Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP1377

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
29-03-2011
Zaaknummer
10/02846
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP1377
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ad informandum. Strafmotivering. Gelet op het procesverloop, meer i.h.b. de door de Rb in aanmerking genomen ad info feiten en hetgeen omtrent die feiten in h.b. is verhandeld en voorts gelet op de door de Rb en het Hof opgelegde straffen, had het Hof niet in het ongewisse mogen laten of het de ad info feiten bij de bepaling van de straf in aanmerking heeft genomen. De strafoplegging is dus ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/481
NJ 2011/162
NJB 2011, 867
NBSTRAF 2011/159
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/02846

Mr. Silvis

Zitting 11 januari 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is bij arrest van 2 maart 2010 door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "Een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek. Het hof heeft voorts de vorderingen van benadeelde partijen toegewezen en daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals in het arrest weergegeven.

2. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte verzuimd heeft er in het arrest blijk van te geven of het bij de strafoplegging al dan niet rekening heeft gehouden met de 49 ad informandum gevoegde feiten die op de dagvaarding in eerste aanleg werden genoemd, althans dat het hof de strafoplegging onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.

4. Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:

"Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof is van oordcel dat niet kan worden volstaan met de straf die door de advocaat-generaal is gevorderd en in eerste aanleg aan verdachte is opgelegd, omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 11 januari 2010 eerder ter zake van vermogensdelicten is veroordeeld;

- de ernstige ondermijning van het vertrouwen waarvan in het handelsverkeer uitgegaan moet kunnen worden, door het bewezen verklaarde handelen van verdachte;

- de grote schaal waarop de verdachte zich bezig heeft gehouden met het kopen (met het oogmerk om zonder volledige betaling zich de beschikking daarover te verzekeren) van goederen;

- de mate waarin het bewezen verklaarde schade teweeg heeft gebracht bij de benadeelden;

- de omstandigheid dat verdachte bij hel plegen van de feiten louter heeft gehandeld uit financieel (eigen) gewin en zich niets heeft aangetrokken van de belangen van de gedupeerden.

Het hof acht de hierna op te leggen straf, zowel wat betreft de strafsoort als strafmaat, het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde feit is gepleegd."

5. In aanmerking genomen dat het hof in zijn overwegingen uitsluitend verwijst naar "het bewezen verklaarde" en het hof ook overigens geen melding maakt van de ad informandum gevoegde feiten kan het er voor gehouden worden dat het hof die ad informandum gevoegde feiten niet heeft betrokken bij de strafoplegging. Ik merk daarbij op dat het hof ook niet gehouden was deze feiten bij de strafoplegging te betrekken.(1)

6. De volgende grief in het middel houdt in dat indien het hof de ad informandum gevoegde feiten niet bij de strafoplegging betrokken heeft, deze onvoldoende gemotiveerd is, gelet op de aanmerkelijke strafverhoging ten aanzien van de in eerste aanleg opgelegde straf alsmede de vordering van de advocaat-generaal bij het hof.

7. Het hof heeft in zijn motivering uitdrukkelijk aangegeven dat en waarom het van oordeel was dat niet volstaan kon worden met de door de advocaat-generaal gevorderde en in eerste aanleg opgelegde straf. Het komt mij voor dat het hof de strafoplegging daarmee voldoende heeft gemotiveerd. Dat de door het hof opgelegde straf in de buurt komt van de wettelijke maximumstraf voor het bewezenverklaarde misdrijf doet hier niet aan af.(2)

8. De opmerking in de toelichting op het middel, dat het hof in het geheel geen aandacht besteed aan hetgeen namens verdachte door diens raadsman was aangevoerd ten aanzien van de straf, miskent dat het hof door uitdrukkelijk aan te geven dat en waarom het van oordeel was dat niet volstaan kon worden met de door de advocaat-generaal gevorderde en in eerste aanleg opgelegde straf daarmee tevens heeft gemotiveerd dat en waarom niet volstaan kon worden met de door de raadsman verzochte voorwaardelijke gevangenisstraf.

9. Het middel faalt derhalve.

10. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 1 mei 1990, LJN: AB7602, NJ 1991/40, m.nt Th.W.v.V.; zie ook Franken, Voeging ad informandum in strafzaken, Gouda Quint, 1993, p. 38.

2 Overigens had het hof, gelet op de justitiƫle documentatie van verdachte, de maximum gevangenisstraf nog met een derde kunnen verhogen (art. 43a Sv); zo bezien zit het hof met zijn opgelegde straf zo'n 19 maanden onder het strafmaximum.