Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP2709

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
28-06-2011
Zaaknummer
09/04216
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP2709
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rechtsgeldigheid intrekking hoger beroep door de OvJ en door verdachte. Wet stroomlijnen hoger beroep. De HR ziet aanleiding om in voorafgaande beschouwingen ten behoeve van de in de praktijk vereiste duidelijkheid in te gaan op enkele vragen die in verband met de Wet stroomlijnen hoger beroep zijn gerezen en die betrekking hebben op de omvang van hetgeen in hoger beroep aan het oordeel van de rechter is onderworpen, alsmede op de wijze waarop en de mate waarin de verdachte en het openbaar ministerie daarop invloed kunnen uitoefenen.

O.g.v. art. 453 Sv jo. art. 454 Sv kan de intrekking van een rechtsmiddel uiterlijk tot de aanvang van de behandeling van het beroep geschieden door een verklaring, af te leggen op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven, dan wel, in het geval de advocaat-generaal bij het hof gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot intrekking krachtens art. 453.2 Sv, ter griffie van het gerechtshof. Ingevolge art. 270 Sv, dat ook in hoger beroep toepasselijk is, begint het onderzoek - en neemt dus de behandeling een aanvang - door het doen uitroepen van de zaak. Dat betekent dat de genoemde verklaring moet zijn afgelegd vóórdat de zaak is uitgeroepen. In het licht van het hiervoor overwogene omtrent de wijze en het tijdstip waarop het hoger beroep kan worden ingetrokken en gelet op de omstandigheid dat i.c de behandeling in hoger beroep een aanvang heeft genomen ter terechtzitting van 5 februari 2009 waarop de zaak pro-forma is behandeld, geeft het in het middel bestreden oordeel van het Hof dat de intrekking van het appel door de OvJ op 16 maart 2009 en die door verdachte op 21 april 2009 niet rechtsgeldig zijn, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Met een beroep op HR NJ 1994/69 wordt voorts betoogd dat - in afwijking van het wettelijk systeem - moet worden aangenomen dat de verdachte en de OvJ ook nadat de zaak is uitgeroepen bevoegd zijn het hoger beroep in te trekken, mits de inhoudelijke behandeling van de zaak nog niet is aangevangen. In het midden kan blijven of genoemd arrest steun biedt aan het bestaan van een zo algemene regel voor zaken waarop de Wet stroomlijnen hoger beroep nog niet van toepassing is, nu moet worden vastgesteld dat na invoering van die Wet aan een voorziening als in het speciale geval van dat arrest getroffen, geen behoefte meer bestaat. Thans biedt art. 416 Sv de appelrechter de mogelijkheid om in geval een wens tot "intrekking" van het hoger beroep wordt geuit na aanvang van de behandeling in hoger beroep, de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep uit te spreken. Overigens heeft verdachte geen belang bij het middel voor zover dat zou willen klagen over het geen gevolg geven aan een mogelijke intrekking van het hoger beroep door verdachte op 5 februari 2009. Bij gebreke van een geldige intrekking van het door de OvJ onbeperkt ingestelde hoger beroep, was de zaak immers in volle omvang aan het oordeel van het Hof onderworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/862
NJB 2011/1426
NJ 2013/531 met annotatie van P.A.M. Mevis
NBSTRAF 2011/238
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/04216

Mr. Hofstee

Zitting: 25 januari 2011

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verzoeker bij arrest van 12 oktober 2009 wegens elf gekwalificeerde diefstallen, waaronder een aantal pogingen daartoe, veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het hof de vorderingen van vier benadeelde partijen toegewezen en daarbij telkens aan verzoeker een schadevergoedingsmaatregel, subsidiair vervangende hechtenis, opgelegd, een en ander zoals in het bestreden arrest vermeld. Verder heeft het hof het inbeslaggenomen witte poeder bevattende fenacetine onttrokken aan het verkeer.

2. Namens verzoeker heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.(1)

3. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft beslist "dat, nu er geen rechtsgeldige intrekkingen van het hoger beroep zijn, de zaak in volle omvang in hoger beroep zal worden behandeld", althans dat deze beslissing onvoldoende met redenen is omkleed.

4. Het proces-verbaal terechtzitting d.d. 5 februari 2009 houdt - voor zover relevant - het volgende in:

"(...)

De raadsman deelt mede dat de verdachte recentelijk het door hem ingestelde hoger beroep heeft ingetrokken.

De advocaat-generaal deelt mede dat het openbaar ministerie, dat ook hoger beroep heeft ingesteld, voornemens is dat hoger beroep door te zetten.

De voorzitter deelt mede dat de zaak vandaag pro-forma wordt behandeld omdat het gerechtshof het dossier en het uitgewerkte vonnis in de strafzaak van de verdachte eerst kort geleden heeft ontvangen en er derhalve onvoldoende gelegenheid is geweest om een datum en tijdstip voor de inhoudelijke behandeling van de zaak vast te stellen.

Het gerechtshof, gehoord de raadsman en de advocaat-generaal, schorst hierop het onderzoek tot het tijdstip van een nadere terechtzitting, die zal plaatsvinden binnen een termijn van drie maanden, maar niet eerder dan een maand na heden, omdat het zittingsrooster van het gerechtshof een eerdere behandeling niet toelaat.

(...)"

5. 's Hofs proces-verbaal terechtzitting d.d. 21 april 2009 houdt - voor zover van belang - het volgende in:

"(...)

De voorzitter maakt melding van een akte intrekking rechtsmiddel d.d. 16 maart 2009, inhoudende de verklaring van de officier van justitie mr. L.A. van Lawick, dat deze het hoger beroep in de zaak met parketnummer 11/510201-07 intrekt.

De voorzitter maakt melding van een faxbericht d.d. 5 februari 2009, ondertekend door de verdachte en inhoudende diens mededeling dat hij machtiging verleen[t] om namens hem het ingesteld hoger beroep in te trekken.

De voorzitter deelt hierop mede dat het hof het onderzoek voor korte tijd onderbreekt teneinde contact op te nemen met de raadsman en hem te vragen of de verdachte het hoger beroep daadwerkelijk wenst in te trekken.

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat de raadsman heeft medegedeeld dat de verdachte het hoger beroep wenst door te zetten.

De voorzitter deelt mede dat de zaak vandaag pro-forma wordt behandeld omdat het gerechtshof het dossier en het uitgewerkte vonnis in de strafzaak van de verdachte nog niet van de rechtbank heeft ontvangen.

Het gerechtshof, gehoord de advocaat-generaal, schorst hierop het onderzoek tot het tijdstip van een nadere terechtzitting, en beveelt de oproeping van de verdachte en zijn raadsman tegen het tijdstip van die nader te bepalen terechtzitting.

(...)"

6. Het proces-verbaal terechtzitting d.d. 28 september 2009 houdt - voor zover relevant - het volgende in:

"(...)

Het hof beveelt dat het ter terechtzitting van 21 april 2009 geschorste onderzoek opnieuw wordt aangevangen, nu de samenstelling van het hof gewijzigd is.

De voorzitter doet melding van een brief van de raadsman d.d. 21 april 2009, waarin bevestigd wordt dat de verdachte het hoger beroep wenst in te trekken. De voorzitter doet tevens melding van de intrekking van het hoger beroep door de officier van justitie op 16 maart 2009. De voorzitter deelt mede dat beide intrekkingen niet rechtsgeldig zijn, aangezien de behandeling van de zaak ten tijde van deze intrekkingen reeds was aangevangen, namelijk op 5 februari 2009. De raadsman en de advocaat-generaal worden in de gelegenheid gesteld zich te beraden over de vraag of zij voldoende belang aanwezig vinden om een behandeling in hoger beroep door te zetten.

Na een korte onderbreking deelt de raadsman mede dat wat de verdachte betreft, het hoger beroep niet hoeft te worden doorgezet.

De advocaat-generaal deelt mede dat het openbaar ministerie het hoger beroep wel wenst door te zetten.

De voorzitter deelt mede dat, nu er geen rechtsgeldige intrekkingen van het hoger beroep zijn, de zaak in volle omvang in hoger beroep zal worden behandeld.

De advocaat-generaal draagt de zaak voor.

(...)"

7. Volgens de toelichting op het middel heeft het hof ten onrechte overwogen "dat beide intrekkingen niet rechtsgeldig zijn, aangezien de behandeling van de zaak ten tijde van deze intrekkingen reeds was aangevangen, namelijk op 5 februari 2009", omdat het inhoudelijke onderzoek van de zaak pas ter terechtzitting van 28 september 2009 een aanvang heeft genomen. In plaats van te beslissen dat de zaak in volle omvang in hoger beroep zal worden behandeld, had het hof - aldus de steller van het middel - zowel verzoeker als het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moeten verklaren in beider hoger beroep.

8. Met betrekking tot de klacht in het middel kan het volgende worden vastgesteld: - er hebben drie terechtzittingen van het hof plaatsgevonden, te weten op 5 februari 2009, 21 april 2009 en 28 september 2009. Op de terechtzitting van 5 februari 2009 was verzoeker niet aanwezig. Dat geldt ook voor de terechtzitting van 21 april 2009. De raadsman was toen evenmin verschenen. Op de terechtzitting van 28 september 2009 was verzoeker evenals zijn raadsman wel aanwezig; - zowel verzoeker als het OM heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Dordrecht; - op 's hofs terechtzitting van 5 februari 2009 liet de advocaat-generaal bij het hof weten dat het OM voornemens was zijn hoger beroep door te zetten en deelde de raadsman mee dat verzoeker recentelijk het door hem ingestelde hoger beroep had ingetrokken. Ik merk hier al op dat de juistheid van deze laatste mededeling van een vraagteken kan worden voorzien. Wel blijkt uit een door verzoeker ondertekend faxbericht van 5 februari 2009, dat hij machtiging verleende om namens hem het ingestelde hoger beroep in te trekken; - op de daaropvolgende terechtzitting van 21 april 2009 bleek dat de zaaksofficier van justitie door middel van een akte van 16 maart 2009 het hoger beroep zijdens het OM had ingetrokken. Kennelijk met het oog op voornoemd faxbericht van verzoeker d.d. 5 februari 2009 en omdat op deze zitting verzoeker en diens raadsman niet waren verschenen, werd contact opgenomen met de raadsman om via deze te verifiëren of verzoeker zijn hoger beroep inderdaad wenste in te trekken. Het antwoord van de raadsman luidde dat verzoeker zijn hoger beroep wilde doorzetten; - op de derde terechtzitting, die van 28 september 2009, heeft de voorzitter melding gemaakt van een brief van de raadsman d.d. 21 april 2009, dus gedateerd op dezelfde dag als die van de vorige zitting. In deze brief werd bevestigd dat verzoeker zijn hoger beroep wenste in te trekken. De advocaat-generaal bij het hof maakte namens het OM kenbaar het hoger beroep toch door te willen zetten; - de voorzitter deelt mee dat, nu er geen rechtsgeldige intrekkingen van het hoger beroep zijn, de zaak in volle omvang in hoger beroep zal worden behandeld; - vervolgens heeft de advocaat-generaal bij het hof de zaak voorgedragen.

9. Kan een sterker voorbeeld worden bedacht dan de onderhavige casus omtrent de vraag of de procespartijen het door hen ingestelde hoger beroep al dan niet rechtsgeldig hebben ingetrokken? De, om en om, telkens van inhoud wijzigende mededelingen van zowel de raadsman als het openbaar ministerie, zullen bij het hof begrijpelijkerwijs de vraag hebben doen opkomen wat deze procespartijen nu eigenlijk wilden.

10. Ik stel voorop dat het middel naar mijn mening niet slaagt en wil daarbij niet onvermeld laten dat ik mij heb afgevraagd of ik ter onderbouwing van deze conclusie mijnerzijds een 'korte bocht' zou nemen. Goed beschouwd blijkt immers uit de gedingstukken dat er een akte intrekking hoger beroep van het OM is en verder hooguit dat verzoeker op bepaalde momenten enkel de intentie heeft geuit het door hem ingestelde hoger beroep in te trekken. Uit geen enkel gedingstuk is mij gebleken dat ook verzoeker zijn hoger beroep daadwerkelijk op enigerlei wijze heeft ingetrokken, laat staan dat zulks op rechtsgeldige wijze is geschied. De enkele mededeling van verzoeker dat hij machtiging heeft verleend of de wens heeft geuit om namens hem zijn hoger beroep in te trekken, mist de rechtsgeldigheid die ingevolge de wet formeel aan de intrekking wordt gesteld. Daaraan kan niet afdoen de mededeling van de raadsman op de zitting van 28 september 2009 dat het hoger beroep wat verzoeker betreft niet hoeft te worden doorgezet. Wat het door verzoeker ingestelde hoger beroep betreft, getuigt 's hofs oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Voorzover het middel dáárover klaagt, faalt het.

11. Alleen al om die reden had het hof niet anders kunnen doen dan de zaak in hoger beroep in volle omvang te behandelen. De vraag rijst dan ook welk belang verzoeker nog bij het middel heeft. Omdat echter in het middel ook de intrekking van het hoger beroep door het OM wordt betrokken en dít aspect mogelijk van belang kan zijn voor de rechtsontwikkeling, zal ik toch daarop nader ingaan.

12. Gezien het bepaalde in art. 453, eerste lid, Sv kan het rechtsmiddel van hoger beroep "uiterlijk tot den aanvang der behandeling" daarvan worden ingetrokken. De vraag is hoe deze bepaling precies dient te worden uitgelegd. In dat verband zijn een strikte en een ruime interpretatie van elkaar te onderscheiden. Volgens de strikte interpretatie wordt de aanvang van de behandeling van het beroep gemarkeerd door het doen uitroepen van de zaak (art. 270 Sv), hetgeen meebrengt dat het rechtsmiddel vóór het onderzoek ter terechtzitting dient te worden ingetrokken, en wel ter griffie (art. 454 Sv). De ruime interpretatie legt de appelgrens evenwel bij het voordragen van de zaak door het openbaar ministerie (art. 284, eerste lid, Sv). Uiteraard heeft vóór het voordragen van de zaak de behandeling van het hoger beroep al een aanvang genomen, maar met deze aanvang is het nog niet onmiddellijk tot een inhoudelijke behandeling van de zaak gekomen. Preliminaire verweren daargelaten, is er in het algemeen een kort strafvorderlijk tijdsverloop tussen het doen uitroepen van de zaak en het voordragen van de zaak. Binnen dit korte tijdsbestek in de procesgang, maakt de ruime interpretatie dus nog intrekking van het hoger beroep mogelijk. Als ik het goed zie, neigt HR 19 oktober 1993, LJN ZC9463, NJ 1994, 69, m.nt. Van Veen(2) naar een ruime interpretatie. In dat arrest toont de Hoge Raad zich immers betrekkelijk soepel in de uitleg van art. 453, eerste lid, Sv: het rechtsmiddel mag aan het begin van de terechtzitting worden ingetrokken, indien althans op dat moment nog geen enkel onderzoek "ten gronde" is gedaan.(3) Naar ik meen kan uit deze overweging worden afgeleid, dat de intrekking van het ingestelde hoger beroep uiterlijk vóór het voordragen van de zaak door het openbaar ministerie zal hebben te geschieden.(4)

13. Wellicht heeft in het onderhavige geval het hof gedeeltelijk ten onrechte overwogen dat "er geen rechtsgeldige intrekkingen van het hoger beroep zijn". Gedeeltelijk, omdat nog vóór het voordragen van de zaak de officier van justitie blijkens de 'akte intrekking hoger beroep' van 16 maart 2009 het hoger beroep zijdens het OM heeft ingetrokken. In dat licht kan onder verwijzing naar voornoemd arrest van de Hoge Raad worden betoogd, dat het hof zijn beslissing dat de zaak in volle omvang in hoger beroep zal worden behandeld met een onjuiste reden heeft bekleed; de intrekking van het hoger beroep van het openbaar ministerie is, lijkt mij, wel rechtsgeldig geweest. Alsdan en in dat opzicht getuigt de overweging van het hof van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat de advocaat-generaal bij het hof op de terechtzitting van 28 september 2009 heeft meegedeeld dat het OM het hoger beroep wel wenste door te zetten, maakt 's hofs beslissing niet minder onjuist, aangezien de laatste volzin van art. 453, eerste lid, Sv de onherroepelijkheid van de intrekking bepaalt. In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

14. De vraag die opkomt is of aan het voorgaande een rechtsgevolg moet worden verbonden. Dient te worden geconcludeerd dat het hof aan de op zich rechtsgeldige intrekking van het hoger beroep door het openbaar ministerie het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid in diens hoger beroep had behoren te verbinden? Ik meen van niet. Een dergelijke verplichting volgt immers geenszins uit HR 19 oktober 1993, LJN ZC9463, NJ 1994, 69, m.nt. Van Veen en de door mij in voetnoot 3 aangehaalde vakliteratuur betreffende de uitleg van art. 453, eerste lid, Sv. De beslissing over het al dan niet verbinden van een rechtsgevolg in de vorm van niet-ontvankelijkheid, is afhankelijk van de in het specifieke geval af te wegen belangen.(5) Kennelijk niet zonder reden heeft het hof zowel de raadsman als de advocaat-generaal bij het hof (meermalen) in de gelegenheid gesteld zich te beraden over de vraag of zij voldoende belang aanwezig vonden om de behandeling van de zaak in hoger beroep door te zetten. Dat het hof alles afwegende uiteindelijk ook ten aanzien van de intrekking door het OM heeft geoordeeld dát de zaak in volle omvang in hoger beroep zal worden behandeld, is daarom onjuist noch onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat ook het OM tot aan het voordragen van de zaak niet consequent duidelijk is geweest omtrent het doorzetten respectievelijk het intrekken van het door hem ingestelde hoger beroep.

15. Het eerste middel faalt.

16. Het tweede middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 12 tenlastegelegde feit ontoereikend is gemotiveerd, nu het bewezenverklaarde niet uit de daartoe gebruikte bewijsmiddelen kan volgen en het hof voorts heeft overwogen dat verzoeker vermoedelijk in de periode van 2 mei t/m 7 september 2007 gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer 06-[003], terwijl dit in strijd is met andere door het hof gebezigde bewijsmiddelen.

17. Ten laste van verzoeker is onder feit 12 bewezen verklaard dat:

"12. ZAAK ULESTRATEN

hij op 02 mei 2007 te Ulestraten, gemeente Meerssen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bedrijfspand gelegen aan de [a-straat] heeft weggenomen postzegels en telefoonkaarten en cadeaubonnen en strippenkaarten en batterijen en tabak, toebehorende aan [betrokkene 1] en/of [A], waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak".

18. In het bestreden (promis)arrest heeft het hof ten aanzien van het bewijs van feit 12 het volgende overwogen (de voetnoten zijn van het hof):

"Zaak Ulestraten (feit 12) 1/2 mei 2007

• op 2 mei 2007 deed [betrokkene 1], eigenaar van de [A] in Ulestraten, aangifte van diefstal uit het bedrijf. Uit de [A] aan [a-straat 1] te Ulestraten werden tussen 1 mei 2007 18:15 uur en 2 mei 2007 om 07:00 uur onder andere postzegels, telefoonkaarten, cadeaubonnen, strippenkaarten, batterijen en tabak weggenomen. Tevens is een mobiele telefoon, merk Nokia N73, met IMEI-nummer [001] weggenomen. De plafondplaten lagen op de grond. In het plafond zat een gat van ongeveer 50 x 50 cm groot.(6)

• De telefoon met het nummer 06-[002], in gebruik bij [betrokkene 2], straalde op 1 mei 2007 om 22:56 uur een zendmast aan de Laan der Verenigde Naties te Dordrecht aan. Deze telefoon straalde op 2 mei 2007 om 01:26 uur en 02:01 uur een zendmast aan op de Vliegveldweg te Maastricht. De Vliegveldweg te Maastricht is gelegen in de zeer directe omgeving van supermarkt de [A].(7)

• [verdachte] maakte - vermoedelijk in de periode van 2 mei 2007 tot en met 7 september 2007 - gebruik van telefoonnummer 06-[003]. Het aan dit telefoonnummer toebehorend SIM-kaartje is op 2 mei 2007 in de mobiele telefoon met IMEI-nummer [004] geplaatst.(8) Dit nummer moet gelezen worden als [001].(9) Op 29 september 2007 werd de mobiele telefoon met IMEI nummer [001] aangetroffen in de woning van [verdachte].(10)"

19. Volgens de toelichting op het middel heeft het hof ten aanzien van het bewijs van andere tenlastegelegde feiten veelal overwogen dat verzoeker in de periode van 2 mei t/m 7 september 2007 gebruik maakte van andere telefoonnummers dan het telefoonnummer dat het hof ten aanzien van het bewijs van feit 12 heeft genoemd. Om die reden is bovengeciteerde bewijsoverweging in strijd met hetgeen het hof in zijn bewijsmiddelen met betrekking tot de andere feiten heeft vastgesteld, aldus de steller van het middel.

20. Anders dan het middel stelt, is er in het geheel geen sprake van tegenstrijdige bewijsmiddelen dan wel bewijsoverwegingen, aangezien deze onderscheidenlijk betrekking hebben op verschillende bewezenverklaarde feiten. 's Hofs overweging ten aanzien van het bewijs van feit 12 dat verzoeker vermoedelijk in een bepaalde periode gebruik maakte van een zeker telefoonnummer is immers niet onverenigbaar met 's hofs overwegingen ten aanzien van het bewijs van andere feiten dat hij in diezelfde periode andere telefoonnummers in gebruik had. Overigens is het gebruik maken van diverse en niet zelden elkaar snel opvolgende telefoonnumers, dan wel het in hetzelfde tempo wisselen van SIM-kaartjes, geen onbekend verschijnsel in het criminele milieu.

21. Nu de bewezenverklaring van het onder 12 tenlastegelegde feit toereikend is gemotiveerd, faalt het tweede middel.

22. Mede gezien de toelichting erop, behelst het derde middel de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 6 tenlastegelegde feit ontoereikend is gemotiveerd, aangezien uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat verzoeker op 19 september 2007 te Kerkdriel tezamen met [betrokkene 3] deze inbraak heeft gepleegd, te minder nu het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 3] vaak gebruik heeft gemaakt van de computer van verzoeker. Ik begrijp de steller van het middel aldus dat hij daarbij ook in ogenschouw neemt verzoekers ter terechtzitting van 28 september 2009 afgelegde verklaring, inhoudende dat hij niet betrokken is geweest bij de inbraak op 19 september 2007 in Kerkdriel en dat zijn computer ook door anderen werd gebruikt.

23. Ten laste van verzoeker is onder feit 6 bewezen verklaard dat:

"6. ZAAK KERKDRIEL

hij op 19 september 2007 te Kerkdriel, gemeente Maasdriel, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een bedrijfspand gelegen aan de [b-straat] heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer 3000 Euro), toebehorende aan [B], waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak".

24. In het bestreden (promis)arrest heeft het hof ten aanzien van het bewijs van feit 6 het volgende overwogen (de voetnoten zijn van het hof):

"Zaak Kerkdriel (feit 6) 19 september 2007

• Op 19 september 2007 deed [betrokkene 4], eigenaar van [B] aan de [b-straat 1] te Kerkdriel, aangifte van diefstal uit het bedrijf naar aanleiding van een alarmmelding die nacht om 01:30 uur. Twee plafondplaten waren beschadigd. Op het dak was een ventilatiekoker opengebroken en men was tussen het dak en het plafond doorgekropen en naar beneden gekomen in de werkkast op de eerste verdieping, naast de toegangsdeur naar het kantoor. De deur naar het kantoor was opengebroken. Uit het kantoor was een geldbedrag van 3000 euro weggenomen.(11)

• [Betrokkene 3] reed met een andere persoon op 18 september 2007 tussen 23:01 uur en 23:37 uur naar Kerkdriel in een Opel met kentekennummer [AA-00-BB]. Ze reden rond in Kerkdriel en zetten de auto tot stilstand op de Sint Annatroonstraat te Kerkdriel. De auto werd die dag om 23:50 uur aldaar gesignaleerd zonder inzittenden.(12)

• Op 18 september 2007 om 23:44 uur werd met het mobiele telefoonnummer 06-[005] ingebeld op de mobiele telefoon in gebruik bij [betrokkene 3]. Er kwam geen gesprek tot stand. De aangestraalde zendmast was de Antillenstraat in Kerkdriel. Deze zendmast bevindt zich vlakbij de hiervoor genoemde [B].(13)

• Op 19 september 2007 om 01:30 uur was een geluidalarm hoorbaar uit de richting van [B].(14)

• Op 19 september 2007 om 04:01 uur werd met het mobiele telefoonnummer 06-[006] ingebeld op de mobiele telefoon in gebruik bij [betrokkene 3]. Er kwam geen gesprek tot stand. De aangestraalde zendmast was de Antillenstraat in Kerkdriel. Deze zendmast bevindt zich vlakbij de hiervoor genoemde [B].(15)

• Op 19 september 2007 om 13:10 uur reed [betrokkene 3] naar de [c-straat] te Ridderkerk, alwaar [verdachte] het portiek verliet en een gevulde tas droeg. [Verdachte] stapte in als bestuurder en [betrokkene 3] nam plaats op de bijrijderstoel. [verdachte] parkeerde de auto op de Verlengde Kerkweg te Ridderkerk en liep een filiaal van de Rabobank binnen. [verdachte] stond om 13:45 uur bij een geldsorteermachine en stortte de inhoud van een plastic tas in de sorteermachine. Rond 13:54 uur reden [verdachte], als bestuurder, en [betrokkene 3] weg.(16)

• Uit de door de Rabobank verstrekte gegevens bleek dat op 19 september 2007, omstreeks 13:47 uur ten gunste van rekening [006], toebehorend aan [betrokkene 6], een bedrag van € 1.404,48 aan muntgeld was gestort.(17)

• Het digitaal onderzoek naar de computer van [verdachte] toonde aan dat op deze computer op het internet gezocht is op [B].(18)"

25. In het arrest heeft het hof voorts nog - voor zover hier relevant - op de volgende bijzondere aspecten gewezen (de voetnoten zijn van het hof):

"Bijzondere aspecten

(...)

Computer

• Uit de internetgeschiedenis van de computer van [verdachte] is gebleken dat er in september 2007 via www.google.nl op diverse data gezocht was op de supermarkten Jumbo, Plus, Golf, supercoop en op winkelcentra in Nederland.(19) (20)

• Uit de verwijderde internetgeschiedenis is gebleken dat er van maart tot en met augustus 2007 regelmatig gezocht was via www.google.nl op foto's van supermarkten, foto's van de Plusmarkt en op de supermarkten Coop, [B], Golf, Jumbo, Super de Boer en [A].(21)

• Uit de internetgeschiedenis is gebleken dat er in maart en juni 2007 diverse keren routebeschrijvingen zijn aangevraagd vanaf het adres [c-straat 1-2] te Ridderkerk naar diverse supermarkten in Nederland.(22) [verdachte] woont op het adres [c-straat 3].

• [Betrokkene 3] heeft verklaard vaak gebruik te maken van de computer van [verdachte].(23)

Modus operandi

• De bewezenverklaarde feiten vertonen steeds een zelfde modus operandi: het gaat steeds om inbraken, of pogingen daartoe, in winkels/supermarkten, meestal in kleinere plaatsen. Uit de diverse aangiftes blijkt dat het daarbij vooral te doen was om geld en tabaksartikelen. De wijze van inbreken was steeds dezelfde: toegang verkrijgen door een gat in het dak te maken. Gedurende en rond de inbraken communiceerden de betrokken daders met elkaar met behulp van mobiele telefoons."

26. Op het onderhavige punt kan ik de steller van het middel evenmin volgen. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verzoeker op 19 september 2007 te Kerkdriel tezamen met [betrokkene 3] de onderhavige inbraak heeft gepleegd. Ik neem daarbij in het bijzonder de door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden in aanmerking dat: (1) [betrokkene 3] met een andere persoon op 18 september 2007 tussen 23:01 uur en 23:37 uur naar Kerkdriel was gereden; (2) hun auto die dag om 23:50 uur op de Sint Annatroonstraat te Kerkdriel werd gesignaleerd zonder inzittenden; (3) op 18 september 2007 om 23:44 uur en op 19 september 2007 om 04:01 uur werd ingebeld op de mobiele telefoon van [betrokkene 3], welke via zendmasten werd gelocaliseerd vlakbij de [B]; (4) op 19 september 2007 om 01:30 uur een geluidalarm hoorbaar was uit de richting van de [B]; (5) naar aanleiding van deze alarmmelding aangifte is gedaan van diefstal uit de [B], waarbij een geldbedrag van € 3000,- was weggenomen; (6) op 19 september 2007 [betrokkene 3] naar het woonadres van verzoeker is gereden, alwaar verzoeker het portiek verliet en een gevulde tas droeg; (7) verzoeker en [betrokkene 3] samen naar de Rabobank te Ridderkerk zijn gereden, alwaar verzoeker de inhoud van de plastic tas in de geldsorteermachine heeft gestort; (8) op 19 september 2007 omstreeks 13:47 uur ten gunste van rekening [006], toebehorend aan [betrokkene 6](24), een bedrag van € 1.404,48 aan muntgeld is gestort; (9) op de computer van verzoeker, van maart tot en met augustus 2007, regelmatig op het internet is gegoogled op onder andere (foto's van) de [B] te Kerkdriel; (10) op verzoekers computer routebeschrijvingen zijn aangevraagd vanaf het woonadres van verzoeker naar diverse supermarkten in Nederland; (11) [betrokkene 3] heeft verklaard vaak gebruik te maken van verzoekers computer; en (12) de bewezenverklaarde feiten - te weten inbraken of pogingen daartoe in winkels/supermarkten, meestal in kleinere plaatsen, waarbij vooral geld en tabak werd gestolen - steeds eenzelfde modus operandi vertonen.

27. De bewezenverklaring van het onder 6 tenlastegelegde feit is derhalve toereikend gemotiveerd. De verklaring van [betrokkene 3] dat hij vaak gebruik maakte van de computer van verzoeker, maakt het bewijs van verzoekers betrokkenheid bij de onderhavige inbraak niet minder begrijpelijk.

28. Het derde middel faalt.

29. De drie voorgestelde middelen falen. Het tweede en het derde middel lenen zich voor afdoening met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

30. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Deze zaak hangt samen met de zaken met griffienummers 09/04215, 09/04299 en 09/04845, waarin ik heden eveneens concludeer.

2 Zie ook enige lagere rechtspraak: Hof 's-Hertogenbosch 30 maart 2004, LJN AO8944 en Hof Arnhem 27 februari 2008, LJN BD1681.

3 Letterlijk luidt de overweging: "Het hof heeft in deze zaak, waarin in hoger beroep nog geen enkel onderzoek ten gronde is gedaan, geoordeeld dat "dit specifieke geval" - waarin naar 's hofs vaststelling de verdachte geen belang meer had bij het onderzoek in hoger beroep en ook overigens geen belang van de strafvordering dit onderzoek vorderde - op één lijn moet worden gesteld met dat waarin het door of namens de verdachte ingestelde hoger beroep vóór de aanvang van de behandeling daarvan wordt ingetrokken".

4 Zie Melai/Groenhuijsen, Het Wetboek van Strafvordering, aant. 3 bij art. 453 (bewerkt door mr H.K. Elzinga & prof. mr J. de Hullu, bij t/m 01-08-2001) en T&C Strafvordering, achtste druk, 2009, aant. 2b bij art. 453 (bewerkt door mr H.K. Elzinga).

5 Zie het hiervoor reeds aangehaalde arrest HR 19 oktober 1993, LJN ZC9463, NJ 1994, 69, m.nt. Van Veen.

6 (voetnoot 7 van het hof) Het proces-verbaal van aangifte van politie Limburg Zuid district Maastricht, met nummer 2007063157-1, d.d. 2 mei 2007, ordner 5 Project Broos PV 138/2007 V01 [verdachte], zaaksdossier Ulestraten, p. 2-7, documentcode 0705020830.A12.

7 (voetnoot 8 van het hof) Een geschrift, zijnde een overzicht historische gegevens toestel 06[002], ordner 5 Project Broos PV 138/2007 V01 [verdachte], zaaksdossier Ulestraten, p. 18-21, documentcode 0705012256.AMB.

8 (voetnoot 9 van het hof) Het proces-verbaal van bevindingen van politie Rotterdam-Rijnmond, met nummer 138/2007, d.d. 17 oktober 2007, ordner 5 Project Broos PV 138/2007 V01 [verdachte], zaaksdossier Ulestraten, p. 13-14, documentcode 0710171500.AMB.

9 (voetnoot 10 van het hof) Het proces-verbaal van bevindingen van politie Rotterdam-Rijnmond, met nummer 138/2007, d.d. 17 oktober 2007, ordner 5 Project Broos PV 138/2007 V01 [verdachte], zaaksdossier Ulestraten, p. 15-16, documentcode 0710171600.AMB.

10 (voetnoot 11 van het hof) Het proces-verbaal van bevindingen van politie Rotterdam-Rijnmond, met nummer 138/2007, d.d. 17 oktober 2007, ordner 5 Project Broos PV 138/2007 V01 [verdachte], zaaksdossier Ulestraten, p. 13-14, documentcode 0710171500.AMB.

11 (voetnoot 55 van het hof) Het proces-verbaal van aangifte van politie district De Waarden/Zaltbommel, met nummer PL083H/07-121386, d.d. 19 september 2007, ordner 5 Project Broos PV 138/2007 V01 [verdachte], zaaksdossier Kerkdriel, p. 2-4, documentcode 0709190200.A09.

12 (voetnoot 56 van het hof) Het proces-verbaal van stelselmatige observatie d.d. 18 en 19 september 2007 van politie Rijnmond, met nummer 18607180907.sel, d.d. 19 september 2007, ordner 5 Project Broos PV 138/2007 V01 [verdachte], zaaksdossier Kerkdriel, p. 15 t/m 17, documentcode 0709190251.OBS.

13 (voetnoot 57 van het hof) Het proces-verbaal overzicht locatie GSM en plaats delict Kerkdriel van politie Rotterdam-Rijnmond, met nummer 138/2007, d.d. 20 november 2007, ordner 5 Project Broos PV 138/2007 V01 [verdachte], zaaksdossier Kerkdriel, p. 52-53, documentcode 0711201120.AMB en p. 19, document code 07091823 44.T924.

14 (voetnoot 58 van het hof) Het proces-verbaal van observeren, d.d. 18 en 19 september 2007 van politie Rotterdam-Rijnmond, met nummer 18607180907.se1, d.d. 19 september 2007, ordner 5 Project Broos PV 138/2007 V01 [verdachte], zaaksdossier Kerkdriel, p. 16-17, documentcode 0709190251.OBS.

15 (voetnoot 59 van het hof) Het proces-verbaal overzicht locatie GSM en plaatsdelict Kerkdriel van politie Rotterdam-Rijnmond, met nummer 138/2007, d.d. 20 november 2007, ordner 5 Project Broos PV 138/2007 V01 [verdachte], zaaksdossier Kerkdriel, p. 52-53, documentcode 0711201120.AMB en p. 21, documentcode 0709190401.T924.

16 (voetnoot 60 van het hof) Het zaakproces-verbaal Kerkdriel van politie Rotterdam-Rijnmond, met nummer 138/2007, d.d. 30 januari 2008, ordner 5 Project Broos PV 138/2007 V01 [verdachte], zaaksdossier Kerkdriel, p. 4.

17 (voetnoot 61 van het hof) Het proces-verbaal van bevindingen van politie Rotterdam-Rijnmond, met nummer 138/2007, d.d. 25 september 2007, ordner 5 Project Broos PV 138/2007 V01 [verdachte], zaaksdossier Kerkdriel, p. 27-30 documentcode 0709250915.AMB.

18 (voetnoot 62 van het hof) Het proces-verbaal digitaal onderzoek met bijlage Ad10 Kerkdriel, met nummer 138/2007, d.d. 6 november 2007, ordner Project Broos Algemeen PV 138/2007 V01 [verdachte], p. 242, documentcode 0711050947.OIG.

19 (voetnoot 79 van het hof) Het algemeen proces-verbaal onderzoek Broos, met nummer 138/2007, d.d. 13 februari 2008, ordner Project Broos Algemeen PV 138/2007 V01 [verdachte], p. 7-8.

20 (voetnoot 80 van het hof) Het proces-verbaal digitaal onderzoek, met nummer 138/2007, d.d. 6 november 2007, ordner Project Broos Algemeen PV 138/2007 VOl [verdachte], bijlage 2, p. 189, documentcode 0711050947.OIG.

21 (voetnoot 81 van het hof) Het proces-verbaal digitaal onderzoek, met nummer 138/2007, d.d. 6 november 2007, ordner Project Broos Algemeen PV 138/2007 VOl [verdachte], bijlage 3, p. 191, documentcode 0711050947.OIG.

22 (voetnoot 82 van het hof) Het proces-verbaal digitaal onderzoek, met nummer 138/2007, d.d. 6 november 2007, ordner Project Broos Algemeen PV 138/2007 V01 [verdachte], bijlage 5, p 200 t/m 208, documentcode 0711050947.OIG.

23 (voetnoot 83 van het hof) Het proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 3], met nummer 138/2007, d.d. 31 oktober 2007, ordner Project Broos Algemeen PV 138/2007 V01 [verdachte], p. 255 t/m 257, documentcode 0710311058.V02.

24 Blijkens bewijsmiddel 6 in de samenhangende strafzaak tegen verzoeker (09/04215) betreft dit de rekening van verzoekers vrouw. Verzoeker is gemachtigd tot het gebruik van die bankrekening en heeft daarvan ook een eigen bankpas.