Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP1079

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
09/04111
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2009:BK3019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP1079
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huur woonruimte; verzoek tot medehuurderschap (art. 7:267 BW) althans tot voortzetting voor onbepaalde tijd op de voet van art. 7:268 lid 2 BW; gebrek aan belang door ontruiming krachtens kortgedingvonnis? Dat tenuitvoerlegging kortgedingvonnis gevolgen heeft die bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staat niet in de weg aan toewijzing vorderingen. Andersluidend oordeel hof is onjuist. Gelet op tekst, strekking en wetsgeschiedenis art. 7:268 lid 2 BW brengt enkele omstandigheid dat ‘samenwoner’ ten tijde van overlijden huurder reeds kortere of langere tijd geen gemeenschappelijke huishouding meer voerde met huurder omdat laatstgenoemde wegens ziekte of hulpbehoevendheid moest worden opgenomen in een ziekenhuis of zorgcentrum, niet mee dat vordering op grond van art. 7:268 lid 2 moet worden afgewezen. Rechter zal in een dergelijk geval aan de hand van de omstandigheden van het geval moeten beoordelen of ‘samenwoner’ bescherming verdient.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/387
NJB 2011, 682
RVR 2011/58
WR 2011/57
NJ 2011/552 met annotatie van A.L.M. Keirse
JWB 2011/138
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 09/04111

Mr. Huydecoper

Zitting van 7 januari 2011

Conclusie inzake

[Eiser 1]

en

[Eiseres 2]

eisers tot cassatie

tegen

Woningbouwvereniging Volksbelang

verweerster in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1. De verweerster in cassatie, Volksbelang, verhuurde sinds januari 1980 een woning aan [a-straat] in [woonplaats] aan [betrokkene 1], de moeder van de eerste eiser tot cassatie, [eiser 1].

[Eiser 1] heeft vanaf zijn geboorte (in 1968) bij zijn moeder gewoond, sinds 1980 dus in de gehuurde woning aan [a-straat]; met dien verstande dat hij gedurende twee betrekkelijk korte periodes (oktober 1989 - december 1990 en maart 1998 - november 1998) op andere woonadressen ingeschreven heeft gestaan (en, naar ik althans aanneem, toen ook elders heeft gewoond). Sinds november 1998 had [eiser 1] zijn hoofdverblijf (dus) weer in de woning aan [a-straat]. Sinds februari 2000 woonde ook de tweede eiseres tot cassatie, [eiseres 2], als partner van [eiser 1] in die woning.

2. De partijen zijn het er, althans in de huidige fase van het geding, over eens dat [eiser 1] en [eiseres 2] tijdens hun verblijf in de woning aan [a-straat] met [betrokkene 1], de huurster, een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd(2).

Op 20 april 2005 werd [betrokkene 1] in een opvangcentrum opgenomen. Op 12 oktober 2005 is aan de Gemeente meegedeeld dat haar verblijf aldaar definitief zou zijn.

Op 28 april 2006 hebben [eiser 1] en [eiseres 2] Volksbelang verzocht akkoord te gaan met medehuurderschap aan hun kant. Dat verzoek heeft Volksbelang afgewezen. [Betrokkene 1], [eiser 1] en [eiseres 2] hebben toen Volksbelang aangesproken en gevorderd dat [eiser] c.s. op de voet van art. 7:267 BW als medehuurders zouden worden "erkend".

3. [Betrokkene 1] is tijdens de loop van het geding in eerste aanleg, op 30 november 2006, overleden. [Eiser] c.s. hebben hierop gereageerd door primair te vorderen dat zij als medehuurders op de voet van art. 7:267 BW zouden worden "erkend" en subsidiair, bepaling dat zij op de voet van art. 7:268 lid 2 BW de huurovereenkomst (voor onbepaalde tijd) voortzetten.

4. De vorderingen van [eiser] c.s. werden in de eerste aanleg afgewezen. Volksbelang heeft toen in kort geding ontruiming van de woning gevorderd. Na toewijzing van deze vordering, op 20 september 2007, is de woning op 1 november 2007 ontruimd.

5. De in alinea's 2 en 3 aangeduide procedure is echter (in hoger beroep) voortgezet. Bij eindarrest van 30 juni 2009(3) heeft het hof het vonnis van de eerste aanleg bekrachtigd. Het hof overwoog daartoe, zeer kort samengevat (en voorzover in cassatie nog van belang):

- dat [eiser] c.s. gezien de inmiddels geëffectueerde ontruiming en het feit dat de woning intussen aan iemand anders was verhuurd, geen belang meer hadden bij de materiele vorderingen die zij geldend maakten; maar wel nog belang bij een beslissing over de proceskosten (rov. 8.5);

- dat sinds de beëindiging van de samenwoning (doordat [betrokkene 1] in een opvangcentrum werd opgenomen) een zodanige tijd was verstreken dat er ten tijde van het verzoek van 28 april 2006 geen sprake meer kon zijn van een duurzame gemeenschappelijke huishouding van de betrokkenen; en

- dat hieruit volgt dat ook de vordering op basis van art. 7:268 lid 2 BW niet kan worden toegewezen.

6. Namens [eiser] c.s. is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld. Volksbelang is in cassatie niet verschenen. De klachten van [eiser] c.s. zijn schriftelijk toegelicht.

Bespreking van de cassatiemiddelen

7. De cassatiemiddelen richten zich tegen de oordelen van het hof die ik in alinea 5 bij het eerste en derde "gedachtestreepje" heb weergegeven. Het gaat dus om de overweging dat het materiële belang van [eiser] c.s. bij hun vordering(en) was komen te vervallen, en om het oordeel dat de grond waarop de vordering op basis van art. 7:267 BW (vordering tot vaststelling van medehuurderschap) werd afgewezen, namelijk: dat een zodanige tijd was verstreken dat er geen sprake meer was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding van de betrokkenen, meebracht dat ook de vordering op basis van art. 7:268 lid 2 BW (huurvoortzetting door de huisgenoten van de overleden huurder) niet toewijsbaar was.

Het lijkt mij aangewezen om eerst de tweede klacht te onderzoeken. Zou blijken dat die klacht faalt, dan missen [eiser] c.s. namelijk belang bij de eerste klacht: hun vorderingen zouden dan terecht zijn afgewezen, en aan de vraag of zij bij die vorderingen materieel belang hadden komt dan het (materiële) belang te ontvallen.

De regeling voor huurvoortzetting na overlijden

8. Anders dan de boven deze alinea geplaaste "kop" misschien suggereert, zal ik het door die "kop" bestreken onderwerp niet in extenso behandelen. Er wordt namelijk maar één aspect van de bedoelde regeling in cassatie aan de orde gesteld, en wel dit:

- aan art. 7:268 lid 2 BW ontlenen degenen die met een huurder van woonruimte in die woonruimte een duurzame gemeenschappelijke huishouding hadden, een aanspraak op "huurvoortzetting" na het overlijden van de huurder. De wet geeft er geen uitsluitsel over of daarvoor nodig is dat de duurzame gemeenschappelijke huishouding op het moment van overlijden nog voortduurt, dan wel of - met name - ook in het geval de huurder als gevolg van ziekte of gebrek en daarmee gepaard gaande opname in een verzorgingstehuis of dergelijke voorziening, de samenleving heeft moeten beëindigen, diens nabestaande (gewezen) huisgenoten na zijn overlijden aanspraak op "huurvoortzetting" kunnen maken.

9. De rechtsleer over dit onderwerp is van beperkte omvang. Ik zal beginnen met een weergave daarvan, in de volgorde: wetsgeschiedenis, literatuur en rechtspraak.

Wetsgeschiedenis(4)

10. De regeling die nu in art. 7:268 lid 2 BW staat stond eerder in inhoudelijk identieke vorm in art. 7A:1623 i BW (oud). Die regeling op haar beurt, beoogde weer (beter) te voorzien in wat daarvóór in art. 18 lid 3, 4 en 5 van de Huurwet werd geregeld.

Art. 18 lid 3, 4 en 5 van de Huurwet voorzag erin dat de nabestaande naaste verwanten en pupillen van de huurder of de gewezen huurder(5) na diens overlijden aanspraak konden maken op de status van huurder of gewezen huurder, onder een aantal voorwaarden. Één van de expliciet in deze bepalingen verwoorde voorwaarden was, dat de betrokkenen die niet de echtgenoot van de overledene waren, tot aan het overlijden in de woning met de overleden huurder (of gewezen huurder) een gemeenschappelijke huishouding hadden.

11. In het oorspronkelijke wetsontwerp dat beoogde de huur en verhuur van woonruimte in het BW te regelen (en daarmee de regels van de Huurwet in zoverre te vervangen), en dat uiteindelijk heeft geleid tot de wet waarvan art. 7A:1623 i BW (oud) deel uitmaakte, was voorzien in een bepaling die de tot dan toe in de Huurwet neergelegde regeling inhoudelijk tot op zekere hoogte volgde(6), maar aan die regeling onder meer deze uitbreiding gaf, dat de aanspraak op voortzetting van de positie van de overleden huurder ook (maar alleen: bij ontstentenis van andere "gerechtigden") kon toekomen aan degenen die met de huurder een gemeenschappelijke huishouding hadden, maar niet echtgenoot, naaste verwant of pupil van die huurder waren.

Ook deze (ontwerp)bepaling schreef voor dat er "tot aan het overlijden" een (duurzame(7)) gemeenschappelijke huishouding moest zijn geweest.

12. Bij de Nota van Wijzigingen die tegelijk met de memorie van Antwoord werd ingediend(8) werd een nieuwe tekst voor deze bepaling (inmiddels genummerd 1623h; zoals al even bleek, is het in de uiteindelijke nummering 1623i geworden) voorgesteld, met belangrijke inhoudelijke wijzigingen. Één daarvan was dat bij de voorwaarde die aanvankelijk was geformuleerd als "tot aan het overlijden met de overledene een duurzame gemeenschappelijke huishouding had", de bijstelling "tot aan het overlijden" werd weggelaten.

13. Terwijl de andere inhoudelijke wijzigingen in de Memorie van Antwoord en de toelichting bij de Nota van Wijzigingen worden toegelicht, is dat met de onderhavige wijziging niet het geval.

Ook de verdere wetsgeschiedenis biedt op dit punt geen opheldering. De uiteindelijke wettekst bevat (alleen) de voorwaarde "met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad". Waarom de aanvankelijk opgenomen precisering "tot aan het overlijden" daaruit is verdwenen, wordt verder niet meer besproken.

Voor de totstandkomingsgeschiedenis van de huidige bepaling geldt hetzelfde: aan de vraag of de gemeenschappelijke huishouding "tot aan het overlijden" moet hebben voortgeduurd, wordt geen aandacht besteed(9).

14. Het andere wetsartikel dat betrekking heeft op de mogelijkheden van degene die met de huurder een gemeenschappelijke huishouding voert om rechten als (mede)huurder te verwerven, art. 7:267 BW (inhoudelijk overeenstemmend met art. 7A:1623h BW (oud)), is in lid 1 zo geformuleerd, dat daaruit niet anders valt op te maken dan dat alleen degene die op het desbetreffende moment (nog) met de huurder een gemeenschappelijke huishouding voert, er aanspraak op heeft als medehuurder te worden "erkend".

In de rechtspraak van de Hoge Raad is, in aansluiting hierop, dan ook geoordeeld dat medehuurderschap op grond van deze bepaling alleen kan worden gevorderd zolang de samenwoning niet daadwerkelijk is beëindigd (waarbij echter, voor het geval de samenwoning eindigt doordat de huurder in een verzorgingstehuis of dergelijke moet worden opgenomen, heeft te gelden dat de samenwoning niet dadelijk eindigt doordat deze omstandigheid zich voordoet, maar pas enige, naar omstandigheden te boordelen tijd later - waardoor betrokkenen een beperkte gelegenheid hebben om aan het probleem dat een dergelijke opname kan veroozaken, met geëigende stappen tegemoet te komen)(10).

15. Overigens: wanneer eenmaal van de faciliteiten van art. 7:267 BW gebruik is gemaakt, en de "samenwoner" dus medehuurder is geworden, doet het daarna eindigen van de samenwoning aan diens rechten niet meer af, zolang hij zelf hoofdverblijf in het gehuurde houdt. (Ook) in dat opzicht biedt art. 7:267 BW de huisgenoten van de huurder dus een bescherming die belangrijk verder gaat dan de eerder vermelde bepalingen van de Huurwet deden.

16. Wat betreft de wetsgeschiedenis is nog op te merken dat de bepalingen van de huidige art. 7:267 en 268 BW, althans: de oude artikelen 7A:1623h en 1623i BW waaraan de huidige bepalingen hun oorsprong danken, langs verschillende wegen tot stand zijn gekomen. Het huidige art. 7:268 BW is tot stand gekomen zoals dat in de vorige alinea's werd beschreven. Art. 7:267 BW dankt daarentegen zijn ontstaan aan de woelige ontwikkelingen rond wetsontwerp 14 249 bij de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer (en onmiddellijk daaraan voorafgaand), in de vroege zomer van 1979(11). Het hieruit voortgekomen art. 7A:1623h is, naar in de rede ligt, in het kader van die vrij turbulente ontwikkelingen niet zorgvuldig afgestemd op de al eerder aan de orde gestelde tekst van (de voorganger van) art. 7:268 BW(12).

Het lijkt mij niet verantwoord om aan de discussies rond (de voorganger van) art. 7:267 BW, voor het probleem van uitleg van art. 7:268 BW dat in deze zaak aan de orde is gevolgtrekkingen.

17. Strikt genomen niet tot de wetsgeschiedenis te rekenen is een antwoord dat de Minister van Justitie bij brief van 15 oktober 2007 aan de Tweede Kamer gaf, naar aanleiding van vragen opgeroepen door het in alinea 19 hierna te noemen artikel van Scholten in Praktisch Procederen(13). In dat antwoord neemt de Minister met stelligheid het standpunt in dat de regel van art. 7:268 lid 2 BW ertoe strekt, alleen samenwoning te beschermen die ten tijde van het overlijden van de huurder nog voortduurt(14).

Argumenten ter ondersteuning van dit standpunt worden niet gegeven.

Literatuur

18. Het toeval wil, dat ik mij zelf meer dan eens over de onderhavige kwestie heb uitgelaten, namelijk in Prg. 1988, p. 654 - 656; in "Variatie in cassatie" (feestbundel mr. H.A. Groen, 2006), p. 158 (voetnoot 4) en p. 163 (voetnoot 15); en in het commentaar op de art. 7:268 en 7A:1623i in de losbladige Kluwer-edities "Huurrecht" en "Handboek huurrecht" (telkens in aant. 13a op de desbetreffende bepaling)(15).

Wat ik daar heb verdedigd komt er - in met het klimmen van de jaren telkens iets voorzichtiger bewoordingen - op neer dat met name de verwijdering van de bijstelling "tot aan het overlijden" uit de aanvankelijke ontwerptekst van wetsontwerp 14 249 in 1978, aanleiding kan geven om de wet zo uit te leggen dat ook samenwoners ten aanzien waarvan de gemeenschappelijke huishouding enige tijd vóór het overlijden moest worden beëindigd, aanspraak hebben op de bij de wet voorziene "huurvoortzetting". (Uiteraard moet het dan gaan om samenwoners die zelf in het gehuurde zijn blijven wonen: de hele regeling strekt er immers toe, het woonbelang dat de betrokkenen ten opzichte van het gehuurde hebben, veilig te stellen).

19. De verdere literatuur is van beperkte omvang. T&C Huurrecht, Van der Hoek, (ook) in de zojuist verschenen vierde druk, vermeldt in aant. 2 bij art. 268, met verwijzing naar mijn bijdrage uit Prg. 1988, dat de wetsgeschiedenis aanwijzingen in de zojuist bedoelde zin inhoudt. Het al even genoemde artikel van Scholten in Praktisch Procederen 2007 maakt op p. 47 melding van het probleem, en signaleert dat literatuur en rechtspraak niet eenstemmig zijn over de oplossing daarvan.

Verder heb ik alleen in de eerste druk van Oldenhuis c.s., Hoofdstukken Huurrecht (uit 1992) op p. 78 een passage aangetroffen waarin men een opvatting over dit probleem als geïmpliceerd zou kunnen "inlezen" (en wel de opvatting dat het probleem dat hier aan de orde is bij toepassing van - inmiddels - art. 7:267 en 7:268 BW op dezelfde manier moet worden benaderd). In de latere edities van dit werk is deze passage niet meer opgenomen.

Rechtspraak

20. Het onderhavige probleem is in de gepubliceerde rechtspraak tweemaal door kantonrechters beoordeeld, beide keren in die zin dat beëindiging van de duurzame gemeenschappelijke huishouding vóór het overlijden (door verhuizing van de huurder naar een verpleegtehuis of dergelijke) aan de uitoefening van de in art. 7:268 lid 2 BW bedoelde aanspraken in de weg stond: Ktr. Gouda 2 juni 1994, Prg. 1994, 4163 en Ktr. Utrecht 12 november 1991, Prg. 1992, 3708. In de eerstgenoemde uitspraak wordt geen aandacht besteed aan het feit dat de woorden "tot aan het overlijden" in de loop van de wetsgeschiedenis zijn geschrapt. In de tweede uitspraak gebeurt dat wel, maar oordeelt de Ktr. dat het feit dat de samenwoning inmiddels al acht jaar was beëindigd, aan toepassing van het toenmalige artikel 7A:1623i BW in de weg staat.

21. Mij dunkt dat de tot dusver onderzochte rechtsbronnen geen overtuigende aanwijzingen opleveren voor beantwoording van de vraag van uitleg die hier aan de orde is.

Bij die stand van zaken denk ik dat het nodige gewicht toekomt aan de gedachten en motieven die aan de wettelijke regeling ten grondslag liggen.

22. Wat deze gedachten en motieven betreft: het lijkt mij onmiskenbaar dat de wetgever heeft beoogd, bescherming te bieden voor de woonsituatie van nabestaanden van een overleden huurder die met deze huurder een gemeenschappelijke huishouding voerden.

Het geval dat de samenwoning enige tijd vóór het overlijden tot een einde komt, is daarbij niet onder ogen gezien; maar het past in de lijn van deze gedachte om ook dan bescherming te verlenen, als de gemeenschappelijke huishouding door een overmachtsfeit aan de kant van de huurder enige tijd voor diens overlijden moest worden beëindigd (terwijl de huurverhouding vervolgens blijft bestaan, en de samenwonende huisgenoten onverminderd ter plaatse blijven wonen).

23. In HR 10 oktober 1980, NJ 1981, 132 m.nt. PAS werd, ten aanzien van een vraag van uitleg van art. 7A:1623h (oud) BW (thans art. 7:267 BW), doorslaggevend gewicht toegekend aan de strekking van de wettelijke regeling; waarbij aan die regeling een uitleg werd gegeven in het voordeel van de huurder c.s. in een mate, die enige spanning met de wettekst kon oproepen.

Het ging in die zaak om de vraag of een huurder en diens partner nog een beroep op de regeling van art. 7A:1623h BW konden doen op een ogenblik dat reeds vaststond dat de gemeenschappelijke huishouding zou worden beëindigd en dat de huurder zou vertrekken; zodat tevens vaststond dat het desbetreffende verzoek er alleen toe strekte, de samenwonende huisgenoot via het medehuurderschap de positie van huurder te verschaffen (wat naar luid van art. 7A:1623h lid 3 onder b BW, thans art. 7:267 lid 3 onder b BW, tot afwijzing van het verzoek moest leiden).

24. De Hoge Raad vernietigde het appelvonnis, dat aan de wettekst doorslaggevend gewicht had toegekend (boven passages in de wetsgeschiedenis die een andere uitleg suggereerden).

De Hoge Raad overwoog:

"Art. 1623h BW beoogt aan degene die in duurzame gemeenschappelijke huishouding met de huurder van woonruimte in deze woonruimte zijn hoofdverblijf heeft - hierna te noemen medebewoner -, bij medewerking van de huurder bescherming te verlenen voor het geval de huurovereenkomst ten aanzien van de huurder eindigt. In de praktijk zullen de huurder en de medebewoner zich de behoefte aan deze bescherming veelal pas realiseren op het moment dat dit geval zich dreigt voor te doen. Zou men met de Rb. aannemen, dat op dat moment niet meer voldaan is aan de door de wet gestelde eis van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, en dat dan bovendien alleen reeds op grond van het voornemen om een einde te maken aan die gemeenschappelijke huishouding een gezamenlijk verzoek aan de Ktr. om de medebewoner medehuurder te laten worden moet worden geacht - in de zin van lid 3, onder b, van art. 1623h - kennelijk slechts de strekking te hebben die medebewoner op korte termijn de positie van huurder te verschaffen, dan zou in de meerderheid van de gevallen waarvoor art. 1623h is geschreven, de daarmee beoogde bescherming in strijd met de bedoeling van de wetgever te kort schieten. Tot deze moeilijk aanvaardbare consequentie dwingen, anders dan de Rb. meent, de woorden van de wet niet. Van een duurzame gemeenschappelijke huishouding van tenminste twee jaar kan ook nog gesproken worden op een moment dat er plannen bestaan die gemeenschappelijke huishouding te gaan beeindigen, en de redactie van lid 3, onder b, geeft - in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever, zoals die in de parlementaire stukken tot uitdrukking komt - duidelijk aan, dat de daar gegeven reden tot afwijzing van het verzoek slechts ten doel heeft te voorkomen, dat de in art. 1623h geopende mogelijkheid wordt misbruikt om tot overdracht van de huur tegen de wil van de verhuurder te geraken in gevallen waarvoor dit wetsartikel niet in het leven is geroepen;"

25. Ik wil ervoor pleiten dat het probleem dat vandaag ter beoordeling staat, langs dezelfde lijnen wordt benaderd.

De wettelijke regeling die hier aan de orde is strekt er, zoals ik hiervóór aangaf, toe degenen die met een huurder (in de gehuurde woning) een gemeenschappelijke huishouding voeren, in hun woongenot te beschermen voor het geval de huurder overlijdt.

Ook in dit geval ligt in de rede dat betrokkenen zich vaak pas van problemen in dit verband bewust zullen worden na het overlijden van de huurder, of als duidelijk is geworden dat met diens overlijden op afzienbare termijn rekening moet worden gehouden. Ofschoon dat niet in de meerderheid van de gevallen zo zal zijn, bestaat er ongetwijfeld een aanzienlijk aantal gevallen waarin de huurder door overmachtsfeiten zoals die ook in deze zaak aan de orde zijn, genoodzaakt is geweest, de samenwoning al langere tijd vóór zijn overlijden te beëindigen, terwijl de huisgenoten de samenwoning dan in het gehuurde voortzetten.

26. Wat mij betreft geldt hier dan in een mate die met het geval uit het arrest van 10 oktober 1980 goed vergelijkbaar is, dat de door het hof aan art. 7:268 lid 2 BW gegeven uitleg met zich meebrengt dat de door de wet beoogde bescherming van nabestaanden van de huurder in een relevant deel van de gevallen waarvoor die bescherming juist bedoeld is, tekort zou schieten; en hier geldt in bepaald sterkere mate dan in de zaak uit het arrest van 10 oktober 1980, dat de wettekst niet tot deze - door mij inderdaad als moeilijk aanvaardbaar beoordeelde - consequentie dwingt. Zoals wij hiervóór hebben gezien bevatten de overige bronnen van uitleg immers aanwijzingen die de hier verdedigde uitleg van de wet, ook aan de hand van de tekst daarvan, aannemelijk doen zijn.

27. Zo kom ik ertoe, de klacht van onderdeel 2 van het middel als gegrond aan te merken. Ik wil dat aldus preciseren dat, in de hiervóór door mij verdedigde uitleg van die bepaling, op art. 7:268 lid 2 BW ook dan een beroep kan worden gedaan door nabestaanden van de overleden huurder die met deze een gemeenschappelijke huishouding in het gehuurde voerden, wanneer aan de gemeenschappelijke huishouding vóór het overlijden een einde is gekomen door overmachtsfeiten aan de kant van de huurder, terwijl de huurovereenkomst voortduurde, en de nabestaanden daarna zonder onderbreking tot het overlijden in het gehuurde zijn blijven wonen.

Uitgaande van deze (uitleg van de) regel, geeft de door onderdeel 2 van het middel bestreden overweging van het hof inderdaad blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

28. Onderdeel 2 van het middel voert nog andere argumenten tegen het daardoor bestreden oordeel van het hof aan. Die berusten op de veronderstelling dat aan dat oordeel een andere gedachte ten grondslag ligt dan de hiervóór onderzochte, en door mij als onjuist beoordeelde gedachte.

Ik denk dat de veronderstellingen waarop deze klacht(en) berust(en) niet juist zijn. Het hof heeft inderdaad, zoals het middel als eerste tot uitgangspunt neemt, geoordeeld in de zin dat een beroep op art. 7:268 lid 2 BW niet toekomt aan nabestaanden-huisgenoten van de overleden huurder als de gemeenschappelijke huishouding al voor het overlijden was geëindigd (ook wanneer de beëindiging was toe te schrijven aan overmachtsfeiten zoals die in deze zaak ogenschijnlijk aan de orde waren). Op de klachten die van een andere lezing van de beslissing uitgaan, hoef ik daarom niet in te gaan.

29. Bij gegrondbevinding van de klacht van onderdeel 2 doet zich niet het geval voor dat ik in alinea 7 hiervóór voor mogelijk heb gehouden; en komt ook de klacht van onderdeel 1 van het middel aan de orde.

Die klacht strekt ertoe dat het hof op ontoereikende gronden heeft aangenomen dat aan [eiser] c.s. het materiële belang bij hun vordering(en) was komen te ontvallen.

30. Ook deze klacht lijkt mij gegrond. Aan het feit dat [eiser] c.s. ten vervolge op een voorlopige voorziening in kort geding de woning waar het om gaat hebben ontruimd, komt voor de beoordeling van de zaak ten gronde geen betekenis toe. Niet alleen moet dat met het oog op de regel van art. 257 Rv. worden aangenomen; maar het lijkt mij ook overigens dat voor de vaststelling dat [eiser] c.s. bij hun vordering(en) een reëel, materieel belang zouden missen, deugdelijke grond ontbreekt.

31. De vorderingen van [eiser] c.s. strekten er immers toe dat de rechter zou vaststellen dat aan [eiser] c.s. rechten als medehuurder dan wel als huurvoortzetter op de voet van art. 7:268 lid 2 BW toekwamen. Ook al zou het zo zijn dat Volksbelang door de woning te ontruimen en aan een ander te verhuren, een situatie heeft bewerkstelligd waardoor, naar in de rede ligt, het daadwerkelijk afdwingen van de rechten waarop [eiser] c.s. aanspraak maken problematisch zal zijn, daaruit volgt nog bepaald niet dat zij rechtmatig belang bij de (vordering terzake van) vaststelling van die rechten zijn komen te missen. De gedachte dat dat wel zo zou zijn berust daarentegen op een nogal evidente juridische "non sequitur"-redenering - zodanig evident, dat ik het ervoor houd dat ik dit punt niet nader behoef uit te werken of toe te lichten(16).

32. Ik denk ook dat [eiser] c.s. er een rechtmatig belang bij hebben dat in cassatie wordt vastgesteld dat het hier bestreden oordeel van het hof geen stand houdt; al was het maar om in een eventueel geding na verwijzing niet te (kunnen) worden geconfronteerd met de tegenwerping dat deze overweging van het hof, wat daar verder van zij, bepaalde meningsverschillen van partijen met gezag van gewijsde heeft getrancheerd.

33. Ook onderdeel 1 van het middel onderzoekt nog enkele denkbare altenatieve lezingen van de daardoor bestreden overweging van het hof. Ook in dit geval geldt, dat ik die lezingen niet aannemelijk vind. Daarom laat ik de daarop toegesneden klachten buiten beschouwing.

Conclusie

Ik concludeer tot vernietiging, met verdere beslissingen als gebruikelijk.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Ontleend aan rov. 8.1.1 - 8.1.6 van het in cassatie bestreden arrest.

2 Rov. 8.6.3 van het in cassatie bestreden arrest.

3 Er was op 16 oktober 2007 een tussenarrest gewezen waarin een comparitie werd bevolen. Dit arrest speelt in cassatie geen rol.

4 De totstandkoming van de hier onderzochte regeling wordt goed beschreven in Asser - Abas (Huur) 5 IIA, 2007, nr. 150.

5 In het systeem van de Huurwet gold voor de huurder geen bijzondere bescherming (deze kon immers aan zijn contractuele positie bescherming ontlenen), maar gold er "huurbescherming" voor gewezen huurders, nadat de huurovereenkomst in bepaalde varianten een einde had genomen.

6 Wetsontwerp 14 249, Kamerstukken II 1976 - 1977, 14 249, nr. 2, art. 1623g.

7 (Ook) hier dus een verbijzondering ten opzichte van de bepalingen uit de Huurwet. Het ligt overigens in de rede dat de bepalingen van de Huurwet dienovereenkomstig moesten worden uitgelegd.

8 Kamerstukken II 1978 - 1979, 14 249, nr. 7, gedateerd 3 november 1978. De tegelijkertijd ingediende Memorie van Antwoord draagt nr. 6.

9 Parl. Gesch. Huurrecht, De Jonge/De Wijkerslooth, 2008, p. 617 - 622.

10 Zie HR 21 februari 1986, NJ 1986, 383.

11 Zie voor die ontwikkelingen en voor nadere bronnen daarover ook alinea's 5 - 11 van de conclusie voor HR 26 maart 2010, NJ 2010, 190.

12 Zie over de niet als geslaagd beoordeelde afstemming van de hier besproken bepalingen nogmaals Asser - Abas (Huur) 5 IIA, 2007, nr. 150.

13 Kamerstukken II 2007 - 2008, 28 648 en 27 826, nr. 11, zie in het bijzonder p. 7 - 8.

14 Met dien verstande dat de Minister verwijst naar een zekere bij de toepassing beschikbare speelruimte. Die verwijzing ziet, denk ik, op de speelruimte die blijkens de in voetnoot 10 aangehaalde beslissing, ook bij de toepassing van art. 7:267 BW in acht moet worden genomen.

15 Zie ook alinea 17 van de conclusie voor HR 20 maart 2009, NJ 2009, 156.

16 In het proces-verbaal van de pleitzitting bij het hof van 20 mei 2009 wordt op p. 2 als uitlating van mr. Elias-Boots (de advocate van [eiser] c.s.) bondig weergegeven waar het belang van [eiser] c.s. zoal in bestaat: als hun vorderingen ten onrechte zijn afgewezen "dient Volksbelang de woning opnieuw aan appellanten ter beschikking te stellen dan wel te zorgen voor vervangende woonruimte en schadevergoeding te betalen.". Al vanwege deze uitlating van de kant van [eiser] c.s., behoefde de hier bestreden vaststelling van het hof op z'n minst genomen een bredere motivering dan het hof daarvoor heeft gegeven, om begrijpelijk te (kunnen) zijn.