Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP0569

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-03-2011
Datum publicatie
18-03-2011
Zaaknummer
10/01178
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP0569
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Naturalisatie. Verzoek tot vaststelling Nederlanderschap op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap. Ontbreken rechtsgevolg van vóór 1 april 2003 verleend naturalisatiebesluit verkregen met gebruikmaking valse of fictieve persoonsgegevens. (81 RO)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/390
JWB 2011/153
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/01178

Mr L. Strikwerda

Parket, 7 jan. 2011

conclusie inzake

[verzoeker]

tegen

de Staat der Nederlanden

Edelhoogachtbaar College,

1. In deze zaak, waarin op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) vaststelling van het Nederlanderschap wordt verzocht, gaat het om de vraag of het naturalisatiebesluit waarop de verzoeker zich beroept en dat is verleend onder de werking van de RWN zoals deze vóór 1 april 2003 luidde, is verkregen met gebruikmaking van valse of fictieve persoonsgegevens en daarom rechtsgevolg mist.

2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 2.1 t/m 2.3 van de beschikking van de rechtbank).

(i) Verzoeker tot cassatie (hierna: verzoeker) is onder opgaaf van de personalia [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats] (Iran), in december 1992 Nederland binnengekomen. (ii) Onder deze personalia is aan verzoeker bij Koninklijk Besluit van 8 september 1998, nr. 98004378, het Nederlanderschap verleend.

(iii) Op 26 augustus 2004 heeft verzoeker de gemeente Rotterdam verzocht zijn naam te wijzigen in [naam]. Bij dat verzoek is door hem een origineel Iraans geboortebewijs overgelegd met de voornamen: [voornamen], en de achternaam: [achternaam], en met de geboortedatum: [geboortedatum] 1959.

(iv) De gemeente Rotterdam heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar de identiteit van verzoeker.

(v) Bij brief van 29 mei 2007 heeft de IND aan de raadsman van verzoeker bericht dat het Koninklijk Besluit van 8 september 1998 waarbij aan verzoeker het Nederlanderschap is verleend, rechtsgevolg mist aangezien daarin persoonsgegevens zijn opgenomen die verzoeker niet identificeren. De werkelijke namen van verzoeker luiden immers - aldus de IND - [naam] en zijn geboortedatum moet zijn [geboortedatum] 1959.

(vi) Verzoeker heeft tegen voormelde brief van 29 mei 2007 een bezwaarschrift ingediend. Bij beschikking van 18 juli 2007 is verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. Tegen die beschikking heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht. Het beroep is bij beslissing van 30 oktober 2008 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Bij beslissing van 8 juli 2009 heeft de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de beslissing van de rechtbank Rotterdam bevestigd.

3. Verzoeker heeft op 31 juli 2007 op de voet van art. 17 RWN bij de rechtbank 's-Gravenhage een verzoekschrift ingediend en daarbij de rechtbank verzocht vast te stellen dat hij in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

4. Thans verweerder in cassatie (hierna: de Staat) heeft bij brief van 7 december 2007 aan de rechtbank als zijn standpunt kenbaar gemaakt dat het verzoek niet kan worden toegewezen omdat verzoeker niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

5. Nadat de zaak pro forma was aangehouden in afwachting van de uitkomst van de hierboven onder 2.(vi) bedoelde bezwaarschriftprocedure, heeft een mondelinge behandeling van het verzoekschrift plaatsgevonden ter terechtzitting van de rechtbank van 14 januari 2010.

6. Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking van 25 februari 2010 het verzoek afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen.

7. De rechtbank heeft vooropgesteld dat ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad ten aanzien van naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór de wijziging van de RWN met ingang van 1 april 2003 geldt dat een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen de betrokkene - behoudens bijzondere omstandigheden - niet identificeert, en daarom geen rechtsgevolg heeft (r.o. 2.5). Ter beoordeling staat derhalve de vraag, aldus de rechtbank, of verzoeker het naturalisatiebesluit van 8 september 1998 heeft verkregen met gebruikmaking van valse of fictieve persoonsgegevens en, zo dat het geval is, of bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat verzoeker desondanks wel voldoende geïdentificeerd was (r.o. 2.6). Met betrekking tot deze vragen heeft de rechtbank overwogen (r.o. 2.7):

"De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat verzoeker de geslachtsnaam [naam verzoeker] bevoegdelijk mocht voeren. Ook in Iran stond verzoeker niet bekend onder de geslachtsnaam [naam verzoeker], zodat hij indertijd gebruik heeft gemaakt van valse of fictieve persoonsgegevens waardoor hij ten behoeve van een deugdelijk antecedentenonderzoek onvoldoende identificeerbaar was. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de in het Koninklijk Besluit van 8 september 1998 opgenomen personalia verzoeker voldoende identificeren. Het besluit mist derhalve ten aanzien van verzoeker rechtsgevolg."

8. Verzoeker is tegen de beschikking van de rechtbank op de voet van art. 18 lid 2 RWN (tijdig) in cassatie gekomen met twee middelen. De Staat heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de middelen bestreden en de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

9. Middel 1 bevat twee klachten, een primaire en een subsidiaire klacht.

10. De primaire klacht is een motiveringsklacht. De klacht houdt in dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom de argumenten die verzoeker in zijn verzoekschrift d.d. 31 juli 2007, aangevuld per brief d.d. 22 oktober 2009 en op de zitting van 16 januari 2010 nader toegelicht, heeft genoemd om te betogen dat hij nog steeds in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, niet steekhoudend zijn dan wel niet voldoende beargumenteerd zijn. De klacht heeft blijkens de toelichting daarop kennelijk het oog op het door verzoeker in de procedure voor de rechtbank ontwikkelde betoog dat in geval van bijzondere omstandigheden de door de Hoge Raad ontwikkelde leer niet gevolgd dient te worden vanwege de grote onzekerheid die dit in de praktijk met zich meebrengt.

11. De klacht faalt wegens gebrek aan belang. Het oordeel van de rechtbank dat naturalisatiebesluiten die zijn genomen vóór de wijziging van de RWN met ingang van 1 april 2003 en die zijn verkregen met gebruikmaking van valse of fictieve persoonsgegevens, behoudens bijzondere omstandigheden, rechtsgevolg missen, betreft een rechtsoordeel. Een zuiver juridische beslissing kan in cassatie niet met behulp van een motiveringsklacht worden bestreden. Vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), nr. 119, blz. 265.

12. Voor zover de klacht zó moet worden begrepen dat zij wil betogen dat het rechtsoordeel van de rechtbank weliswaar steun vindt in de jurisprudentie van de Hoge Raad, maar dat deze jurisprudentie in de praktijk tot grote onzekerheid leidt en dat daarom heroverweging behoeft, kan zij evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad heeft, ondanks de tegen zijn hier bedoelde uitspraken van 11 november 2005, NJ 2006, 149, en 30 juni 2006, NJ 2007, 551 nt. G.R. de Groot, Jurisprudentie Vreemdelingenrecht 2006, nr. 314 nt. H.U. Jessurun d'Oliveira. AA 2007, blz. 66 nt. L.J.A. Damen, geuite kritiek dat deze rechtspraak leidt tot rechtsongelijkheid en rechtsonzekerheid (zie bijv. M. Pelikaan, Identiteitsfraude bij naturalisatieprocedures, Migrantenrecht 2006, blz. 283-291, en G.R. de Groot, Identiteitsfraude en het Nederlanderschap van vóór 1 april 2003 genaturaliseerde personen, NJB 2007, blz. 74-80) geen aanleiding gezien om van zijn rechtspraak terug te komen. Zie de vier uitspraken van de Hoge Raad van 23 februari 2007, LJN: AZ5689, RvdW 2007, 232, LJN: AZ5446, RvdW 2007, 233, LJN: AZ5449, RvdW 2007, 235 en LJN: AZ5450, RvdW 2007, 236. Ook de wetgever heeft het niet wenselijk geacht de regelgeving aan te passen naar aanleiding van de uitspraken van de Hoge Raad (zie Kamerstukken II 2006/2007, 30 559, nr. 11), ook niet bij de recente wijziging van de RWN bij de Rijkswet van 17 juni 2010, Stb. 242 (31 813 (R1873)). Onder deze omstandigheden en in aanmerking genomen dat het middel berust op een argument dat de Hoge Raad eerder niet heeft kunnen bewegen om van zijn koers af te wijken, is er m.i. geen gegronde reden voor de Hoge Raad om thans alsnog van die leer terug te komen.

13. De subsidiaire klacht van middel 1 houdt in dat de rechtbank niet voldoende heeft gemotiveerd waarom de uitzonderingssituatie zoals door de Hoge Raad bedoeld (bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat betrokkene, hoewel het naturalisatiebesluit is verkregen met gebruikmaking van valse of fictieve persoonsgegevens, desondanks voldoende was geïdentificeerd), in casu niet van toepassing is.

14. Voor toepassing van de door de Hoge Raad bedoelde uitzonderingsregel is nodig dat, ondanks de onjuistheid van de verschafte persoonsgegevens, omtrent de ware identiteit van de aanvrager bij de instanties die de aanvraag moesten onderzoeken en beoordelen, een zodanige duidelijkheid heeft bestaan, dat niet gezegd kan worden dat de onjuistheid van de persoonsgegevens hun onderzoek en beoordeling belemmerd heeft (HR 30 juni 2006, NJ 2007, 551, r.o. 3.5). De rechtbank heeft geoordeeld dat van zodanige omstandigheden niet is gebleken (r.o. 2.7). Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde ook geen nadere motivering. Uit de gedingstukken blijkt immers niet (het middel noemt ook geen vindplaatsen) dat verzoeker een beroep heeft gedaan op zodanige omstandigheden. Daarbij verdient aantekening dat de door de klacht als uitgangspunt genomen omstandigheid dat verzoeker bevoegd was de geslachtsnaam [naam verzoeker] te voeren, geen steun vindt in de bestreden beschikking; de rechtbank heeft overwogen dat niet is gebleken dat verzoeker de geslachtsnaam [naam verzoeker] bevoegdelijk mocht voeren (r.o. 2.7). De klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ten aanzien van de opgegeven geboortedatum geen sprake is van een rekenfout, mist evenzeer feitelijke grondslag; de rechtbank heeft zich over de vraag of de opgegeven geboortedatum al dan niet op een rekenfout berustte, niet uitgelaten.

15. Middel 2 bevat als ik het goed zie drie klachten.

16. In de eerste plaats verwijt het middel de rechtbank niet te hebben gereageerd op de stelling van verzoeker dat hij inmiddels al ruim 16 jaar in Nederland verblijft.

17. Deze klacht kan wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Anders dan het middel kennelijk meent, is de omstandigheid dat verzoeker inmiddels reeds 16 jaar in Nederland verblijft, geen omstandigheid die rechtvaardigt om aan het destijds met gebruikmaking van onjuiste persoonsgegevens verkregen naturalisatiebesluit alsnog rechtsgevolg te verbinden. De bedoelde omstandigheid kan immers niet meebrengen dat betrokkene destijds, ondanks de onjuistheid van de verschafte persoonsgegevens, wel voldoende geïdentificeerd was.

18. Als tweede klacht voert het middel aan dat (de rechtbank heeft miskend dat) de vaststelling dat verzoeker nimmer het Nederlanderschap heeft verkregen, in strijd is met art. 8 EVRM.

19. De klacht ziet eraan voorbij dat aan art. 8 EVRM noch aan enige andere bepaling van dit verdrag het recht kan worden ontleend op de verkrijging van een bepaalde nationaliteit. Vgl. HR 1 februari 2008, NJ 2008, 82, r.o. 3.5. De klacht is derhalve ongegrond.

20. Ten slotte klaagt het middel erover dat de rechtbank door niet uit te gaan van de uitzonderingssituatie heeft gehandeld in strijd met art. 7 lid 1 van het Europees Verdrag inzake nationaliteit.

21. Ook deze klacht faalt. Art. 7 lid 1 van het Europees Verdrag inzake nationaliteit ziet op verlies van nationaliteit. In het onderhavige geval heeft verzoeker de Nederlandse nationaliteit niet verloren, maar nooit verkregen.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,