Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP1288

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
10/01863 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP1288
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag ex art. 552a Sv tegen de schriftelijke kennisgeving a.b.i. art. 116.3 Sv. Maatstaf. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN BL2823. De Rechtbank heeft overwogen dat X eigenaar van het varken is. Daarmee heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat degene aan wie het OM voornemens is het inbeslaggenomen varken te doen teruggeven, X, als rechthebbende van het varken moet worden aangemerkt. De Rechtbank heeft derhalve de juiste maatstaf aangelegd. De in het middel bedoelde overweging van de Rechtbank omtrent de stelling van de klaagster dat zij het varken beter kan verzorgen dan de eigenaar, is een overweging ten overvloede, zodat het middel zich daartegen tevergeefs keert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/447
NJB 2011, 826
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/01863 B

Mr. Silvis

Zitting 11 januari 2011

Conclusie inzake:

[Klaagster]

1. De rechtbank te Haarlem heeft bij beschikking van 25 maart 2010 klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag tegen het voornemen van de officier van justitie tot teruggave van een onder haar in beslag genomen varken aan de eigenaar.

2. Namens klaagster heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat de motivering van de beslissing van de rechtbank blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat de beslissing onbegrijpelijk is gemotiveerd

4. Op 18 februari 2010 is het varken, waar het in deze zaak om gaat, in beslag genomen onder klaagster, maar wel bij klaagster gelaten ter verzorging. Klaagster had het varken op 12 februari 2010 meegenomen van het landje waar het varken door haar eigenaar was ondergebracht, naar haar varkensopvang "[A]". De officier van justitie neemt op 1 maart 2010 de beslissing tot opheffing van het beslag en tot teruggave van het varken aan haar eigenaar. Deze beslissing is bij brief van 9 maart 2010 aan de raadsman van klaagster medegedeeld. Klaagster kon zich met deze beslissing dan wel het voornemen tot teruggave aan de eigenaar niet verenigen, en haar raadsman heeft namens haar op 15 maart 2010 een klaagschrift ingediend. Het varken is op 16 maart 2010 aan de eigenaar teruggegeven.

5. Bij de behandeling van het klaagschrift op de openbare raadkamerzitting van 25 maart 2010 is zowel klaagster en haar raadsvrouw, als de eigenaar van het varken, als belanghebbende, en zijn echtgenote aanwezig. Voor hetgeen klaagster en haar raadsvrouw, de belanghebbende eigenaar en de officier van justitie verklaard hebben verwijs ik naar het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift.

6. Na sluiting van het onderzoek spreekt de rechtbank meteen haar beslissing uit. Blijkens de beschikking overweegt de rechtbank ten aanzien van haar beslissing het volgende:

"2. Beoordeling

Eigenaar van het varken is [betrokkene 1]. Klaagster heeft het varken meegenomen en is op 18 februari 2010 als bewaarder aangesteld.

De officier van justitie heeft inmiddels besloten het varken terug te geven aan de eigenaar.

Klaagster claimt een beter recht te hebben op het varken.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat nu klaagster geen rechten kan ontlenen aan de enkele stelling dat zij het varken beter kan verzorgen dan de eigenaar, zij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar klaagschrift.

Op grond van het vorenstaande dient derhalve met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klaagschrift."

7. De eerste grief in het middel, inhoudende dat de beslissing van de rechtbank dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar beklag blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting, is gegrond. In aanmerking genomen dat klaagster de beslagene is, kan de rechtbank haar oordeel, zoals ook in de toelichting op het middel gesteld, niet baseren op de opvatting dat klaagster geen belanghebbende zou zijn als bedoeld in 552a lid 1 Sv.

8. En mocht de rechtbank op het verkeerde been zijn gezet door de officier van justitie die heeft aangevoerd dat het klaagschrift primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het beslag reeds is opgeheven, dan heeft de rechtbank over het hoofd gezien dat, nu de officier van justitie het varken aan de eigenaar heeft teruggegeven zonder toepassing van art. 116, derde lid, Sv, het beklag het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het voornemen van de officier van justitie om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de beslagene te doen teruggeven, alsof deze teruggave nog niet had plaatsgevonden.(1)

9. De rechtbank heeft de verkeerde maatstaf aangelegd bij haar beslissing. In een geval als het onderhavige is de maatstaf dat als de strafvordering niet het voortduren van het beslag vordert de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene moet worden gelast, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van het voorwerp moet worden beschouwd.(2) De rechtbank heeft zich echter niet uitgelaten over de vraag of een ander, in casu de eigenaar, redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van het voorwerp moet worden beschouwd. Hoe voor de hand liggend het antwoord op deze vraag ook lijkt, de rechtbank heeft niet aan deze vraag getoetst. Mijns inziens gaat het ook te ver om te zeggen dat de rechtbank met haar enkele overweging dat "klaagster geen rechten kan ontlenen aan de enkele stelling dat zij het varken beter kan verzorgen dan de eigenaar" tot uitdrukking heeft gebracht dat de eigenaar dus redelijkerwijs als belanghebbende moet worden beschouwd. Nog daargelaten dat, mocht dit wel ingelezen worden, de motivering van de rechtbank, zonder nadere toelichting die ontbreekt, onbegrijpelijk zou zijn. Zoals ook in de toelichting op het middel onder 6 wordt aangevoerd heeft klaagster immers niet enkel gesteld dat zij het varken beter kan verzorgen dan de eigenaar.

10. Het midel slaagt derhalve in alle onderdelen.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 20 februari 2007, LJN: AZ1656, NJ 2007/147.

2 Vgl. HR 25 september 2001, LJN: AD5966, NJ 2002/109.