Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP3051

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
09/04094
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP3051
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht/procesrecht. Ongeval tijdens werk. Aansprakelijkheid (inlener) op de voet van art. 6:170 BW voor “fout” ondergeschikte als gevolg waarvan de inleenkracht (letsel)schade heeft opgelopen? Had de rechter - ingevolge zijn plicht tot ambtshalve aanvulling van rechtsgrond (art. 25 Rv.) - in dit geval moeten beoordelen of aansprakelijkheid kon worden aangenomen op grond van art. 7:658 BW of was hier sprake van een (ter onderbouwing van de vordering aangedragen) exclusieve rechtsgrond? (art. 81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/508
JWB 2011/201
JAR 2011/132
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 09/04094

mr. Wuisman

Roldatum: 28 januari 2011

CONCLUSIE inzake:

[Eiser],

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. H.W.J. Alt;

tegen

Hilton Meats Zaandam B.V.,

verweerster in cassatie,

advocaat: mr. M.E. Franke.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:((1))

(i) Eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) was vanaf december 2002 door Capac Inhouse Services, (hierna: Capac) als uitzendkracht te werk gesteld bij verweerster in cassatie (hierna: Hilton Meats) op de afdeling gehaktproductie.

(ii) Op 5 februari 2003 stond [eiser] samen met een andere werknemer, [betrokkene 1] geheten (hierna: [betrokkene 1]), aan de gehaktband, waarmee stukken (bevroren) vlees naar de gehaktmolen worden getransporteerd. De taakverdeling was op dat moment dat [betrokkene 1] stukken vers of bevroren vlees van de pallets op de transportband legde, waarna [eiser] de restanten plastic, papier etc. van het vlees verwijderde.

(iii) Tijdens genoemde werkzaamheden is [eiser] met zijn linkerhand bekneld geraakt tussen twee brokken bevroren vlees, tengevolge waarvan hij blijvend letsel heeft opgelopen.

1.2 [Eiser] is op 21 augustus 2003 eerst een procedure bij de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Zaandam, tegen Capac begonnen, waarin [eiser] Capac op de voet van artikel 7:658 BW aansprakelijk houdt voor de door hem als gevolg van het arbeidsongeval geleden schade. Capac heeft in die procedure Hilton Meats in vrijwaring opgeroepen. Bij vonnis d.d. 7 oktober 2004 heeft de Kantonrechter de vordering van [eiser] tegen Capac en in aansluiting daarop ook die van Capac tegen Hilton Meats afgewezen na te hebben geoordeeld dat uit de gang van zaken, waarover partijen het ook op de comparitie van partijen in grote lijnen eens zijn, niet kan worden opgemaakt dat Capac en/of Hilton Meat in hun zorgplicht jegens [eiser] tekort zouden zijn geschoten.((2)) [eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan, maar heeft nadien dit hoger beroep ingetrokken.

1.3 Bij exploot van 22 juni 2006 heeft [eiser] Hilton Meats voor de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Zaandam, gedagvaard. Hij vordert voor recht te verklaren dat Hilton Meats aansprakelijk is voor de in een schadestaatprocedure nader te bepalen schade die hij als gevolg van het arbeidsongeval op 5 februari 2003 heeft geleden en nog zal lijden, en verder om Hilton Meats te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 3000,- op de materiële schade. Hij onderbouwt de vorderingen aldus dat [betrokkene 1] op 5 februari 2003 bij het gooien althans onvoorzichtig plaatsen van een stuk vlees op de band onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat Hilton Meats als werkgever van [betrokkene 1] uit hoofde van artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor de schade als gevolg van dit onvoorzichtige handelen.((3))

Bij conclusie van antwoord heeft Hilton Meats, gelet op de voor de vorderingen aangevoerde rechtsgrond, de exceptie van onbevoegdheid van de Kantonrechter om van de vorderingen kennis te nemen opgeworpen. Overeenkomstig het verzoek van [eiser] zelf in de daarop genomen incidentele conclusie van antwoord heeft de Kantonrechter de zaak in de stand waarin deze zich bevond naar de rechtbank te Haarlem, sector civiel, verwezen.

1.4 Na [eiser] eerst in de gelegenheid te hebben gesteld bewijs te leveren van zijn stelling dat [betrokkene 1] op 5 februari 2003 stukken vlees op de band heeft gegooid althans onvoorzichtig op de band heeft gelegd, komt de rechtbank bij vonnis d.d. 18 juni 2008 tot de slotsom dat de door [eiser] gestelde toedracht van het ongeval niet is komen vast te staan en dus diens vorderingen dienen te worden afgewezen.

1.5 [Eiser] heeft hoger beroep ingesteld bij het hof Amsterdam. Met de aangevoerde grieven wordt bestreden dat een onrechtmatig handelen van [betrokkene 1] jegens [eiser] op 5 februari 2003 niet kan worden vastgesteld. In zijn arrest van 28 april 2009 komt echter ook het hof tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat [betrokkene 1] bij zijn werkzaamheden aan de gehaktlijn van Hilton Meats een stuk bevroren vlees op de band heeft gegooid althans onvoorzichtig daarop heeft gelegd. Het hof bekrachtigt het bestreden eindvonnis van de rechtbank.

1.6 Van het arrest van het hof is [eiser] bij exploot van 28 juli 2009 in cassatie gekomen. In haar conclusie van antwoord concludeert Hilton Meats tot verwerping van het cassatieberoep. Na de schriftelijke toelichting aan weerszijden volgen nog een re- en dupliek.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel bevat na een inleiding klachten, die zijn ondergebracht in een onderdeel 2 en een onderdeel 3.

onderdeel 2

2.2 De klachten in onderdeel 2 komen hierop neer dat hof de door [eiser] jegens Hilton Meats ingestelde vorderingen alleen op grond van artikel 6:170 BW heeft beoordeeld en niet, onder toepassing van artikel 25 Rv, mede op grond van artikel 7:658 BW. Hetgeen [eiser] met betrekking tot het ongeval heeft gesteld, biedt immers de ruimte om de vorderingen van [eiser] op Hilton Meats op grond van dit laatste artikel te beoordelen. De klachten falen.

2.3 Artikel 25 Rv draagt weliswaar de rechter op om de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen - dus om toepassing te geven aan rechtsgronden waarop een partij niet (duidelijk) een beroep heeft gedaan -, maar aan het uitvoering geven aan die opdracht zijn wel voorwaarden verbonden. Ten eerste is vereist dat de feiten en omstandigheden die nodig zijn om toepassing te kunnen geven aan de aan te vullen rechtsgrond, ten processe zijn gesteld en/of gebleken. Dit volgt uit artikel 149, eerste volzin, Rv.((4)) Voorts is vereist dat de feiten en omstandigheden waarop de aanvulling van de rechtsgrond betrekking heeft, ook door de betrokken partij ter onderbouwing van haar vordering of verweer naar voren zijn gebracht. Ten slotte is vereist dat de partij, ten behoeve van wie de aanvulling geschiedt, zich niet zodanig heeft gedragen dat moet worden aangenomen dat de aanvulling niet strookt met de bedoeling van die partij. De laatste twee vereisten vloeien in de eerste plaats voort uit de in artikel 24 Rv tot uitdrukking komende partij-autonomie, een belangrijk beginsel van procesrecht. Artikel 24 Rv schrijft de rechter voor dat hij de zaak beslist op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten grondslag hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit. Bij dit laatste voorbehoud moet vooral worden gedacht aan gevallen, waarin de openbare orde of zaken, waarover partijen niet zelfstandig kunnen beschikken, een rol spelen.((5)) De laatste twee vereisten vinden intussen mede hun grondslag in het belangrijke procesrechtelijke beginsel van hoor en wederhoor. Het moet nl. ook voor de wederpartij duidelijk zijn, wat de andere partij aan haar vordering of verweer ten grondslag heeft gelegd. Dan pas is die wederpartij bij machte zich naar behoren te verweren.((6)) Indien de wederpartij, gelet op de door de andere partij ingenomen proceshouding, in redelijkheid niet bedacht heeft hoeven te zijn op toepassing van een rechtsgrond, dan kan daarin aanleiding worden gevonden om van aanvulling van die rechtsgrond af te zien. Hiertoe bestaat vooral aanleiding in de gevallen, waarin gesproken kan worden van een duidelijke keuze van de andere partij voor een bepaalde rechtsgrond.((7))

2.4 In casu zijn er voldoende aanwijzingen om te kunnen aannemen dat het beoordelen van de vorderingen van [eiser] jegens Hilton Meats op grond van artikel 7:658 BW geacht kan worden niet te stroken met de bedoeling van [eiser]. Reeds in de dagvaarding in eerste aanleg, met name sub 12 en 13, brengt [eiser] tot uitdrukking dat hij Hilton Meats in de onderhavige procedure beoogt aan te spreken op grond van 6:170 BW. Hij heeft het daar over een fout van [eiser] en niet (tevens) van Hilton Meats en hij houdt laatstgenoemde voor de schade uit die fout aansprakelijk, omdat Hiton Meats ingevolge artikel 6:170 BW als werkgever van [eiser] het risico draagt voor fouten van haar werknemers en de schade daaruit voor derden. De hieruit al duidelijk blijkende exclusieve keuze voor artikel 6:170 BW als grondslag voor de vorderingen jegens Hilton Meats, vindt nadere verklaring en bevestiging in de voorgeschiedenis. In de hierboven in 1.2 vermelde procedure was al in oktober 2004 beslist dat niet kan worden vastgesteld dat Capac en Hilton Meat in hun zorgplicht jegens [eiser] tekort zouden zijn geschoten. Het tegen deze beslissing gerichte hoger beroep is niet voortgezet. Verder heeft [eiser] in het bevoegdheidsincident in de onderhavige procedure niet bestreden dat zijn vorderingen op artikel 6:170 BW waren gegrond. Dit alles maakt een bewuste keuze bij [eiser] voor artikel 6:170 Bw als rechtsgrond voor zijn vorderingen ook zeer aannemelijk. Ook in het appel in de onderhavige procedure gaat het om het onrechtmatige handelen van [betrokkene 1], waarvoor Hilton Meats als werkgever aansprakelijk is te houden, en niet om een aansprakelijkheid van Hilton Meats vanwege een eigen tekortschieten. Het appel geeft derhalve ook geen aanleiding om aan te nemen dat [eiser] daarin voor een verbreding van de grondslag van diens vordering jegens Hilton Meats heeft gekozen. De zojuist vermelde omstandigheden leveren intussen ook even zovele argumenten op om aan te nemen dat Hilton in redelijkheid er niet op bedacht heeft hoeven te zijn dat in de onderhavige procedure nog aansprakelijkheid van haar op grond van artikel 7:658 BW aan de orde zou kunnen komen.

2.5 Kortom, onderdeel 2 treft geen doel.

onderdeel 3

2.6 In onderdeel 3 wordt de beoordeling van het hof van de vorderingen van [eiser] op grond van artikel 6:170 BW bestreden.

2.7 Eén van de klachten in onderdeel 3 houdt in dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent artikel 6:170 BW; zie met name blz. 8 van de cassatiedagvaarding. Waaruit de onjuiste rechtsopvatting van het hof omtrent artikel 6:170 BW bestaat, wordt echter niet, althans niet voldoende duidelijk aangegeven. Daarop strandt deze klacht.

2.8 De andere klachten in onderdeel 3 komen hierop neer dat het onbegrijpelijk is dat het hof niet bewezen acht dat [betrokkene 1] op 5 februari 2003 een fout heeft gemaakt bestaande uit het gooien van een stuk vlees op de hand van [eiser] althans het zodanig laten vallen van een stuk vlees dat [eiser] daarvan blijvend letsel aan die hand heeft opgelopen.

2.9 De waardering van aangedragen bewijsmateriaal is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.((8)) Ruimte voor cassatie van het oordeel inzake de waardering van het bewijsmateriaal is er slechts wanneer de feitenrechter een bewijsregel onjuist heeft toegepast dan wel wanneer zijn waardering van het bewijsmateriaal werkelijk niet te begrijpen is. Dat het hof een bewijsregel onjuist heeft toegepast, wordt niet aangevoerd. Met wat in onderdeel 3 naar voren wordt gebracht, wordt op zijn best aangetoond dat een andere waardering van het bewijsmateriaal tot de mogelijkheden behoort, maar niet dat in alle redelijkheid niet valt in te zien dat het hof het gemaakt zijn van een fout door [betrokkene 1] niet aangetoond acht. Dat wat het hof in de rov. 4.6.1 t/m 4.7 overweegt, geeft nl. een voldoende begrijpelijke verklaring voor 's hofs bewijsoordeel.

2.10 Ook onderdeel 3 kan [eiser] niet baten.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. De vermelde feiten zijn ontleend aan de opsomming van in appel niet bestreden feiten onder 2 van het vonnis d.d. 28 maart 2007 van de rechtbank Haarlem.

2. Het vonnis is als productie 2 bij de dagvaarding in eerste aanleg in het geding gebracht.

3. Zie de inleidende dagvaarding, met name sub 12 en 13.

4. Ingevolge artikel 149, eerste volzin, Rv. mag de rechter immers slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag leggen die hem in het geding ter kennis zijn gekomen of zijn gesteld.

5. Deze uitzondering speelt in casu niet.

6. Zie over de aan de ambtshalve aanvulling van rechtsgronden te stellen grenzen onder meer: losbladige Kluwer-bundel Burgerlijke Rechtsvordering (Wesseling-van Gent), artikel 25, aant. 3 jo. artikel 24, aant. 1 en 2; Snijders/Klaasen/Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2007, nrs. 42 t/m 45; Hugenholz-Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2009, nr. 117. Een recente beslissing van de Hoge Raad inzake verboden aanvulling van een rechtsgrond is te vinden in HR 3 december 2010, LJN BO0190, RvdW 2010, 1460, rov. 5.2.1 en 5.2.2.

7. Dan lijkt ook de ruimte te ontbreken om de regels inzake de verrassingsbeslissing in te roepen.

8. Zo oordeelt de Hoge Raad in rov. 3.11.2, slot, van HR 1 december 2006, LJN AZ1500, NJ 2007, 385: "De waardering van de afgelegde getuigenverklaringen is voorbehouden aan het hof als feitenrechter,... ."