Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP1278

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-04-2011
Datum publicatie
27-04-2011
Zaaknummer
09/05083
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP1278
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 285 Sr. Belaging. Klacht. ’s Hofs kennelijke oordeel dat de klacht van het slachtoffer tevens kon worden beschouwd als een klacht van zijn echtgenote in de zin van 285b.2 Sr. is onjuist. HR verwijst naar HR LJN AQ4289. Het Hof heeft zijn oordeel dat ook ten aanzien van de kinderen van het slachtoffer is voldaan aan het klachtvereiste van art. 285b.2 Sr ontoereikend gemotiveerd, nu over de leeftijd van de kinderen niets is vastgesteld en art. 65 Sr bepaalt dat, indien de klachtgerechtigde persoon de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, de klacht geschiedt door zijn wettelijke vertegenwoordiger in burgerlijke zaken. HR doet zaak zelf af en verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake van het aan de verdachte tenlastegelegde voor zover dit de belaging van anderen dan het slachtoffer betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/610
NJ 2011/204
NJB 2011, 1046
NBSTRAF 2011/176
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/05083

Mr. Machielse

Zitting 11 januari 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft verdachte op 7 december 2009 voor 2 eerste en tweede cumulatief/alternatief: de eendaadse samenloop van bedreiging met gijzeling, meermalen gepleegd, en belaging, voor 4 en 6: poging tot afpersing, meermalen gepleegd en voor 5 primair: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

2. Mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende zes middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat verdachte het opzet had om te bedreigen zoals is bewezen verklaard in feit 2 en voorts dat het hof heeft miskend dat het geven van een waarschuwing voor plannen tot ontvoering of gijzeling zelf nog geen bedreiging met die feiten inhoudt.

3.2. Als feit 2 is bewezenverklaard dat

"verdachte in de periode van 27 december 2007 t/m 7 januari 2008 te Wassenaar en/of Dordrecht, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en hun kinderen heeft bedreigd met gijzeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend aan [slachtoffer 1] (per telefoon) de volgende sms-berichten doen toekomen:

- "Beste heer, ik wil u waarschuwen voor het volgende, medio januari ligt in de planning om uw gezin af te persen door middel van ontvoering, neem dit serieus, ik ben er ongewild bij betrokken en weet dit zeker, ik kan u niet meer info geven zonder zelf problemen te krijgen. Ik ontken ook t.o. politie, sorry voor de onduidelijkheid" en

- "ik neem niet op ik waarschuw omdat ik er niet achter sta maar er min of meer in mee moet, verander de alledaagse dingen van uw gezin of neem meer bewaking, kan afschrikken. Ik en andere zijn al weken op de hoogte van de gang van doen aan de [a-straat]. Neem uw maatregelen en bel me niet, ik loop meer risico dan u en probeer nog meer info te geven als ik kan" en

- "Cafe [A] of cafe [B] in Den Haag. Vanavond wordt alles gepland en besloten wie wat en wanneer doet" en

- "In januari willen ze proberen uw vrouw en kind tegen betaling terug te bezorgen. Grote man is een turk uit Den Haag. Verder kan ik u niet helpen zonder zelf in de problemen te komen. Dit gaat mij te ver. Ik hoop dat ik ongelijk ga krijgen. Het beste." en

- Opdracht komt van [...]. Datum wordt de 3de week van januari en het gaat om uw vrouw en kind. Hopelyk kunt u hier wat mee" en

- "Jammer dat er nu al blykt dat u met justitie praat. Ik kan u nu geen info meer geven, omdat ik zo tegen de lamp loop. Als u nog wat weten wilt kan dat nu nog even via sms. Dan geef ik nog antw op vragen waarop ik antw heb" en

"Als ik t goed heb begrepen gaan ze volgend weekend wat problemen"

en

hij in de periode van 27 december 2007 t/m 7 januari 2008 te Wassenaar en te Dordrecht, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en hun kinderen, met het oogmerk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en hun kinderen vrees aan te jagen, immers heeft verdachte (per telefoon) 8 SMS-berichten (met dreigende inhoud) aan [slachtoffer 1] gestuurd."

3.3. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van verdachte betoogd dat verdachte [slachtoffer 1] en zijn gezin niet heeft bedreigd, maar heeft gewaarschuwd voor jegens hen door anderen beraamde misdrijven. De advocaat heeft een aantal argumenten voorgehouden waaruit zou kunnen blijken dat deze waarschuwingen niet zonder grond waren.

Het hof heeft evenwel dit standpunt verworpen:

"Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde is de inhoud van de berichten zodanig dat deze zonder meer zeer bedreigend is te noemen. Indien wordt gekeken naar de inhoud van de berichten, en dus naar uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen, kan niet anders worden geoordeeld dan dat verdachte het opzet heeft gehad de [slachtoffers] te bedreigen.

Het hof kan verdachte niet volgen in zijn verweer dat hij de [slachtoffers] alleen maar wilde waarschuwen.

De inhoud van de sms-berichten overtuigen geenszins als waarschuwing. Zo stelt de verdachte eerst: "Neem uw maatregelen", om enkele berichten later te zeggen:

"Jammer dat u met justitie praat". Indien de verdachte had willen waarschuwen, had het meer voor de hand gelegen om te zeggen: "Fijn dat u mijn advies hebt opgevolgd en dat u nu met justitie praat".

Voorts geldt dat, als de verdachte de familie echt had willen waarschuwen, hij (ook) zelf de politie had kunnen waarschuwen, en dan had hij concrete informatie kunnen verschaffen aan de hand waarvan de politie een reëel onderzoek had kunnen verrichten.

De raadsman heeft nog aangevoerd dat het sturen van 8 sms berichten naar de telefoon van [slachtoffer 1] niet gekwalificeerd kan worden als "stelselmatig" in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (belaging).

Het hof is van oordeel dat 8 sms-berichten in een tijdsbestek van elf dagen zeker voldoende is om van stelselmatig te kunnen spreken."

3.4. Kennelijk heeft het hof acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting in eerste aanleg is voorgevallen, meer bepaald op het requisitoir van de officier van justitie. De officier heeft daar gewag gemaakt van een nader onderzoek naar degene die door verdachte is genoemd als opdrachtgever. Deze persoon heeft gezegd van niets te weten. Voorts blijkt deze persoon een blanco strafblad te hebben. De officier heeft ook de mogelijkheden aangegeven die verdachte zou hebben gehad als hij serieus [slachtoffer 1] had willen waarschuwen voor een op handen zijnde gijzeling.

Aldus heeft het hof de feitelijke achtergrond waarmee de verdediging de verstuurde sms-berichten wil verklaren verworpen. Dit oordeel is gebaseerd op waarderingen van feitelijke aard en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. Naar mijn mening is dat oordeel niet onbegrijpelijk en faalt het middel.

4.1. Het tweede middel keert zich tegen de veroordeling voor belaging van de leden van het gezin [van slachtoffers]. Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte acht sms-berichten heeft gestuurd. De bewijsmiddelen laten slechts de conclusie toe dat er zeven berichten zijn verzonden. Voorts betoogt het middel dat er opzet noch wederrechtelijkheid was omdat verdachte [slachtoffer 1] slechts wilde waarschuwen.

Daarnaast kan volgens de steller van het middel niet blijken dat [slachtoffer 1] niet was gediend van de sms-berichten. [Slachtoffer 1] zou zelfs hebben gewild dat verdachte hem zou opbellen in plaats van sms-berichten te sturen. Tot slot voert het middel aan dat de berichten zijn verstuurd naar [slachtoffer 1] en niet naar diens gezinsleden en dat daarom geen inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van die andere gezinsleden.

4.2. De klacht dat er geen belaging zou zijn omdat verdachte slechts wilde waarschuwen faalt, nu het hof op niet onbegrijpelijke grond heeft aangenomen dat de door de verdediging geschetste toedracht niet aannemelijk is.

4.3. Inderdaad blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat verdachte zeven in plaats van acht sms-berichten heeft gestuurd. De Hoge Raad kan de bewezenverklaring verbeterd lezen in die zin dat de verdachte een aantal sms-berichten heeft verzonden. Zo een verbeterde lezing doet niet af aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde. Verdachte moet hebben begrepen dat de door hem verstuurde berichten in het gezin van [slachtoffer 1] tot onrust en angst zouden leiden. De inhoud van die berichten wees immers ook op andere gezinsleden als slachtoffer van beraamde misdrijven. Dat [slachtoffer 1] meer te weten wilde komen en daarom zelf contact heeft gezocht met de afzender van de berichten doet er niet aan af dat deze berichten een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de leden van het gezin [van slachtoffers] betekenden.

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt ook over de veroordeling voor belaging. Het OM zou niet ontvankelijk moeten worden verklaard in de strafvervolging tegen verdachte omdat een klacht tegen verdachte ontbreekt. Als [slachtoffer 1] zelf al een klacht heeft willen inbrengen tegen verdachte dan is het OM in ieder geval niet-ontvankelijk in de vervolging voor belaging van de andere gezinsleden, omdat deze geen klacht hebben gedeponeerd.

5.2. Dienaangaande heeft het hof het volgende overwogen:

"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ten aanzien van feit 2

De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte is met betrekking tot het onder 2 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde, nu uit de klacht van [slachtoffer 1] niet blijkt dat er vervolging gewenst is voor stalking. Indien het openbaar ministerie wel ontvankelijk is, is alleen door [slachtoffer 1] een klacht met betrekking tot stalking gedaan en niet door zijn echtgenote en de kinderen, zodat de klacht geen betrekking kan hebben op de vrouw en kinderen.

De klacht van [slachtoffer 1] ziet - naar het oordeel van het hof - zowel op vervolging van de sms-verzender (de verdachte) als op degenen die uitvoering zouden geven aan de inhoud van de sms-jes. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk in zijn vervolging voor wat betreft het onder 2 tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde.

Verder kan, gelet op de verklaring van [slachtoffer 1] en de inhoud daarvan en de inhoud van de klacht, in redelijkheid niet anders worden begrepen dan dat hij de klacht niet alleen voor zichzelf heeft gedaan maar ook voor zijn echtgenote en zijn kinderen.

Het hof verwerpt het verweer."

5.3. Het oordeel van het hof dat de klacht van [slachtoffer 1] zowel de wens tot vervolging van de sms-verzender als van degenen die de misdrijven zouden beramen uitdrukt, berust op een feitelijke uitleg van de klacht die is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en die mij niet onbegrijpelijk voorkomt.

De Hoge Raad heeft uit de wetsgeschiedenis van artikel 285b Sr en uit de ratio van het klachtvereiste opgemaakt dat iedere klachtgerechtigde zelf de wens tot vervolging in een klacht moet neerleggen.(1) In casu ontbreekt een klacht van de echtgenote en de kinderen. [Slachtoffer 1] kan alleen voor zichzelf een klacht uitbrengen, tenzij hij door de andere klachtgerechtigden schriftelijk is gemachtigd (artikel 164 lid 1 Sv). Het middel is gegrond. Nu het hof verdachte heeft veroordeeld voor de misdrijven van artikel 285 Sr, meermalen gepleegd, en van artikel 285b Sr in eendaadse samenloop kan de Hoge Raad zelf het openbaar ministerie alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte, voor zover die betrekking heeft op belaging van [slachtoffer 2] en de kinderen. Zo een ingreep doet niet af aan de aard en ernst van de feiten waarvoor verdachte is veroordeeld en heeft geen betekenis voor de maximumstraf die aan verdachte zou kunnen worden opgelegd.

Als de Hoge Raad het openbaar ministerie eigenhandig niet-ontvankelijk verklaart in de vervolging voor de belaging van de andere gezinsleden van [slachtoffer 1] komt aan dit onderdeel van het middel de feitelijke grondslag te ontvallen en faalt het middel in al zijn onderdelen.

6.1. Het vierde middel klaagt over de veroordeling voor feit 4. Het stelt dat het slachtoffer eerst kennis kreeg van de bedreiging toen de politie hem daarvan op de hoogte stelde. Een verweer van die strekking heeft het hof onbeantwoord gelaten.

6.2. Als feit 4 is bewezen verklaard dat

"hij in de periode van 04 januari tot en met 7 januari 2008 te Dordrecht en te Halsteren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van geld toebehorende aan [slachtoffer 3] (per telefoon) sms-berichten heeft verstuurd inhoudende

- "[slachtoffer 3] ik wil je op deze manier duidelyk maken dat er op dit moment gewerkt wordt aan jou. Ik ben bereid om de opdracht om te draaien. Dit betekend dat jy myn opdrachtgever bent. Zie je dit als grap dan laat ik je gauw zien dat dit menens is. Ik kryg betaald om je af te schieten op dezelfde manier als van geel uit ehv. Stuur een sms als jet omdraien wil. Zorg wel dat t dit weekend rond is. Anders zie je gauw genoeg dat t serieus is. [...] toch?" en

- " jammer dat je t niet serieus hebt genomen. Nou heb t geen zin meer om u vooraf van info te voorzien. Vandaag zou er by uw woning worden gekeken. Succes ermee.",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid".

6.3. Het middel ziet er aan voorbij dat een bedreiging ook via indirecte weg het slachtoffer kan bereiken.(2) Dat de inhoud van de sms-berichten aan [slachtoffer 3] bekend is geworden is op te maken uit bewijsmiddel 7.

Het middel klaagt ook nog dat het bewijs van feit 4 niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte de sms-berichten heeft gezonden. Het hof heeft evenwel uit de inhoud van de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de sms-berichten van verdachte afkomstig zijn.

Het middel faalt.

7.1. Ook het vijfde middel (abusievelijk genummerd als middel IV) keert zich tegen de veroordeling voor feit 4. De advocaat van verdachte heeft in hoger beroep betoogd dat het sms-bericht dat aan [slachtoffer 3] zou zijn gestuurd in het dossier is weergegeven als een verzameling tekstflarden met tekens. De advocaat ging uit van de stelling dat de politie de flarden aan elkaar had geplakt tot een bericht. Voorts is betoogd dat niet is na te gaan of de tekst die in de tenlastelegging staat werkelijk naar de telefoon van [slachtoffer 3] is verstuurd, noch dat het om een bericht is gegaan.

7.2. Het hof heeft uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat sms-berichten waarvan de inhoud in de tenlastelegging is weergegeven zijn verzonden naar het nummer dat bij [slachtoffer 3] in gebruik was. Ik wijs daarbij speciaal op de inhoud van bewijsmiddel 10. Daaruit is immers op te maken dat op 4 januari 2008 het eerste deel van de tekst is verzonden naar het mobiele nummer van [slachtoffer 3] en op 7 januari 2008 het tweede deel.

Het middel faalt.

8.1. Het zesde middel keert zich tegen de veroordeling voor feit 6. De verdediging heeft aangevoerd dat het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling niet kan worden bewezen verklaard als degene die de sms-berichten stuurde ervan uitging dat de paarden aan [slachtoffer 4] toebehoorden. Voorts is betoogd dat de verstuurde sms-berichten de grenzen van wat in de paardenwereld als maatschappelijk betamelijk wordt gezien niet ver hebben overschreden en dat er niet is gedreigd met geweld. Dat wordt ook ondersteund door het feit dat nadien een kort geding over de paarden is gevoerd.

Het hof heeft de verdachte wel veroordeeld voor dit feit maar heeft ten onrechte verzuimd in te gaan op deze bezwaren.

8.2. Als feit 6 primair is bewezen verklaard dat

"hij in de periode van 15 juni 2007 tot en met 16 november 2007 te Dordrecht, en elders in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 5] te dringen tot de afgifte van twee paarden, toebehorende aan [slachtoffer 5], de voicemail van de telefoon van [slachtoffer 5] heeft ingesproken met de volgende tekst:

- "Ja, met [verdachte], ik sta nu bij huis, je moet omkeren met die paarden anders wordt het voor jou lijden. [Slachtoffer 4] heeft het aan mij overgedragen en je hebt nu met mij te maken. Je moet nu maar omkeren, anders regel ik het wel met je."

en (per telefoon) (een) sms-bericht(en) heeft gestuurd (aan de telefoon van [slachtoffer 5]) inhoudende:

- "Ben vanavond even bij je om alles met je te regelen. Zorg dan dat je er bent." en

- "Je begrijpt het niet helemaal, die paarden komen vandaag terug. Zij mist hetgeen waar ze van houdt, kan jou ook gebeuren en je hebt met mij te maken en niet meer met haar. Vandaag regelen of het wordt geregeld." en

- "Zo.... je zoon bij" en

- "Na een week gaan we het anders doen, vanaf nu moet je op alles gaan letten. Alles en iedereen en elke dag kost geld. Dus hoe doen we het paardenzak." en

- "Je moet geen vrouwen op je paard laten rijden als je er zelf niet bij bent. Kan vervelend zijn voor haar als er dan wat gebeurd. Hoop je gauw te zien want je hebt heel wat te zeggen. Groeten aan de rest van de familie."

- "Zorg nou gewoon dat Zorro vrijdag terug is J geen Zorro? M geen Zosja! En altijd op je voer letten want kan zomaar misgaan groeten je maat." en

- "Dan gaan we 't nou maar anders doen, jammer hoor.",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid".

8.3. Het middel mist feitelijke grondslag voor zover het inhoudt dat het hof niet heeft gereageerd op het betoog van de verdediging. Het hof heeft immers in het arrest als zijn oordeel weergegeven dat de in feit 6 weergegeven bewoordingen, mede gelet op de context waarin zij zijn gegeven, gezien moeten worden als bedreigend. In aanmerking genomen dat de berichten toespelingen maken op onheil dat anderen die op de paarden rijden en de hond van [slachtoffer 5] zou kunnen overkomen, heeft het hof kunnen aannemen dat deze wijze van "onderhandelen" neerkomt op bedreiging met geweld. Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat verdachte [slachtoffer 5] heeft willen dwingen om de paarden terug te geven, maar ook, uit de wijze waarop verdachte is te werk gegaan, dat hij moet hebben beseft dat hij de grenzen van het maatschappelijk betamelijke - zelfs die van de paardenwereld - ver heeft overschreden.(3) Of verdachte zou hebben gemeend dat [slachtoffer 4] recht had op de paarden doet er dan niet toe. Het middel faalt.

9. Mijn voorstel is dat de Hoge Raad het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van verdachte voor belaging van de echtgenote en andere gezinsleden van [slachtoffer 1] en de bewezenverklaring van feit 1 verbeterd zal lezen. Dan komt aan het tweede en derde cassatiemiddel de grondslag te ontvallen. Als de Hoge Raad dit voorstel zou volgen kunnen naar mijn mening alle middelen met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

10. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van verdachte voor belaging van anderen dan [slachtoffer 1], de bewezenverklaring van feit 1 verbeterd zal lezen en het beroep zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 2 november 2004, LJN AQ4289.

2 HR 10 maart 1998, DD 98.200.

3 HR 9 februari 1971, NJ 1972, 1 m.nt. Bronkhorst.