Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP2208

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
05-04-2011
Zaaknummer
09/01547
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP2208
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 6 WVW. HR verwijst naar HR LJN AO5822. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en de overwegingen t.a.v. de bewezenverklaring vastgesteld dat de verdachte als bestuurder van een elf meter lange vrachtwagencombinatie reed op de Stadionkade te Amsterdam, dat hij op het kruispunt met de Parnassusweg zijn vrachtauto tot stilstand heeft gebracht naast het eveneens voor dat kruispunt met haar fiets stilstaande slachtoffer, dat de verdachte vervolgens rechtsaf is geslagen in de veronderstelling dat de fietsster, die hij in de spiegels niet meer had gezien, al rechtsaf was geslagen en dat hij niet met voldoende zekerheid had vastgesteld dat de fietsster zich niet langer in de directe nabijheid van zijn voertuig bevond. Gelet op die vaststellingen is 's Hofs oordeel dat de verdachte zodanig aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 niet onjuist of onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2011/172
RvdW 2011/515
NJB 2011, 938
VR 2012/97
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/01547

Mr Jörg

Zitting 18 januari 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 2 april 2009 verzoeker wegens - kort gezegd - overtreding van art. 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van vijftig dagen, subsidiair vijfentwintig dagen hechtenis, alsmede een rijontzegging voor de duur van negen maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verzoeker heeft mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het hof bij de bewezenverklaring is uitgegaan van een onjuiste opvatting van art. 6 WVW 1994 en/of de bewezenverklaring ontoereikend althans onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

4. Ten laste van verzoeker heeft het hof bewezenverklaard dat hij:

"primair

op 11 april 2006 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een vrachtwagen in de hoedanigheid van beroepschauffeur, daarmee rijdende over de weg, de Stadionkade en de kruising van de Stadionkade met de Parnassusweg, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een ontvelling van het linker boven- en onderbeen;

hij, verdachte, heeft zich toen aldaar als volgt gedragen:

verdachte heeft gereden over de Stadionkade, komende uit de richting van de Amstelveenseweg en gaande in de richting van de Parnassusweg;

verdachte heeft gereden op de Stadionkade, op het moment dat een fietsster, voornoemde [slachtoffer], komende uit de richting van de Patroclosstraat, gezien verdachtes rijrichting voor de door hem bestuurde vrachtwagen van links naar rechts is overgestoken, teneinde voor verdachte uit haar weg te vervolgen in dezelfde rijrichting als verdachte;

verdachte is met voornoemde fietsster tot stilstand gekomen ter hoogte van de op de kruising gelegen uitritconstructie;

verdachte heeft vervolgens het kruisende verkeer voorrang verleend en is vanuit een stilstaande positie rechtsaf gaan slaan zonder zich er zowel voor als tijdens deze manoeuvre, tijdig en voldoende van te vergewissen en te blijven vergewissen dat de door hem te volgen weg vrij was om rechtsaf te slaan;

immers is verdachte op voornoemd kruispunt rechtsaf gaan slaan, terwijl voornoemde fietsster zich aan de rechtervoorzijde van de vrachtwagen bevond, waardoor verdachte tegen de fiets van voornoemde [slachtoffer] is gereden, waardoor zij is gevallen;

verdachte is vervolgens met het rechtervoorwiel van zijn vrachtwagen over het linkerbeen van [slachtoffer] gereden, waardoor zij bovenomschreven letsel heeft opgelopen."

5. De door het hof gebruikte bewijsmiddelen geven het volgende beeld te zien. Verzoeker reed met zijn elf meter lange vrachtwagen de Stadionkade op in de richting van de Parnassusweg. Hij ziet fietsster [slachtoffer] van links de Stadionkade op fietsen. De fietsster rijdt voor verzoeker uit. Op dat moment was het niet ver meer naar de kruising tussen de Stadionkade en de Parnassusweg. Op de Stadionkade haalt verzoeker de fietsster in. Bij voornoemde kruising stopt verzoeker, trekt vervolgens op en slaat af naar rechts. Daarbij rijdt hij de fietsster aan. Verzoeker had de fietsster niet meer in zijn spiegels gezien en dacht dat zij al naar rechts was afgeslagen.

6. Het hof heeft in het verkorte arrest aan de bewezenverklaring de volgende overweging gewijd:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Hij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat uit het enkele feit dat de verdachte ten tijde van het afslaan naar rechts, hoewel hij in zijn spiegels heeft gekeken, het slachtoffer niet heeft gezien, niet kan volgen dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen.

Op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde op de terechtzittingen in hoger beroep stelt het hof het volgende vast.

De verdachte heeft met zijn vrachtwagencombinatie met een lengte van elfmeter over de Stadionkade te Amsterdam gereden. Het slachtoffer is voor hem van links komend vanuit de Patroclosstraat de Stadionkade opgefietst en op dat moment door de verdachte waargenomen, omdat zij toen vóór de verdachte uit heeft gereden.

Op de kruising van de Stadionkade met de Parnassusweg (op korte afstand van de Patroclosstraat gelegen) zijn de verdachte en het slachtoffer gestopt. De verdachte wilde aanvankelijk linksaf slaan maar heeft hiervan afgezien wegens het drukke verkeer en besloot toen rechtsaf te slaan.

De verdachte is vervolgens opgetrokken en heeft bij het afslaan het slachtoffer met haar fiets aangereden waardoor zij ten val is gekomen en letsel heeft opgelopen.

Het hof leidt de aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid van de verdachte af uit de vaststaande omstandigheid dat de verdachte het slachtoffer op geen enkel moment voor de overrijding heeft waargenomen, terwijl dit wel van hem moest worden verlangd. Aan de bewezenverklaring staat niet in de weg dat het slachtoffer zich mogelijk op het moment van de overrijding en kort daarvoor mogelijk in een voor de verdachte als chauffeur 'dode hoek' heeft bevonden. Aan een bestuurder van een vrachtwagencombinatie als die waarin de verdachte reed, moeten hoge eisen van oplettendheid worden gesteld, hetgeen betekent dat ook met de gevaren van een 'dode hoek' rekening moet worden gehouden, temeer nu de verdachte naar eigen zeggen niet met voldoende zekerheid had vastgesteld dat het slachtoffer, dat naar hij zelf heeft waargenomen vóór hem de Stadionkade was opgefietst, zich niet langer in de directe nabijheid van zijn voertuig bevond."

7. Volgens het middel leveren de gedragingen van verzoeker - mede gelet op vergelijkbare zaken van Uw Raad waarin zogeheten 'kijkfouten' aan de orde waren geen culpa op.

8. Voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan (vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252).

9. De steller van het middel wijst op arresten(1) waarin Uw Raad heeft geoordeeld dat het bewijs van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 ontoereikend was gemotiveerd. Uit deze arresten blijkt dat het aannemen van culpa problematisch kan zijn als er enkel sprake was van een gebrekkige, falende, waarneming. In deze arresten oordeelde Uw Raad dat een falende waarneming alléén onvoldoende is voor het bewijs van de "aanmerkelijke" of "grove" schuld; er moet iets bij komen.

10. Evenals in mijn conclusie van 18 mei 2010 (LJN BN5610) breng ik de steller van het middel andere, in dezelfde periode gewezen, arresten(2) van Uw Raad onder de aandacht waarin de bewezenverklaring van culpa in cassatie tevergeefs werd aangevochten. In die conclusie gaf ik onder 9 een uitvoerig de essentie van die arresten weer, dus op deze plek zal ik volstaan met een verwijzing daarnaar.

11. Om in navolging van de steller van het middel een parallel te trekken met een vergelijkbare zaak zou ik aansluiting willen zoeken bij HR 17 januari 2006, LJN AU3447, NJ 2006, 303 m.nt. Buruma. In deze tragische zaak verleent de chauffeur van een personenbus een moeder en haar zoontje voorrang op een fietsoversteekplaats. De chauffeur ziet als gevolg van de hoogte van de bus en zijn eigen betrekkelijk geringe gestalte niet dat het vijfjarige jongetje valt en voor de personenbus op straat ligt. De buschauffeur trok op nadat hij had gezien dat de moeder was overgestoken. Hierdoor reed hij over het jongetje heen. Uw Raad liet in deze zaak 's hofs oordeel dat sprake was van zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen nu de verdachte in de omstandigheden van het geval, alvorens zijn weg te vervolgen, zich er zelf van had moeten vergewissen of dit kon doen zonder gevaar voor het overstekende kind in stand. Daarbij heeft Uw Raad in het bijzonder meegewogen dat verdachte beperkt zicht had en dat van de verdachte als bestuurder van een motorvoertuig ten aanzien van een zeer kwetsbare verkeersdeelnemer als het slachtoffer zorgvuldigheid wordt gevergd.

12. Een tweede zaak die in mijn ogen voor vergelijking in aanmerking komt is HR 21 april 2009, LJN BG9142, NJ 2009, 209. In deze zaak accepteerde Uw Raad de bewezenverklaring van culpa ten aanzien van de bestuurder van een trekker met oplegger die een voorrangskruising opreed zonder zijn snelheid te verminderen (met het oog op de mogelijkheid van kruisend verkeer) en daardoor een personenbusje ramde. Uw Raad overwoog hierbij dat het hof in zijn overweging tot uitdrukking heeft gebracht dat de verdachte ten onrechte geen voorrang heeft verleend aan het naderende personenbusje maar ook dat hij bij het naderen van het kruispunt - ongeacht de vraag of er verkeer van links kwam en of hij dat had gezien - gegeven de omstandigheden ter plaatse en het feit dat hij een trekker met oplegger bestuurde een lagere snelheid had dienen aan te houden en die snelheid had moeten aanpassen aan de mogelijkheid van van links komend verkeer.

13. Terug naar onderhavige zaak. Blijkens zijn hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen heeft het hof de aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid van verzoeker afgeleid uit de omstandigheid dat verzoeker het slachtoffer op geen enkel moment heeft waargenomen, terwijl dit wel van hem moest worden verlangd. Voorts heeft het hof overwogen dat aan een bestuurder van een vrachtwagencombinatie als die waarin verzoeker reed(3) hoge eisen van oplettendheid moeten worden gesteld, hetgeen betekent dat ook met de gevaren van een 'dode hoek' rekening moet worden gehouden. Ik wijs erop dat blijkens de tot bewijs gebruikte verklaring van verzoeker (bewijsmiddel 2) de spiegels niet goed stonden afgesteld, aangezien verzoeker een beetje omhoog moest komen in zijn stoel om in de onderste spiegel te kunnen kijken. Ik neem aan dat dit de spiegel was, waarin hij het slachtoffer onder zijn twee wiel kon zien liggen. Juist omdat de kans op "dode hoek"-ongelukken met vrachtwagens algemeen bekend is in het beroepsvervoer en tot tal van verbeteringen heeft geleid door middel van meer en betere spiegels op vrachtauto's (en bussen), en hier en daar door het aanbrengen van spiegels op verkeerspalen onder de verkeerslichten spreekt het voor zich dat een beroepschauffeur pas aan het verkeer gaat deelnemen wanneer de spiegels zó zijn afgesteld dat hij zonder bijzondere inspanningen te verrichten het juiste zicht heeft wat beter genoemd kan worden: de dodenhoek. Anders zijn die spiegels er nòg voor niets. Voor deze oplettendheid was temeer aanleiding nu verzoeker heeft verklaard dat het slachtoffer, dat vóór hem de Stadionkade was opgefietst, zich niet langer in de directe nabijheid van zijn voertuig bevond. Blijkens de verklaring van het slachtoffer [slachtoffer] (bewijsmiddel 3) stond zij bij het kruispunt op het fietspad te wachten en stond de vrachtwagen van verzoeker een stukje op het fietspad. De aangereden fietsster bevond zich dus op een weggedeelte dat speciaal was ingericht voor fietsers en waar dus fietsers konden worden verwacht. Dat het hof onder deze omstandigheden heeft geoordeeld dat verzoeker aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest, en dus schuld had als bedoeld in art. 6 WVW 1994, geeft, mede gelet op de rechtspraak, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is voldoende met redenen omkleed en er is geen aanleiding om verzoeker het voordeel van de twijfel te geven.

14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Voor de volledigheid van deze conclusie: HR 29 april 2008, LJN BD0544, NJ 2008, 440; HR 27 mei 2008, LJN BC7860, NJ 2008, 441 en HR 28 oktober 2008, LJN BE9800, NJ 2008, 571.

2 HR 29 april 2008, LJN BD0709, NJ 2008, 439; HR 24 juni 2008, LJN BC7914, NJ 2008, 442 m.nt. Keijzer; HR 17 februari 2009, LJN BH1442, VR 2009, 102; HR 14 april 2009, LJN BH3921, VR 2009, 101; HR 21 april 2009, LJN BG9142, NJ 2009, 209 en HR 3 februari 2009, LJN BG9216, NJ 2009, 200.

3 Een bakwagen van elf meter lang voorzien van vier assen.