Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP3274

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-03-2011
Datum publicatie
04-03-2011
Zaaknummer
10/01302
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2009:BL3571
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP3274
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Vordering tegen TBS-instelling tot verklaring voor recht dat niet is gebleken van drugshandel en -gebruik door degene aan wie terbeschikkingstelling met dwangverpleging is opgelegd, terecht afgewezen? (art. 81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/350
JWB 2011/121
Verrijkte uitspraak

Conclusie

nr. 10/01302

mr J. Spier

Zitting 7 januari 2011 (bij vervroeging)

Enigszins verkorte conclusie inzake

[Eiser]

tegen

Pompestichting

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Naar de kern genomen gaat het in deze zaak om het volgende. [Eiser] is door de strafrechter ter beschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd. Sinds 11 november 2003 verblijft hij in de Pompestichting, laatstelijk op de locatie Vught.

1.2 In het kader van een onderzoek naar drugsgebruik is door mede-patiënten van [eiser] aangegeven dat hij in harddrugs zou handelen. In verband daarmee is hij met negatief resultaat op drugs gecontroleerd. In het behandelingsplan wordt van deze verdenking melding gemaakt. Datzelfde geldt, onder vermelding van de redenen van deze verdenking, voor de "longstay-aanvraag" van het ministerie.

1.3 Op vordering van de OvJ is de tbs verlengd door de Rechtbank Utrecht. Deze uitspraak is tevergeefs bestreden bij het Hof Arnhem. Het Hof wijst er onder veel meer op dat sprake is van "middelengebruik".

1.4 Op 23 augustus 2007 heeft [eiser] Pompestichting gedagvaard. Hij heeft, na wijziging van zijn vordering bij mvg (blz. 2) een verklaring voor recht gevorderd dat van "drugsgebruik en/of drugshandel van [eiser] binnen de instellingen van de Pompekliniek niet dan wel onvoldoende is gebleken", om Pompestichting te bevelen zich te onthouden van uitlatingen "omtrent drugsgebruik of drugshandel van eiser" zomede veroordeling tot betaling van smartengeld ad € 500.

1.5 De vorderingen zijn zowel door de Rechtbank als door het Hof afgewezen.

1.6 [Eiser] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. Het beroep is tegengesproken door Pompestichting. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. [Eiser] heeft nog gerepliceerd.

2. Behandeling van de klachten is overbodig

2.1 Zoals vermeld onder 1.3 heeft het Hof Arnhem het beroep tegen verlenging van de tbs ongegrond bevonden. Deze uitspraak is overgelegd als prod. 6 bij inleidende dagvaarding. De feitenvaststelling op dit punt wordt niet bestreden. Evenmin de juistheid van het citaat in rov. 2.7 van het in noot 1 genoemde vonnis.

2.2 Zoals vermeld onder 2.1 heeft het Hof dat over de verlenging van de tbs besliste geoordeeld dat [eiser] zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van "middelen" tijdens zijn verblijf in de inrichting. Waar het Hof rept van "middelen" wordt onmiskenbaar gedoeld op gebruik (misbruik) van drugs. Ook onderdeel 12 van het middel gaat daar terecht van uit.

2.3 Bij deze stand van zaken is de vordering tot mislukken gedoemd, wat er verder ook zij van 's Hofs redengeving en de daartegen gerichte klachten.

2.4.1 In dit verband doet niet ter zake of genoemd oordeel van het Hof in het kader van de verlenging al dan niet juist is. Tegen zijn oordeel is immers geen rechtsmiddel aangewend. Daarom zal van de juistheid van 's Hofs oordeel moeten worden uitgegaan. De burgerlijke rechter heeft niet de vrijheid zich op dit punt een zelfstandig oordeel te vormen. Zo'n oordeel zou bovendien onmogelijk zijn omdat niet alle stukken in geding zijn gebracht. Uit de - als gezegd - wél in geding gebrachte uitspraak van het Hof in de verlengingsprocedure kan ik niet afleiden waarop het Hof zijn oordeel over "middelenmisbruik" baseert. Wél is mij opgevallen dat [eiser], noch zijn raadsman, in hun in de uitspraak weergegeven verklaringen, op dit punt zijn ingegaan.

2.4.2 [Eiser] worden toegegeven dat niet erg bevredigend is dat het Hof zijn oordeel omtrent het "middelenmisbruik" niet kenbaar onderbouwt. Het zou inderdaad betreurenswaardig zijn wanneer 's Hofs oordeel op dit punt onjuist zou zijn. Tegen onjuiste beslissingen kan evenwel slechts worden opgekomen door aanwending van een rechtsmiddel. Wanneer dat niet openstaat valt daarmee in beginsel het doek.

2.4.3 Wellicht zou niet onmogelijk zijn geweest om, niettegenstaande het ontbreken van een rechtsmiddel, cassatieberoep in te stellen en/of andere juridische wegen te bewandelen wanneer 's Hofs oordeel totstand zou zijn gekomen met veronachtzaming van een zo fundamenteel rechtsbeginsel dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken.(2) De onderhavige vordering is daarop evenwel niet gestoeld, daargelaten of dergelijke vorderingen zelfs onder de zojuist genoemde omstandigheden met vrucht bij de burgerlijke rechter, oordelend in civiele zaken, aanhangig zouden kunnen worden gemaakt.

2.5 Ten overvloede: uit de door het Hof voor de verlenging van de tbs gebezigde redengeving blijkt m.i. zonneklaar dat het "middelenmisbruik" geen dragende grond is. 's Hofs oordeel wordt - kort gezegd - in het bijzonder gebaseerd op en gedragen door de afwezigheid van "probleembesef" bij [eiser], zijn "antisociale persoonlijkheidsstoornis" en de daarmee gepaard gaande risico's voor "de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen". Bij die stand van zaken mist hij belang bij zijn klachten.

2.6 Het Hof heeft in rov. 4.3 en 4.4 uitgelegd dat en waarom Pompestichting, gelet op de vigerende wettelijke bepalingen, gehouden was om - kort gezegd - melding te maken van de verdenkingen. Dat oordeel wordt niet bestreden. Het kan 's Hofs oordeel dragen. Alle klachten stuiten ook daarop af.

3. Korte bespreking van de klachten

3.1 Onderdeel 2 stuit af op hetgeen is vermeld onder 2.2.

3.2.1 De onderdelen 3, 4 en 6 - 9 miskennen bovendien dat in cassatie vaststaat dat sprake is geweest van mededelingen van mede-patiënten dat [eiser] zich schuldig maakte aan handelen in harddrugs. De enkele omstandigheid dat een controle negatief is uitgevallen, betekent niet dat daarmee de onschuld is komen vast te staan. Daarom valt niet in te zien waarom Pompestichting a) geen melding mocht maken van de op genoemde mededelingen gebaseerde verdenkingen en nog minder waarom zij b) had moeten weten dat [eiser] onschuldig is. Het is best mogelijk dat hij onschuldig is, maar vast staat dat niet. Zoeits kan trouwens ook moeilijk komen vast te staan.

3.2.2 Ter vermijding van misverstand: ik geef daarmee geen eigen oordeel over de vraag of [eiser] al dan niet is betrokken geweest bij handel in of gebruik van drugs in de inrichting. Een eigen oordeel daarover heb ik niet en dat zou ik ook niet kunnen geven op basis van onvolledige gegevens die in deze procedure zijn overgelegd. Het is bovendien een feitelijke kwestie die niet tot het werkterrein van de Hoge Raad (en het Parket) behoort.

3.3 Voor zover onderdeel 5 erover bedoelt te klagen dat grief 2 opkomt tegen de vaststelling dat mede-patiënten hebben aangegeven dat [eiser] handelde in harddrugs mist het feitelijke grondslag. Grief 2 voert dat namelijk niet aan. Het Hof behoefde op deze stelling dan ook niet in te gaan.

3.4 Onderdeel 10 bouwt op deze klachten voort en deelt hun lot.

3.5.1 Onderdeel 11 mislukt omdat duidelijk is wat het Hof in rov. 4.6 oordeelt: [eiser] had zijn standpunt aan de orde kunnen stellen in het kader van de procedure over de verlenging van de maatregel en kan dat, zo nodig, opnieuw in bij een eventuele vervolg-verlenging. Bovendien gaat het om een obiter dictum.

3.5.2 Als juist zou zijn dat tegen een oordeel van het Hof dat over de verlenging heeft geoordeeld geen voorziening openstond (wat, anders dan het onderdeel aanvoert, niet is te lezen in art. 38d lid 2 Sr.)(3), ook niet onder de door [eiser] genoemde omstandigheden, dan zal van 's Hofs oordeel moeten worden uitgegaan. Als zo'n voorziening wel mogelijk zou zijn geweest, loopt de klacht stuk op de omstandigheid dat deze niet is aangewend.

3.6 In zijn s.t. besteedt mr Garretsen onder 2.3 nog aandacht aan de Wet bescherming persoonsgegevens. Ik ga daaraan voorbij omdat de klachten daarop niet zijn geënt.

3.7 À la barbe van de klachten en van 's Hofs arrest volledigheidshalve nog twee kanttekeningen:

a. voor een ieder die wordt verdacht van feiten die hij niet heeft gepleegd, is minst genomen uitermate vervelend dat zo'n verdenking nochtans bestaat. Het is nog aanzienlijk vervelender en in voorkomende gevallen ronduit tragisch wanneer daarvan in zo'n geval in - voor justitieel gebruik bestemde - stukken melding wordt gemaakt. Een in bepaalde opzichten vergelijkbare problematiek deed zich voor in de zaak R.W. tegen Nederland.(4) Het kenmerkende verschil met die zaak, die van de rol is geschrapt omdat verzoeker, verscheidene herinneringen ten spijt, er niet in was geslaagd een advocaat te vinden zonder daarvoor een verklaring te geven, is evenwel dat ten aanzien van [eiser] het Hof dat oordeelde over de verlenging van de tbs - op voor zover kenbaar wankele gronden, maar nochtans - melding heeft gemaakt van "middelenmisbruik", waarmee onmiskenbaar wordt gedoeld op drugs; zie hiervoor onder 1.3 en 2.2;

b. in zaken waarin vergoeding werd gevraagd voor beweerdelijk onterechte toepassing van strafvorderlijke maatregelen is, volgens vaste rechtspraak, voor aansprakelijkheid vereist dat - kort gezegd - uit de stukken of een rechterlijke uitspraak verdachtes onschuld blijkt.(5) Dat de onder 1.2 genoemde controle geen positieve resultaten heeft opgeleverd, is zeker een aanwijzing voor de juistheid van de stellingen van [eiser]. Daar staan evenwel niet alleen mededelingen van mede-patiënten maar vooral ook de onder 1.3 geoemde uitspraak van het Hof tegenover. Wanneer we de parallel met de zojuist genoemde arresten van Uw Raad doortrekken, leidt dat in casu m.i. tot de door het Hof in de onderhavige procedure bereikte uitkomst.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie voor een uitvoeriger weergave rov. 2 van het vonnis van de Rb. Arnhem van 19 maart 2008.

2 Vergelijk HR 27 maart 1998, NJ 1998, 553. Onder omstandigheden zou art. 457 lid 1 onder 3 Sv. (per analogiam) wellicht toepassing kunnen vinden.

3 De stelling is, zij het op andere grond, in beginsel wel juist: art. 509x lid 2 Sv.

4 EHRM 14 september 2010, nr 37281/05, NJB 2010 blz. 2823/4.

5 Zie nader Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding (Spier) (2009) nr 184 met verdere vindplaatsen.