Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP2340

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
09/03771
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP2340
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG o.m. over de strafmotivering i.g.v. WAM-zaken. Strekking van de verplichte verzekering. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/03771

Mr. Hofstee

Zitting: 18 januari 2011

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 3 oktober 2008 door de enkelvoudige kamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "als degene aan wie het kenteken is opgegeven voor een motorrijtuig waarvoor een kentekenbewijs is afgegeven niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen(1) sluiten en in stand houden", veroordeeld tot twee weken hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.

2. Namens verzoeker heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet (zonder meer) kan volgen dat het bewezenverklaarde te Zwijndrecht is begaan, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

4. Aan verzoeker is tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 11 oktober 2006 te Zwijndrecht, althans in Nederland, als degene aan wie voor een motorrijtuig (personenauto) het kenteken [AA-00-BB] was opgegeven, en waarvoor een kentekenbewijs was afgegegen, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen had afgesloten en in stand gehouden."

5. Ten laste van verzoeker is door het hof bewezenverklaard dat:

"hij op 11 oktober 2006 te Zwijndrecht, als degene aan wie voor een motorrijtuig (personenauto) het kenteken [AA-00-BB] was opgegeven, en waarvoor een kentekenbewijs was afgegeven, niet een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen had gesloten en in stand gehouden."

6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"(...)

1. Het proces-verbaal van het Centraal Justitieel Incasso Bureau te Leeuwarden, nr. 12.01.1200.6009.4 d.d. 12 februari 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant 1]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze opsporingsambtenaar:

Op 11 oktober 2006 heeft de Dienst Wegverkeer, Centrum voor Voertuigtechniek en Informatie door middel van registervergelijking geconstateerd dat in het Centraal Register Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen voor het motorrijtuig, zijnde een personenauto, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] geen geldige verzekering als bedoeld in artikel 30 Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen stond geregistreerd.

De constatering met betrekking tot het kenteken [AA-00-BB] maakt deel uit van het gegevensbestand met batchnummer [001].

Uit opgave uit het kentekenregister bleek dat op 11 oktober 2006 het kenteken op die datum was opgegeven aan:

[Verdachte], geboren op [geboortedatum] 1978.

2. Het proces-verbaal van de Dienst Wegverkeer (RDW), d.d. 3 januari 2007, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde buitengewoon opsporingsambtenaar [verbalisant 2], ambtenaar in dienst van de RDW, Voertuiginformatie en -toelating, unit Handhaving te Veendam. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

als relaas van deze opsporingsambtenaar:

Door middel van registervergelijking is mij gebleken dat voor de motorrijtuigen met de kentekens opgenomen in de batch met batchnummer [001], op 11-10-2006 (controledatum) geen geldige verzekering in het verzekeringsregister (Centraal Register WAM, CRWAM) stond geregistreerd.

Aan de verdachte is een brief gezonden waarin werd gevorderd door middel van een "verklaring ingevolge artikel 34 van de WAM" binnen drie weken aan te tonen dat op de controledatum wel een verzekering van kracht was. Daarop is door de verdachte niet in de daarvoor gestelde termijn gereageerd.

Het dagbestand behorende bij de batch met het batchnummer [001] met daarin opgenomen de kentekens en bijbehorende kentekenhouders waarbij geen "verklaring ingevolge artikel 34 van de WAM" is overgelegd heb ik op 02-01-2007 gezonden aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau te Leeuwarden."

7. Het middel heeft onmiskenbaar een punt, nu inderdaad uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat, zoals is bewezen verklaard, het feit is gepleegd in Zwijndrecht. De vraag is evenwel of dit tot cassatie heeft te leiden.

8. Omtrent kwesties over bewezen verklaarde pleegplaatsen in de zin zoals hier aan de orde is(2), heeft de Hoge Raad verschillende arresten gewezen. Zo vernietigde HR 15 januari 2008, LJN BB7678 de bestreden uitspraak van het hof, omdat de pleegplaats niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kon worden afgeleid. Daartegenover staan echter de arresten van HR 19 december 2006, LJN AZ1655 (niet gepubliceerd) en HR 8 september 2009, LJN BI5675: aangaande eenzelfde overtreding als in de onderhavige zaak hielden de bewijsmiddelen eveneens niets in waaruit kon volgen dat het feit was begaan in de bewezenverklaarde plaats, en deed de Hoge Raad het desbetreffende middel af met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Zo ook in HR 9 februari 2010, LJN BK6941: de pleegplaats van de diefstal van een rugzak was anders dan bezwezen verklaard niet Schiphol, maar (een hotel in) Badhoevedorp. Ten opzichte van deze drie arresten lijkt HR 4 januari 2011, LJN BO1636 weer af te wijken. Daarin slaagde het middel dat erover klaagde dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen was omkleed omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kon volgen dat de verdachte het motorrijtuig had bestuurd te Reuver, Raadhuisplein. Getuigt dit laatste arrest van een strengere aanpak door de Hoge Raad met betrekking tot de onderhavige kwestie? Ik meen dat zulks in zijn algemeenheid niet gezegd kan worden en dat telkens een nuancuering naar geval op zijn plaats is. Daarbij spelen mijns inziens de aard van het feit, evenals de omstandigheden waaronder dit is begaan, een rol in het licht van de belangrijkste strafprocessuele functie van de tenlastelegging, te weten dat er voor de verdachte geen onduidelijkheid mag bestaan over hetgeen hem wordt verweten. Aan de hand van dit criterium zal beoordeeld dienen te worden of de verdachte al dan niet door een te rekkelijke uitleg van de bewezenverklaring zal worden geschaad in zijn verdediging.

9. De strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond van overtreding van het bepaalde in art. 30 (oud) WAM strekte zich niet alleen uit over de bezitter en de eventuele houder van het voertuig, maar - in deze zaak van belang - ook over degene op wiens naam het kentekenbewijs was afgegeven. De verzekeringsplicht geldt voor kentekenhouders in heel Nederland. Om die reden is een "nadere plaatsaanduiding waar het feit van onverzekerd zijn zou zijn begaan op zichzelf onnodig", aldus al mijn ambtgenoot Jörg in zijn conclusie vóór HR 8 september 2009, LJN BI5675. Daaraan voegde hij nog toe dat de uniciteit van dat feit met het oog op de werking van art. 68 Sr niet wordt getypeerd door de plaats waar, maar door de datum waarop het feit is geconstateerd.

10. Zowel in eerste aanleg(3) als in hoger beroep is ten aanzien van verzoeker verstek verleend; hij was niet ter terechtzitting verschenen en had zich niet laten verdedigen door een raadsman. Ten tijde van die terechtzittingen heeft verzoeker dus niet kunnen reageren op de voorgedragen tenlastelegging waarin als pleegdatum is vermeld: "te Zwijndrecht, althans in Nederland". Voorts wijs ik nog op het, zich bij de stukken bevindende, GBA-overzicht waaruit blijkt dat verzoeker op de tenlastegelegde en bewezenverklaarde pleegdatum (11 oktober 2006) stond ingeschreven op het adres [a-straat 1] in Zwijndrecht. Wellicht heeft het hof zich hierdoor laten leiden met betrekking tot de bewezen verklaarde pleegplaats.

11. Los van die veronderstelling mijnerzijds, meen ik dat het ervoor kan worden gehouden dat het hof als gevolg van een kennelijke misslag, bij vergissing, de subsidiaire zinsnede "althans in Nederland" heeft 'gestreept' in plaats van de primaire plaatsaanduiding Zwijndrecht. De Hoge Raad kan, lijkt mij, in casu de bewezenverklaring met herstel van deze misslag lezen, en wel aldus dat deze inhoudt dat het bewezenverklaarde feit in Nederland is begaan.(4) Daarbij neem ik in aanmerking dat de tenlastelegging en bewezenverklaring dermate concreet zijn - het gaat specifiek om de personenauto met kenteken [AA-00-BB], waarvan het kenteken was opgegeven aan verzoeker - dat omtrent het verwijt dat verzoeker is gemaakt, voor hem geen onduidelijkheid kan hebben bestaan. Zo bezien, brengt dit alles mee dat het middel feitelijke grondslag mist, zodat het niet tot cassatie kan leiden.

12. Mitsdien faalt het middel.

13. Het tweede middel klaagt dat het hof ten aanzien van de opgelegde straf ten onrechte heeft overwogen dat het handelen van verzoeker in geval van een ongeval verstrekkende gevolgen kan hebben voor eventuele slachtoffers, althans dat deze strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.

14. De strafoplegging is - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - als volgt gemotiveerd:

"Strafmotivering

(...).

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft verzuimd een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen af te sluiten. Dit kan ingeval van een verkeersongeval verstrekkende gevolgen hebben voor de slachtoffers en hiertegen dient dan ook streng te worden opgetreden (cursivering van mij, AG).

(...)."

15. Volgens de toelichting op het middel heeft het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, overwogen dat in geval van een verkeersongeval het handelen van verzoeker verstrekkende gevolgen kan hebben voor eventuele slachtoffers, omdat slachtoffers van een aanrijding de door hen geleden schade kunnen verhalen op het Waarborgfonds Motorverkeer, wanneer de civielrechtelijk aansprakelijke kentekenhouder van het motorrijtuig de verplichting tot verzekering niet is nagekomen.

16. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de WAM, houdt terzake onder meer het volgende in:

"De strekking der verplichte verzekering is, de benadeelden zoveel mogelijk zekerheid te geven dat de door hen geleden schade zal worden vergoed. Uit deze strekking vloeit voort dat de benadeelde een eigen recht tegenover de verzekeraar dient te hebben."(5)

17. Uitgangspunt van de WAM is dus dat een benadeelde (slachtoffer) een eigen recht dient te hebben tegenover de verzekeraar, om hem zoveel mogelijk zekerheid te geven dat de door hem geleden schade wordt vergoed. Het Waarborgfonds Motorverkeer is enkel bedoeld voor uitzonderingsgevallen en zou niet kunnen functioneren, indien niemand (meer) een 'aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen' zou afsluiten.

18. Het hof heeft, gelet op het gebruik van het hierboven onder 14 door mij gecursiveerde werkwoord "kan", de bedoelde verstrekkende gevolgen niet als een vaststaand gegeven willen aanmerken, maar daarmee enkel tot uitdrukking willen brengen dat de gevolgen voor slachtoffers van een verkeersongeval met een onverzekerde bestuurder verstrekkend kúnnen zijn. Zo bijvoorbeeld wanneer niet aan alle voorwaarden van het Waarborgfonds is voldaan en de benadeelde (slachtoffer) bijgevolg geen beroep op dit fonds kan doen. In dat licht is 's hofs overweging over de mogelijk verstrekkende gevolgen voor slachtoffers van een verkeersongeval niet onbegrijpelijk en is de strafoplegging met voldoende redenen omkleed.

19. Het middel faalt.

20. De middelen falen en kunnen, meen ik, beide worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Verder te noemen WAM.

2 Zie voor een andersoortige problematiek rondom bewezenverklaarde plaatsaanduidingen bijv. HR 10 juni 2003, LJN AF7314, NJ 2003, 633 (Groene Hilledijk) en HR 25 juni 2002, LJN AE1185 (Rijksweg A67).

3 Ook de kantonrechter te Dordrecht had Zwijndrecht als pleegplaats bewezen verklaard, hoewel de door hem gebezigde bewijsmiddelen evenmin iets inhielden over die pleegplaats. Uit de akte rechtsmiddel van 15 januari 2008 blijkt niet waarom verzoeker appel had ingesteld.

4 Ook dan was de kantonrechter in Dordrecht relatief bevoegd van de zaak kennis te nemen, nu destijds volgens het GBA-overzicht Zwijndrecht de woonplaats van verzoeker was (art. 2, eerste lid, Sv).

5 Kamerstukken II 1960/61, 6342, nr. 3, p. 10.