Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP1284

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
10/00703
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP1284
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Het hof heeft in het verkorte arrest een bewijsredenering opgenomen zonder een volledige verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan de redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend. Daarnaast heeft het hof een aanvulling op het verkort arrest gegeven als bedoeld in art. 365a.2 Sv. Klaarblijkelijk heeft het hof niet voor ogen gehad zijn arrest volgens de zogenoemde promismethode te wijzen. Nu het hof heeft gekozen voor een aanvulling op het verkort arrest, dient deze aanvulling aan de wettelijke eisen te voldoen en had het cfm art. 359.3 Sv de bewijsmiddelen moeten bevatten. Daaraan voldoet de aanvulling niet; de bewijsmotivering schiet tekort.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/406
NJ 2011/137
NJB 2011, 749
NBSTRAF 2011/120
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/00703

Mr. Machielse

Zitting 11 januari 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 2 april 2009 voor 1. Medeplegen van het opzettelijk in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, en 2. Medeplegen van het doen plegen van handelen in strijd met artikel 48 van de Douanewet, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en tot 200 uur werkstraf.

2. Mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem, heeft cassatie ingesteld. Mr. P.W.M. Huisman, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over het bewijs van beide feiten. Dat bewijs zou niet aan de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden ontleend.

In de eerste plaats wijst de steller van het middel erop dat het hof voor de bewezenverklaring heeft gesteund op bewijsmiddelen zonder aan te geven welke feiten en omstandigheden voor de bewezenverklaring relevant zouden zijn. In de tweede plaats zou het bewijs ontoereikend zijn voor een veroordeling.

3.2. Het hof heeft een verkort arrest gewezen en dat voorzien van een aanvulling. In het verkort arrest heeft het hof onder de kop "Overweging met betrekking tot het bewijs" het volgende opgenomen:

"Het hof is van oordeel dat de door en namens verdachte gevoerde verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde worden weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt in het bijzonder nog het volgende.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt:

- Op 9 januari 2004 ontving de FIOD Almelo een bericht van Belgische Federale Overheidsdienst Financiën dat op 22 december 2003 in Antwerpen een container was aangekomen die op 23 december 2003 is gecontroleerd. Tijdens die controle bleek dat de inhoud bestond uit kartons met daarin opgerolde buis. Na de eerste slag zaten dezelfde kartons die sigaretten van het merk Marlboro bevatten. Volgens de documenten betreft de consignee [A] in Heerde (AH-01).

- Na observatie door de FIOD bleek dat de container op 14 januari 2004 naar Heerde werd getransporteerd. Uit tapgesprekken bleek dat het de bedoeling was om nog dezelfde avond de vrachtwagen te lossen. Kort voordat tot ingrijpen werd overgegaan werd nog door het observatieteam geconstateerd dat er dozen vanuit de container van de vrachtwagen werden overgeladen in een Opel Movano (overzichtsproces-verbaal, pagina 17).

- Op 14 januari 2004 stelde een FIOD-ambtenaar vast dat bij de loods aan de [a-straat] in Heerde een rode Opel Movano stond waarin zich 15 dozen bevonden. De dozen waren dichtgeplakt met plakband met uitzondering van twee dozen. Eén van die twee dozen bevond zich vlak bij de achterdeur van de Movano en was door een collega van de FIOD-ambtenaar geopend. In die doos waren sloffen Marlboro zichtbaar. De tweede doos was zichtbaar open geweest en niet meer met plakband dichtgeplakt. Deze doos bevond zich het meest links voorin in de bus. Nadat doos 2 was weggehaald onder de andere dozen, gingen de beide flappen die de doos sluiten vanzelf openstaan en kon in de doos worden gekeken. Daarbij was een gedeelte van een slof Marlboro zichtbaar. Op het moment dat de FIOD op het terrein bij de loods verscheen was men bezig dozen uit een vrachtwagen te halen en dozen o.a. in de Opel Movano te laden. De dozen die nog in de vrachtwagen stonden, waren dichtgeplakt (AH-05).

- In totaal werden 2.125.800 stuks sigaretten van het merk Marlboro en 2.089.000 stuks van het merk Benson & Hedges aangetroffen (overzichtsproces-verbaal, pagina 18).

- Op 15 januari 2004 heeft een opsporingsambtenaar contact gehad met een Belgische collega. Deze collega bevestigde dat er tijdens de controle dozen waren open gemaakt, maar dat deze dozen weer gesloten waren met gelijkwaardige tape (AH-18).

Verbalisanten hebben geconstateerd tijdens het in beslag nemen van de sigaretten en het verplaatsen van diverse dozen dat aan de hand van het bewegingspatroon van de inhoud van de dozen, alsmede het door de inhoud van de dozen gemaakte geluid, duidelijk is welke dozen sigaretten bevatten en welke dozen buizen. De dozen met buizen hebben bij het oppakken een instabiel bewegingspatroon en maken een rammelend geluid, terwijl de dozen met de sigaretten stabiel aanvoelen, waarbij de inhoud geen geluid maakt (overzichtsproces-verbaal, pagina 18).

- Bij de loods bevonden zich tijdens de inval van de FIOD de volgende personen: [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5], de chauffeur van de vrachtwagen en verdachte.

- [betrokkene 4] heeft tijdens de verhoren door FIOD gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [betrokkene 4] verklaard dat hij op 14 januari 2004 aan het lossen was en dat hij voor het lossen benaderd was door de verdachte.

- [betrokkene 5] heeft tijdens zijn verhoor bij de FIOD verklaard dat hij 500 euro zou krijgen om een vrachtwagen te lossen.

- [betrokkene 1] (eigenaar van het bedrijf [A]) heeft op 15 januari 2004 een verklaring afgelegd bij de FIOD. Hij heeft verklaard dat hij verdachte al lang kent en dat begin 2003 verdachte hem in contact wilde brengen met een buizenfabrikant in China. [betrokkene 1] had echter geen belangstelling onder meer omdat de buizen geen KIWA keur hadden. Medio 2003 vroeg verdachte of [betrokkene 1] belangstelling had voor gratis buizen. Dat had [betrokkene 1] wel. De buizen en invoerrechten zijn toen betaald door de verdachte. Ten tijde van het verhoor stonden de dozen met buizen voor het merendeel nog op de zolder van zijn bedrijf. De buizen zijn vanwege het ontbreken van het KIWA keur moeilijk verkoopbaar. In de week voor kerst 2003 nam verdachte opnieuw contact op met [betrokkene 1]. Verdachte vertelde dat hij weer buizen wilde kopen. [Betrokkene 1] had hier geen belang bij, maar verdachte bleef aandringen. [Betrokkene 1] zei vervolgens dat het voor hem niet hoefde, waarna verdachte zei dat hij genoeg wist. Rond 5 januari 2004 werd [betrokkene 1] opnieuw door de verdachte gebeld. Verdachte zei dat hij een container met buizen had besteld en dat deze buizen in Antwerpen zouden worden afgeleverd. Dezelfde dag of een dag later kreeg [betrokkene 1] een envelop in de brievenbus met alle documenten. De documenten stonden op naam van het bedrijf van [betrokkene 1]. De buizen waren al betaald. Vervolgens kreeg hij bericht dat de container kon worden afgehaald. Dit heeft [betrokkene 1] doorgegeven aan verdachte. Verdachte wilde zelfde mensen regelen voor het lossen. De avond van 14 januari 2004 heeft [betrokkene 1] 's avonds tegen verdachte gezegd dat hij zich bedonderd voelde, omdat op de documenten stond dat de buizen al op 23 of 28 november 2003 uit China verzonden waren, terwijl verdachte aan [betrokkene 1] in de week voor kerst had gevraagd of hij buizen wilde.

- [betrokkene 1] heeft op 19 januari 2004 bij de FIOD verklaard dat verdachte hem op 5 januari 2004 heeft gebeld met de mededeling dat hij de buizen had en dat hij de papieren zou toesturen.

- [betrokkene 1] heeft op 30 januari 2004 verklaard dat verdachte de beschikking had over zijn bedrijfsgegevens en dat hij dus in staat is om die gegevens aan leveranciers door te geven.

- Verdachte heeft in zijn verhoor bij de FIOD op 15 januari 2004 verklaard: 'geef mij de schuld maar. Ik heb de jongens geregeld om de vrachtwagen te lossen. Zij hebben er niets mee te maken. Geef mij de schuld maar van de sigaretten.'

Verdachte wilde niet vertellen waar de dozen zouden worden opgeslagen.

- [betrokkene 3] heeft op 15 januari 2004 bij de FIOD verklaard dat hij tijdens de lossing gezien heeft dat verdachte een aantal keren met dozen naar een bestelbus is gelopen en ze daar heeft ingeladen. Verder heeft hij niemand gezien die met dozen naar de bestelbus is gelopen. Daarnaast was het hem opgevallen dat verdachte met de heftruck (die door [betrokkene 3] werd bestuurd) mee liep om er voor te zorgen dat de dozen niet zouden vallen.

- Op 19 november 2008 heeft [betrokkene 6] bij de raadsheer-commissaris verklaard dat hij wist dat hij er op 14 januari 2004 sigaretten in Heerde zouden komen en dat hij dit wist, omdat hij het had aangestuurd. Ook heeft hij verklaard dat verdachte de buizen in China had besteld.

- Voorafgaand aan de levering op 14 januari 2004 is er telefonisch contact tussen [betrokkene 6] en verdachte, waaruit kan worden afgeleid dat gesproken wordt over de komst van [betrokkene 4] en de auto die [betrokkene 4] mee neemt.

- Uit een via de telefoon opgenomen gesprek van 13 januari 2003 blijkt dat verdachte en [betrokkene 6] spreken over sigaretten; ze besluiten Marlboro en Caballero te pakken. [Betrokkene 6] vraagt 'wij hebben ze het liefst gebandeleerd hè? En zegt dat er in een mesbox 50 sloffen zitten en dat een mesbox 170 dollar kost. [Betrokkene 6] maakt dan een berekening 170 maal 2.20371.

- Verdachte heeft tijdens de zitting van het hof op 19 maart 2009 verklaard dat de door hem in april 2003 ingevoerde partij buizen (die in januari 2004 nog lag opgeslagen) hem toebehoorde.

De combinatie van bovengenoemde omstandigheden leveren bij het hof de overtuiging op dat de verdachte reeds vóór 12 januari 2004 heeft geweten dat de lading die op 14 januari 2004 in Heerde werd gelost, niet alleen bestond uit dozen met buizen, maar ook uit dozen met sigaretten.

[Betrokkene 6] wist dat de lading die op 14 januari 2004 in Heerde werd gelost voor een deel uit sigaretten bestond, zo blijkt uit zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris. Een jaar daarvoor had [betrokkene 6] met de verdachte gesproken over grote hoeveelheden sigaretten. Verdachte heeft er aan bijgedragen dat de lading die mede uit sigaretten bestond in januari 2004 werd ingeklaard. Hij heeft geholpen met het lossen van de container. Hij heeft lossers en vervoer geregeld en heeft op 14 januari 2004 contact gehad met [betrokkene 6] over één van de lossers.

Het hof acht het onwaarschijnlijk dat als:

- [betrokkene 6] reeds eerder met de verdachte plannen heeft gemaakt om 'iets' te doen met sigaretten;

- [betrokkene 6] de invoer van illegale sigaretten aanstuurt;

- verdachte een wezenlijke rol speelt bij de realisering van die invoer en de organisatie van het lossen van de container; en

- verdachte in verband met het lossen van de lading contact heeft met [betrokkene 6]

verdachte niet zou hebben geweten dat zich in de container dozen met sigaretten bevonden.

Dat de verdachte - zoals [betrokkene 6] bij de raadsheer-commissaris stelt - er ingeluisd is (en dus niet van de sigaretten zou hebben geweten) acht het hof niet geloofwaardig mede gelet op het feit dat verdachte in zijn verhoor bij de FIOD heeft gezegd: geef mij de schuld maar van de sigaretten; de lossers hebben er niets mee te maken. Het is niet aannemelijk dat op het moment dat de verdachte zich gerealiseerd zou hebben dat hij er in was geluisd en hij door toedoen van een ander vast zat voor sigarettensmokkel, hij ook nog eens bereid zou zijn de schuld op zich te nemen.

Bovenstaande overwegingen spelen een rol bij de wijze waarop het hof de hieronder te noemen feiten interpreteert.

Uit AH-05 en AH-18 leidt het hof af dat de dozen gesloten waren op het moment dat de dozen op 14 januari 2004 in Heerde arriveerden. In de Opel Movano bleek echter één doos aanwezig die geopend was, naast de doos die door de FIOD was geopend. De niet door de FIOD geopende doos stond links vooraan onder een andere doos, waaruit de conclusie kan worden getrokken dat deze doos als eerste in de auto is geplaatst. Gelet op het feit dat juist die doos is geopend, gaat het hof er van uit dat dit gebeurd is om de inhoud te controleren. Uit de afgelegde verklaringen blijkt dat alle aanwezigen -op de verdachte na- slechts bij de loods waren om te helpen met lossen. Niet blijkt dat die andere aanwezigen iets te zeggen hadden over de bestemming van de dozen, dan wel betrokken waren bij de bestelling van de dozen. Het is niet gebleken dat die anderen dozen hebben geopend en/of enig belang hadden bij de inhoud. Het is verder niet gebleken dat anderen dan verdachte de dozen in de Opel Movano hebben gezet. Het hof gaat er daarom van uit dat verdachte degene is geweest die de -voorin staande en geopende- doos in handen heeft gehad en heeft geopend.

Het hof gaat er verder van uit dat de verdachte net als de opsporingsambtenaar heeft gemerkt in welke dozen buizen zaten en in welke dozen niet. Gelet op het feit dat de verdachte een doos met sigaretten heeft geopend en niet een doos met buizen, gaat het hof er van uit dat de verdachte (met name) geïnteresseerd was in de sigaretten en niet in de buizen.

Dat het de verdachte ging om de sigaretten en niet om de buizen - en de verdachte reeds voor 12 januari 2004 wist dat de lading tevens uit sigaretten zou bestaan - leidt het hof voorts af uit hetgeen (ook bij de verdachte) bekend was over de buizen.

[Betrokkene 1] heeft verklaard dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij (de verdachte) buizen had besteld. [Betrokkene 6] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat verdachte de buizen in China had geregeld. Verdachte heeft de buizen aangeboden aan [betrokkene 1] waaruit volgt dat de verdachte (enige) zeggenschap had over de buizen. Uit de verklaring van [betrokkene 6] volgt dat de verdachte een rol heeft gespeeld bij de bestelling van de buizen in China.

Verdachte bood de buizen aan [betrokkene 1] aan nadat de buizen vanuit China, waren verscheept. Verdachte moet hebben geweten dat op het moment dat de buizen besteld en verscheept werden er nog geen koper voor was. Hij had bovendien de beschikking over een eerder ingevoerde partij buizen (eveneens afkomstig uit China), die door het ontbreken van een keurmerk slecht verkoopbaar was.

Het bestellen en verschepen van buizen waar nog geen koper voor is en waar aanwijzingen ontbreken dat die buizen goed verkoopbaar zijn, draagt bij aan de overtuiging van het hof dat de verdachte wist dat de buizen slechts dienden als deklading.

De aangifte tot invoer (D56) is ingevuld door [B], die daartoe opdracht had gekregen van [betrokkene 1]. Uit de verklaring van [betrokkene 1] volgt dat hij de opdracht tot inklaring heeft gedaan door toedoen van de verdachte. Het was de verdachte die met hem contact op nam en zei dat hij buizen had besteld en er voor zou zorgen dat [betrokkene 1] de papieren zou ontvangen. Zonder toedoen van verdachte had [betrokkene 1] niet aan [B] de opdracht tot inklaring gegeven. Gelet op de wetenschap van de verdachte dat de lading bestond uit sigaretten die waren afgedekt door dozen met buizen, gaat het hof er van uit dat de verdachte tevens moet hebben geweten dat de bij [betrokkene 1] in de brievenbus gedeponeerde papieren niet zouden vermelden dat de lading mede uit sigaretten zou bestaan en dat het gevolg daarvan zou zijn dat ook de aangifte tot invoer geen melding zou maken van sigaretten.

Uit het bovenstaande volgt voorts dat de verdachte moet hebben geweten dat de sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken."

Daarna volgt de bewezenverklaring.

3.3. Maar er is ook nog een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling houdt het volgende in:

"Door het hof gebezigde bewijsmiddelen

Gelet op het arrest en de daarin opgenomen bewijsoverweging, met aanhaling van de bewijsmiddelen, zal in deze aanvulling voor die bewijsmiddelen worden volstaan met het opnemen van de vindplaatsen van die gebezigde bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde:

In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt - tenzij anders aangegeven - telkens verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de FIOD-ECD, vestiging Almelo, genummerd 29.860 gesloten en getekend op 9 april 2004, door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar.

1. Het faxbericht van de Belgische Federale Overheidsdienst Financiën aan de FIOD Almelo, gedateerd 9 januari 2004 (bijlage 1/AH/01).

2. Het bovengenoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten (pagina's 8 tot en met 10, 17 en 18).

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van ambtshandeling, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant (bijlage 1/AH/05).

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van ambtshandeling, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant (bijlage 1/AH/18).

5. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 25 oktober 2005 opgemaakt door de rechter-commissaris in de rechtbank Zutphen, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4].

6. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5] (bijlage V6-01).

7. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] (bijlage V1-1).

8. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] (bijlage V1-2).

9. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] (bijlage V1-4).

10. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte (bijlage V03-01).

11. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3] (bijlage V4-01).

12. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 19 november 2008 opgemaakt door de raadsheer-commissaris in dit hof, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 6].

13. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD-ECD, vestiging Almelo, genummerd 29.860, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 11 april 2005, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten (pagina 2 e.v.).

14. De bijlage van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD-ECD, vestiging Almelo, genummerd 29.860, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden ambtenaar van de belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar, gesloten op 11 april 2005, voor zover inhoudende de samenvatting van het telefoongesprek tussen [betrokkene 6] en verdachte d.d. 13 januari 2003 (bijlage 2, pagina 2 e.v.).

15. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 19 maart 2009.

Met betrekking tot feit 1 "niet in de heffing betrokken":

16. Het bovengenoemde proces-verbaal, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten (pagina 18), zakelijk weergegeven:

Inmiddels is vastgesteld dat het nagemaakte sigaretten betreft, voorzien van valse Nederlandse accijnszegels als het gaat om de Marlboro sigaretten en een opdruk "duty paid" als het gaat om Benson & Hedges.

17. De in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal van ambtshandeling, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten (bijlage 1/AH/21 en 1/AH/22), waarin wordt geconcludeerd dat de gebruikte accijnszegels vals zijn.

In het bijzonder met betrekking tot feit 2:

18. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een aangifte tot invoer van aangever douaneagentschap [B] B.V.B.A., referentienummer [001], ondertekend door [betrokkene 7], gedateerd 12 januari 2004 (bijlage 1/D.56/02), waarin bij de omschrijving van de goederen wordt vermeld dat het gaat om 515 pakketten met buizen.

19. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 7] (Belgiëdossier van de FIOD-ECD, bijlage 1/België/03), zakelijk weergegeven:

U vraagt mij wat ik kan zeggen over de behandeling van container (...) waarvoor wij de douaneaangifte d.d. 12 januari 2004 kantoor Antwerpen Douane hebben opgesteld.

Op 8 januari 2004 hebben wij een dossier gestart onder het nummer [002]. Die dag hebben wij van onze opdrachtgever de firma [A] BV uit Heerde in Nederland per post een aantal documenten ontvangen omtrent bovengenoemde container.

20. Een brief van [betrokkene 1] aan [B] Douaneagenten (Belgiëdossier, bijlage 1/België/05, bijlage 5), zakelijk weergegeven:

In aansluiting op een telefoongesprek ontvangt u hierbij de documenten bij de hierop genoemde container uit China. Vriendelijk verzoek ik u de inklaring hiervan te verzorgen en ons mede te delen wanneer de container gehaald kan worden.

21. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] (bijlage V1-1, pagina 4), zakelijk weergegeven:

Ik wist absoluut niet dat er sigaretten in de dozen zaten."

3.4. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte zich op het standpunt gesteld dat hij er in is geluisd en dat hij niet wist dat de ladingen onder meer bestonden uit sigaretten. Blijkens de pleitnota heeft ook de advocaat in hoger beroep vrijspraak bepleit.

Er is dus geen sprake van een bekennende verdachte op wie de tweede volzin van het derde lid van artikel 359 Sv van toepassing is. Het hof heeft dus ook niet kunnen volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen in de aanvulling. Dat betekent dat de overwegingen omtrent het bewijs in het arrest beschouwd dienen te worden als een opgave van de redengevende feiten en omstandigheden.

3.5. Anderzijds duidt de aanhef van de hiervoor geciteerde bewijsoverwegingen erop dat het hof wel voor ogen had om een aanvulling op het verkort arrest het licht te doen zien, waarin dan te lezen zou zijn waarom bepaalde verweren, strekkende tot vrijspraak, bij het hof geen gehoor hebben gevonden. Of was het de bedoeling van het hof in de aanvulling de volledige aanduiding van de bewijsmiddelen te geven, die in het verkorte arrest ontbrak? Wellicht heeft het hof bedoeld in het (verkort) arrest via de Promismethode verantwoording af te leggen met betrekking tot de bewezenverklaring. De redengevende feiten en omstandigheden die de rechter tot een bewezenverklaring brengen zijn dan opgenomen in een bewijsredenering. In die bewijsredenering verwijst de rechter dan naar de wettige bewijsmiddelen waaraan hij die feiten en omstandigheden ontleent. Deze bewijsredenering moet dan wel op zodanige wijze verwijzen naar de bronnen dat zij voldoende controleerbaar is. Gewaakt zal moeten worden voor een vermenging van gevolgtrekkingen en feiten en omstandigheden. Ook daarom is van groot belang dat de verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen zo nauwkeurig mogelijk is.(1)

3.6. Wat daarvan ook zij, mij is niet duidelijk kunnen worden waarom het hof de bewijsconstructie heeft verdeeld over verkort arrest en aanvulling. Als het hof heeft bedoeld de Promismethode toe te passen dan is dit niet optimaal gelukt. Er zijn in het verkorte arrest gegevens vermeld zonder precies aan te geven aan welke wettige bewijsmiddelen die gegevens zijn ontleend. Zo heeft het hof aangegeven wie zich bij de loods bevonden tijdens de inval van de FIOD. Maar waaruit dit gegeven blijkt is niet duidelijk. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een telefoongesprek dat is gevoerd tussen [betrokkene 6] en verdachte voor de levering van 46 januari 2004. Aan welk bewijsmiddel de inhoud van een afgeluisterd telefoongesprek van 13 januari 2003 is te ontlenen blijkt daar evenmin.(2) Waarom het feit dat [betrokkene 4] tijdens zijn verhoren door de FIOD gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht in een bewijsoverweging is opgenomen is mij evenmin helder. Kortom, de bewijsoverwegingen voldoen niet aan de Promiscriteria.

Het middel slaagt, althans voorzover het geacht mag worden daarover te klagen.

4.1. Het tweede middel klaagt over schending redelijke termijn in de cassatiefase. Op 14 april 2009 is cassatie ingesteld en het dossier is eerst op 26 januari 2010 ter administratie van de Hoge Raad ontvangen.

4.2. Deze gegevens zijn mij juist gebleken. Aldus is de door de Hoge Raad op acht maanden gestelde inzendtermijn met één maand en 12 dagen overschreden. Met deze overschrijding van de redelijke termijn zal de rechter die de zaak in hoger beroep in mijn visie opnieuw zal moeten behandelen rekening kunnen houden.

5. Het eerste middel is gegrond voor zover het klaagt over de onduidelijkheid over de wettige bewijsmiddelen waaraan een aantal gegevens die het hof in de bewijsoverweging heeft genoemd is ontleend. Ook het tweede middel treft doel. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 15 mei 2007, NJ 2007, 387 m.nt. Buruma.

2 Vermoedelijk is dit gegeven ontleend aan het bewijsmiddel dat is aangeduid in de aanvulling onder 14.