlage bewijsmiddelen bij het bestreden arrest heeft het hof de bewezen-verklaring onder 1. subsidiair doen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het proces-verbaal van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2007284799-5, d.d. 21 augustus 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporings-ambtenaar [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 21 augustus 2007 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Ik ben namens de benadeelde. [benadeelde partij] te [a-straat 1], [0000 AA] [plaats]; gerechtigd tot het doen van aangifte. Op het moment werken wij voor de firma [A] BV aan de [b-straat 1] te [plaats] aan de bekabeling in een pand aan de Sluisjesdijk. Op het terrein van [A] BV hebben we een container staan waar we onze bouwmaterialen bewaren. Dit terrein is middels een hek afgesloten. Voor de container stonden drie haspels met datakabels. Vandaag dinsdag 21 augustus 2007, zag ik dat er nog maar één haspel stond. Twee haspels waren weggenomen. Aan niemand werd het recht of toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

U toont mij een foto van de twee kabelhaspels die u heeft aangetroffen. Ik herken deze haspels als de haspels die van het terrein zijn weggenomen.

2. Het proces-verbaal van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2007284799-3, d.d. 21 augustus 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporings-ambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze opsporingsambtenaren:

Op dinsdag 21 augustus 2007 kregen wij van de meldkamer Politie Rotterdam-Rijnmond het verzoek om te gaan naar de Wolphaertstraat. Aldaar zou een telefooncel vernield worden door een blonde man, met lang haar en een zwarte jas met een grote cirkel op de achterzijde. De man zou met de fiets zijn. Wij zagen op de Wolphaertsbocht een man op een fiets rijden die voldeed aan het signalement. Wij hielden de man staande. De man bleek te zijn genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats]. Wij zagen dat [verdachte] een krantentas bij zich had achterop de bagagedrager. Wij zagen dat er in deze krantentas twee grote kabelhaspels zaten die ter bescherming in karton gewikkeld waren. Naar de herkomst van deze kabelhaspels gevraagd, verklaarde [verdachte] dat hij deze meegenomen had uit een pand in Schiedam dat door zijn vrienden, waarvan hij de namen niet wilde noemen, was gekraakt.

Na controle in het bedrijfsprocessensysteem bleek dat [verdachte] gesignaleerd stond ter zake van 1 dag/60 euro. Hierop hebben wij de man aangehouden en overgebracht naar het politiebureau Zuidplein te Rotterdam. De kabelhaspels hebben wij eveneens overgebracht naar het politiebureau Zuidplein, teneinde een nader onderzoek in te stellen naar de herkomst van deze kabels.

3. Het proces-verbaal van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2007284799-19, d.d. 12 februari 2009, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze opsporingsambtenaar:

Ik zag dat de fietstassen gevuld waren met een groot voorwerp, dit omdat de fietstassen bol stonden. Ik vroeg aan [verdachte] wat er in die fietstassen zat. Hierop sloeg [verdachte] de kleppen van de fietstassen open en ik zag dat er twee grote kabelhaspels inzaten.

4. Het proces-verbaal van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2007284799-11, d.d. 21 augustus 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporings-ambtenaar [verbalisant 3]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze opsporingsambtenaar:

Ik heb op 21 augustus 2007 een onderzoek ingesteld naar de herkomst van de haspels. Ik zag dat er op beide haspels een sticker was geplakt met het merk: [B] en de klant (customer): [C].

Na telefonisch contact te hebben gehad met een medewerker van [C] BV bleek dat dit de enige firma is die kabels levert van het merk [B]. De medewerker verklaarde de kabelhaspels te hebben geleverd aan de [benadeelde partij] uit [plaats]. [Benadeelde partij] was bezig met een nieuwbouw project van de firma [A], gevestigd aan de [b-straat 1] te [plaats].

De logistiek manager van de firma [A] BV heeft verklaard dat er in de nacht van maandag 20 augustus 2007 en dinsdag 21 augustus 2007, van het afgesloten terrein aan de [b-straat 1] te [plaats] twee kabelhaspels van [benadeelde partij] waren ontvreemd. Vervolgens heb ik met toestemming van de officier van Justitie de verdachte [verdachte] op dinsdag 21 augustus 2007 aangehouden ter zake diefstal dan wel heling.

5. Het proces-verbaal van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 23 augustus 2007. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 23 augustus 2007 tegenover deze rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte:

Nu achteraf denk ik dat de mensen van wie ik ze heb gekregen om weer te geven aan anderen, ze misschien gestolen hebben."

3.4. Het eerste middel valt - althans, zo vat ik het op - in een tweetal klachten uiteen. De eerste klacht richt zich tegen 's hofs verwerping van het door de raadsman van de verdachte gevoerde verweer dat sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking van de fietstassen van de verdachte.

3.5. Het hof heeft het bedoelde verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen (blz. 4-5):

"Nadere bewijsoverweging

Ter zake van het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsman betoogd dat de haspels welke zijn aangetroffen in de fietstassen van de verdachte als vruchten van een onrechtmatige doorzoeking van het bewijs dienen te worden uitgesloten. (...)

Het hof overweegt als volgt.

Op 21 augustus 2007 hebben de verbalisanten een melding binnengekregen van de Politie Rotterdam Rijnmond dat in de Wolphaertstraat te Rotterdam een telefooncel vernield zou zijn. De verbalisanten zagen ter plaatse een man fietsen die voldeed aan het signalement van de man die de telefooncel vernield zou hebben. Hierop hebben zij de verdachte staande gehouden (PV nr. 2007284799-03).

Verbalisant [verbalisant 1] zag dat de fietstassen van de verdachte gevuld waren met een groot voorwerp, omdat die fietstassen bol stonden en heeft aan de verdachte gevraagd wat er in die fietstassen zat. Hierop heeft de verdachte de kleppen van de fietstassen geopend, waardoor twee grote, in karton verpakte kabelhaspels zichtbaar waren (PV nr. 2007284799-19). (...)

Gezien het voorgaande is naar het oordeel van het hof geen sprake geweest van doorzoeking (...). Het hof verwerpt deze verweren van de raadsman."

3.3. Aldus heeft het hof met verwijzing naar de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] (zie het aanvullende proces-verbaal van 12 februari 2009 met nr. 2007284799-19) vastgesteld dat de verdachte op 21 augustus 2007 na door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] staande te zijn gehouden uit vrije wil de inhoud van zijn fietstassen heeft getoond. 's Hofs oordeel in dit verband dat derhalve geen (onrechtmatige) doorzoeking van de genoemde fietstassen heeft plaatsgevonden getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Evenmin is dat oordeel - in het licht van het door de raadsman van de verdachte gevoerde verweer - ontoereikend gemotiveerd.

3.4. De eerste klacht van het eerste middel faalt.

3.5. Met de tweede klacht van het eerste middel wordt betoogd dat in de door het hof als bewijsmiddelen 2 en 3 opgenomen processen-verbaal een tegenstrijdigheid besloten ligt. Volgens de steller van het middel moet het als bewijsmiddel 2 opgenomen proces-verbaal worden gelezen als inhoudende dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], nadat zij de verdachte staande hadden gehouden, "spontaan en onmiddellijk" zagen dat deze twee kabelhaspels in zijn fietstassen had. De bewijsmiddelen 2 en 3 zouden met elkaar in tegenspraak zijn aangezien uit het als bewijsmiddel 3 opgenomen (aanvullende) proces-verbaal volgt dat de betreffende kabelhaspels pas zichtbaar werden op het moment dat de verdachte de kleppen daarvan opensloeg naar aanleiding van de vraag van verbalisant [verbalisant 1] naar de inhoud van zijn fietstassen. Het hof had - aldus de steller van het middel - de genoemde bewijsmiddelen niet zonder nadere motivering naast elkaar mogen gebruiken.

3.7. De klacht kan reeds vanwege het volgende niet slagen. Het punt waarop de vermeende tegenstrijdigheid betrekking heeft - te weten: of de verbalisanten de kabelhaspels direct hebben waargenomen dan wel pas na de verdachte een vraag te hebben gesteld - is op zichzelf genomen niet van belang voor 's hofs bewezenverklaring onder 1. subsidiair. Wat uit de gebezigde bewijsmiddelen dient te blijken is of de verdachte de onder 1. subsidiair tenlastegelegde schuldheling heeft begaan, niet of de verdachte de verbalisanten uit vrije wil de inhoud van zijn fietstassen heeft getoond. Dat de raadsman i.c. als verweer heeft gevoerd dat sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking van de fietstassen van de verdachte maakt dit niet anders.

Overigens merk ik op dat het als bewijsmiddel 2 opgenomen proces-verbaal ook zonder veel problemen zo kan worden gelezen dat dit ten aanzien van de vragen op welk moment en hoe de verbalisanten de kabelhaspels hebben kunnen waarnemen eenvoudigweg niets inhoudt. Tegenstrijdigheid met het als bewijsmiddel 3 opgenomen proces-verbaal doet zich bij een dergelijke lezing niet voor.

3.8. Ook de tweede klacht van het eerste middel faalt derhalve.

4.1. Het tweede middel klaagt over 's hofs gebruik voor het bewijs van de als bewijsmiddel 5 opgenomen verklaring van de verdachte. Nu deze verklaring betrekking heeft op hetgeen de verdachte over de herkomst van de kabelhaspels achteraf heeft gedacht, zou 's hofs bewezenverklaring onder 1. subsidiair - voor zover inhoudende dat de verdachte op het moment dat hij de kabelhaspels voorhanden kreeg had moeten vermoeden dat zij uit diefstal afkomstig waren - onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd zijn.

4.2. Het bestreden arrest houdt als nadere bewijsoverweging van het hof onder meer in (blz. 5):

"De diefstal van de kabelhaspels heeft blijkens het proces-verbaal in tijd en plaats zich afge-speeld kort voor en in de nabijheid van de aanhouding van de verdachte. Voorts verklaart de verdachte bij de rechter-commissaris op 23 augustus 2007: 'Nu achteraf denk ik dat de mensen van wie ik ze heb gekregen om weer te geven aan anderen, ze misschien gestolen hebben'.

Gezien deze feiten en omstandigheden acht het hof het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de kabelhaspels van diefstal of enig ander misdrijf afkomstig waren."

4.3. Het middel heeft een punt. Anders dan de steller van het middel lijkt te menen, is op zichzelf genomen niet uitgesloten dat een verklaring van een verdachte over wat hij op een later tijdstip heeft gedacht over de herkomst van door hem verkregen goederen redengevend kan zijn voor het bewijs van schuldheling. Aangezien voor het bewijs van schuldheling in de zin van art. 417bis, eerste lid en onder a, Sr wordt vereist dat de verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van bepaalde goederen "redelijkerwijs had moeten vermoeden" dat zij door misdrijf verkregen waren, zijn de gedachten van de verdachte zelf over de herkomst van goederen - of deze gedachten nu vooraf, op het tijdstip van het voorhanden krijgen zelf of achteraf bij hem opkomen - in zekere zin niet van belang. Dit neemt niet weg dat de bedenkingen van de verdachte over de herkomst van door hem voorhanden gekregen goederen - wederom: ongeacht het moment waarop deze gedachten bij hem opkomen - redengevend kunnen zijn voor het bewijs dat hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de goederen door diefstal verkregen waren, voor zover die bedenkingen wijzen op het bestaan van feiten of omstandigheden die in dit verband wel relevant zijn. Het probleem met 's hofs gebruik voor het bewijs van de als bewijsmiddel 5 opgenomen verklaring van de verdachte is dan ook dat het hof nergens duidelijk maakt waarin het belang van die verklaring voor de bewijsvoering gelegen is. Nu noch uit de overige gebezigde bewijsmiddelen noch uit de nadere bewijsoverwegingen van het hof zonder meer kan volgen dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de kabelhaspels door misdrijf verkregen waren, is 's hofs bewezenverklaring onder 1. subsidiair in zoverre zonder nadere motivering niet begrijpelijk.

4.4. Het tweede middel slaagt m.i.

5.1. Het derde middel ziet op 's hofs bewezenverklaring onder 2. Het hof zou uit de gebezigde bewijsmiddelen niet hebben kunnen afleiden dat de verdachte hard tegen de ruit van het arrestantenverblijf heeft geslagen of gestompt.

5.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard onder 2. dat

"hij op 17 oktober 2006 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een voorlopig arrestantenverblijf in het politiebureau Zuidplein, toebehorende aan de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, heeft beschadigd door tegen die ruit te slaan en/of te stompen."

5.3. Blijkens de bijlage bewijsmiddelen bij het bestreden arrest heeft het hof de bewezenverklaring onder 2. doen steunen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen:

"6. Het proces-verbaal van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2006367137-1, d.d. 24 oktober 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 24 oktober 2006 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van [verbalisant 5]:

Ik ben namens de benadeelde, Politie Rotterdam-Rijnmond te Doelwater 5 Rotterdam, gerechtigd tot het doen van aangifte. Op dinsdag 17 oktober 2006 werd het feit in het Zuidplein 111 te Rotterdam gepleegd.

Op 17 oktober 2006 heeft de verdachte een ruit van het voorlopig arrestantenverblijf (vav) vernield. Ongeveer 10 seconden nadat ik de verdachte op dinsdag 17 oktober 2006 in de vav plaatste hoorde ik een harde knal vanuit de richting van deze vav. Toen ik meteen daarna bij deze vav keek zag ik dat er in de ruit naast de deur een grote ster zat. Toen ik de verdachte insloot waren alle ruiten van de genoemde vav nog onbeschadigd.

7. Het proces-verbaal van de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, nr. 2006358843-11, d.d. 17 oktober 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als de op 17 oktober 2006 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van de verdachte:

U vraagt mij wat ik wil verklaren over het feit dat ik zojuist op 17 oktober 2006 de ruit van het arrestantenverblijf vernielde. Ik snap niet dat die ruit zo snel kapot ging. Ik wilde alleen iemand waarschuwen dat ik naar het toilet moest. Ik wilde die ruit niet vernielen."

5.4. Het bestreden arrest houdt als nadere bewijsoverweging van het hof onder meer in (blz. 5-6):

"Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman betoogd dat niemand heeft gezien dat de verdachte het raam in het arrestantenverblijf daadwerkelijk heeft vernield en dat ook het opzet op de vernieling nergens uit is af te leiden.

Het hof overweegt als volgt.

Verbalisant [verbalisant 5] heeft ongeveer 10 seconden nadat hij de verdachte op 17 oktober 2006 had ingesloten in het arrestantenverblijf een harde knal gehoord. Hij is meteen gaan kijken en zag dat er in de ruit naast de deur een grote ster zat. Ten tijde van het insluiten waren alle ruiten van het genoemde arrestantenverblijf nog onbeschadigd (PV nr. 2006367137-1). De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij iemand wilde waarschuwen omdat hij naar het toilet moest en niet het opzet had die ruit te vernielen (PV nr. 2006358843-11). Gezien de feitelijke constatering dat zo kort vóórdat de verdachte werd ingesloten de ruit nog onbeschadigd was moet - naar het oordeel van het hof - het de verdachte zijn geweest die de ruit heeft beschadigd.

Door hard tegen de ruit te slaan en/of te stompen heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat deze ruit als gevolg daarvan beschadigd zou raken. Het hof verwerpt ook dit verweer van de raadsman."

5.5. Uit de hier aangehaalde nadere bewijsoverweging volgt dat het hof het voorwaardelijk opzet van de verdachte op het beschadigen van de ruit van het arrestantenverblijf uitsluitend heeft afgeleid uit de vastgestelde omstandigheid dat de verdachte tegen de betreffende ruit een harde klap of stomp gegeven heeft. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de gebezigde bewijsmiddelen op geen enkele wijze inhouden dat door de verdachte met kracht geslagen of gestompt is, zodat het hof zich voor de vaststelling van deze omstandigheid enkel kan hebben gebaseerd op het gevolg van de slag of stomp van de verdachte. De bewijsredenering van het hof zou aldus uit het ongerijmde stammen.

5.6. Dat het hof voor zijn vaststelling van de omstandigheid dat de verdachte een harde klap of stomp tegen de ruit heeft gegeven louter moet zijn uitgegaan van het geconstateerde gevolg daarvan, is echter onjuist. Het als bewijsmiddel 6 opgenomen proces-verbaal houdt onder meer in dat de verbalisant [verbalisant 5] ongeveer tien seconden nadat hij de verdachte had ingesloten een harde knal hoorde, afkomstig uit de richting van het arrestantenverblijf van de verdachte. Ook zonder nadere motivering heeft het hof uit deze omstandigheid kunnen afleiden dat door de verdachte bij het slaan of stompen de nodige kracht is uitgeoefend.(1)

5.7. Het derde middel faalt daarom.

6.1. Het vierde middel heeft betrekking op het onder 3. tenlastegelegde feit en richt zich tegen 's hofs verwerping van een door de raadsman van de verdachte gedaan beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.

6.2. Het bestreden arrest houdt - voor zover hier van belang - in (blz. 6):

"Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman heeft betoogd dat het onder 3 tenlastegelegde feit niet strafbaar is, omdat de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte het raam heeft vernield om het pand te kraken. Het kraken van een pand is niet wederrechtelijk en om dit doel te bereiken is enige vernieling noodzakelijk. De door verdachte toegebrachte schade is proportioneel geweest tot bereiken van dat doel.

Het hof overweegt als volgt.

Op 9 juli 2007 is aangifte gedaan van de vernieling van een ruit en/of raamhek aan een pand aan de Wolphaertsbocht te Rotterdam (PV nr. 2007235190-1). Getuige [getuige 1] heeft bij de politie -zakelijk weergegeven- verklaard getuige te zijn geweest van een inbraak dan wel vernieling aan de [c-straat 1] te Rotterdam, waarbij hij zag dat een man tegen het raam trapte; daarop heeft hij de politie gebeld (PV nr. 2007235190-9), die de verdachte vervolgens op heterdaad heeft aangehouden op grond van inbraak/vernieling (PV nr. 2007235190-2).

De gestelde intentie van de verdachte dat hij het pand slechts wilde kraken, rechtvaardigt nog niet de vernieling en/of de beschadiging van het raamhek van een ander zoals onder 3 is bewezenverklaard. Of het kraken van een woning, vanuit het standpunt van de rechtsorde bezien, een zo tastbaar voordeel oplevert dat dit tegen het nadeel van de strijd met de wet, zijnde de wederrechtelijke vernieling van andermans eigendom, opweegt, behoeft geen nadere bespreking.

Het hof verwerpt het verweer."

6.3. Allereerst dit. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld heeft het hof niet "geheel en expliciet" nagelaten zijn verwerping van het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid te motiveren. Het hof heeft immers overwogen dat geen nadere bespreking behoeft of het kraken van een woning een zo tastbaar voordeel oplevert dat dit tegen het nadeel van de vernieling van andermans eigendom opweegt. Het hof heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat de gestelde intentie van de verdachte dat hij het pand slechts wilde kraken de vernieling en/of beschadiging van andermans eigendom nog niet rechtvaardigt. In deze overweging ligt als 's hofs kennelijke oordeel besloten dat van de zijde van de verdediging volstrekt onvoldoende is aangevoerd om te kunnen zeggen dat aan het handelen van de verdachte in dit concrete geval de wederrechtelijkheid heeft ontbroken. Dit oordeel is begrijpelijk en behoefde door het hof niet nader te worden gemotiveerd, zodat de betreffende overweging de verwerping van het beroep zelfstandig kan dragen. Indien 's hofs eerdergenoemde overweging ten aanzien van de vraag of het kraken van een woning een zodanig voordeel oplevert dat het tegen het nadeel van strijd met de wet opweegt te stellig of te algemeen van strekking moet worden geacht, dan kan het bestreden arrest zonder problemen met weglating daarvan worden gelezen.

6.4. Het vierde middel faalt alleen al om deze redenen.

7. Het tweede middel slaagt. Het eerste, derde en vierde middel falen en kunnen naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch uitsluitend wat betreft de bewezenverklaring van het onder 1. subsidiair tenlastegelegde feit, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Overigens hecht ik eraan op te merken dat er met de redenering van bewijs uit het ongerijmde alsmede met het afleiden van oorzaken uit gevolgen juridisch noch feitelijk iets mis hoeft te zijn.