Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP0531

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-03-2011
Datum publicatie
25-03-2011
Zaaknummer
09/04093
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP0531
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verdeling nalatenschap. (81 RO)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/426
JWB 2011/166
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/04093

Mr. E.B. Rank-Berenschot

Zitting 7 januari 2011

CONCLUSIE inzake:

De erven van [betrokkene 1],

eisers tot cassatie,

adv. mr. R.Th.R.F. Carli,

tegen

[verweerder],

verweerder in cassatie,

niet verschenen.

Deze zaak betreft de verdeling van een nalatenschap. Zij leent zich voor een verkorte conclusie.

1. Op 6 september 1980 is [de erflater] (hierna: de erflater) overleden. Uit hoofde van zijn in 1970 verleden testament zijn tot zijn nalatenschap als gezamenlijke erfgenamen, ieder voor de helft, geroepen zijn pleegzoon [verweerder] (thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder]) en zijn huishoudster [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). Tot de nalatenschap behoort een door de erflater op 1 mei 1970 in eigendom verkregen woning (hierna: de woning). Sinds 1 mei 1970 hebben de erflater en [betrokkene 1] de woning bewoond. Voorheen bewoonde ieder van hen al (vanaf 1959 resp. 1958) een deel van de woning krachtens huur. Na het overlijden van de erflater heeft [betrokkene 1] de bewoning ononderbroken voortgezet. Zij heeft kamers van de woning verhuurd. [Verweerder] en [betrokkene 1] hebben laatstelijk in juni 1984 getracht tot scheiding en deling van de nalatenschap te geraken. Overeenstemming daarover is niet bereikt.

2. Bij inleidende dagvaarding van 2 augustus 2002 heeft [verweerder] [betrokkene 1] in rechte betrokken; hij heeft, na wijziging van eis, verschillende vorderingen ingesteld, strekkende tot en verband houdende met scheiding en deling van de nalatenschap. Na op 20 augustus 2003 een tussenvonnis te hebben gewezen, heeft de rechtbank Arnhem bij eindvonnis van 9 maart 2005 - onder meer, voor zover in cassatie nog van belang en onder de hierna vermelde nummering in het dictum - 3) voor recht verklaard dat [verweerder] gerechtigd is tot de helft van de waarde die moet worden toegekend aan de bewoning van de woning door [betrokkene 1], 4) welke waarde over de periode 1 oktober 1980 tot 1 januari 2004 wordt vastgesteld op € 96.446,96 en voor de periode nadien op € 500,- per maand, met indexering, 6) beide partijen veroordeeld hun medewerking te geven aan het doen opstellen van een akte van scheiding en deling van de nalatenschap met inachtneming van hetgeen in het vonnis is overwogen (onder meer inhoudende dat de woning aan [verweerder] zal worden toegescheiden tegen een bedrag van € 242.500, waarna [betrokkene 1] tot haar dood tegen een woonvergoeding aan [verweerder] in het huis mag blijven wonen en de huuropbrengst aan [verweerder] toekomt (rov. 5.1)), en 7) beide partijen veroordeeld hun medewerking te verlenen aan de overdracht van de volledige eigendom van de woning aan [verweerder], met dien verstande dat het [betrokkene 1] zal zijn toegestaan in de woning te blijven wonen en zolang zij er woont inkomsten te verwerven uit kamerverhuur zoals dat tot dan toe gebeurde.

3. Zowel [betrokkene 1] als [verweerder] heeft tegen deze vonnissen hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem. Beide procedures zijn gevoegd. Tijdens het hoger beroep, op 17 mei 2008, is [betrokkene 1] overleden; thans eisers tot cassatie (hierna: [eisers]) hebben het geding voortgezet. Na een tussenarrest van 13 maart 2007 heeft het hof bij eindarrest van 12 mei 2009 in beide beroepen het tussenvonnis van 20 augustus 2003 bekrachtigd. Wat betreft het eindvonnis heeft het hof - voor zover in cassatie relevant - de dicta onder 3) en 4) bekrachtigd, het dictum onder 6) gewijzigd in die zin dat wordt verwezen naar hetgeen in het arrest is overwogen (onder meer inhoudende dat de woning aan [verweerder] dient te worden toegedeeld tegen inbreng van € 260.000 (rov. 3.12)), en het dictum onder 7) gewijzigd in die zin partijen worden veroordeeld tot medewerking aan de overdracht van de volledige eigendom van de woning aan [verweerder].

4. De erven [betrokkene 1] zijn tijdig van de arresten van het hof in cassatie gekomen. [Verweerder] is in cassatie niet verschenen; tegen hem is verstek verleend. De erven van [betrokkene 1] hebben hun klachten nog schriftelijk doen toelichten.

5. Middel 1 heeft betrekking op rov. 3.4 van het eindarrest, waarin het hof heeft overwogen:

"De erven verzoeken het hof tevens 'afstand te nemen' van het in rechtsoverweging 4.28 gegeven oordeel dat [betrokkene 1] naar de eisen van redelijkheid en billijkheid alle eventueel door haar ontvangen huurpenningen dient door te betalen aan [verweerder], althans dat deze huurpenningen rechtstreeks aan [verweerder] dienen te worden voldaan. Op dit verzoek behoeft niet (langer) te worden beslist, omdat het ging om de vraag of [betrokkene 1] in de periode na de overdracht van de woning aan [verweerder] de door de overige bewoners verschuldigde huurpenningen mocht blijven ontvangen en zij voor de overdracht aan [verweerder] is overleden."

De klacht is gericht tegen de laatste volzin van de overweging en strekt ertoe dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek van de erven(1) om terug te komen op zijn beslissing in het tussenarrest (rov. 4.28) dat, kort gezegd, na de overdracht van de woning aan [verweerder] de eventuele huurpenningen aan deze dienen te worden afgedragen. Aangevoerd wordt dat ook voor [eisers] als rechtsopvolgers onder algemene titel van belang is wat er gedaan zou moeten worden met de huurpenningen. Op dit punt is het arrest niet volledig en dus niet toereikend gemotiveerd, aldus het midddel.

Het middel faalt. Het maakt niet duidelijk waarin de gestelde betrokkenheid van de erven bij de huurpenningen na overdracht van de woning aan [verweerder] bestaat en voldoet in zoverre niet aan de te stellen eisen (art. 407 lid 2 Rv). Voorts ziet het middel er aan voorbij dat het oordeel in rov. 4.28 van het tussenarrest omtrent de afgifte van huurpenningen direct verband houdt met (de hoogte van) de door [betrokkene 1] na overdracht van de woning aan [verweerder] ter zake van voortgezette bewoning verschuldigde vergoeding. Als gevolg van het overlijden van [betrokkene 1] zal na de overdracht geen sprake meer zijn van bewoning door [betrokkene 1] of haar rechtsopvolgers onder algemene titel - de erven worden in het eindarrest veroordeeld het niet verhuurde gedeelte van het pand te onruimen - noch van een daarvoor verschuldigde (en met huurpenningen aan te vullen) vergoeding. Voor zover de klacht mocht berusten op de gedachte dat de erven na de overdracht van de woning aan [verweerder] moeten worden aangemerkt als verhuurder, stuit zij af op de omstandigheid dat die overdracht tot gevolg heeft dat de verhuurderspositie overgaat op [verweerder] (art. 7:226 BW).

6. Middel 2 bevat een motiveringsklacht tegen 's hofs oordeel (eindarrest rov. 3.9, eerste volzin) dat het op grond van de in de voorgaande overwegingen 3.6 tot en met 3.8 genoemde omstandigheden niet langer aanleiding ziet om slechts een deel van het genoten gebruik van de woning voor vergoeding aan [verweerder] in aanmerking te laten komen. Het bestreden oordeel houdt verband met 's hofs eerdere oordeel (tussenarrest rov. 4.19) dat het voorshands in de omstandigheid dat [betrokkene 1] onbestreden had aangevoerd dat zij na juni 1984 tot de inleidende dagvaarding van 2 augustus 2002 niet van [verweerder] had vernomen en tevens dat hij niet eerder dan in het kader van de onderhavige procedure aanspraak had gemaakt op de helft van de waarde die aan het gebruik van de woning moet worden toegekend, aanleiding zag om wat betreft de periode tot 2 augustus 2002 slechts een deel van het genoten gebruik van de woning voor vergoeding aan [verweerder] in aanmerking te laten komen. Het hof heeft vervolgens in het eindarrest in aanmerking genomen:

"3.6 Ter gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep is door [verweerder] nader aangevoerd dat hij ook na juni 1984 zich meermalen tot [betrokkene 1] heeft gewend met het verzoek om rekening en verantwoording. Namens de erven is erkend dat er in de bewuste periode regelmatig contact tussen partijen is geweest."

Ten betoge dat 's hofs oordeel in de eerste volzin van rov. 3.9 onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is, voert de klacht aan dat de erkenning dat er regelmatig contact is geweest(2) niet kan worden gelijkgesteld met een erkenning dat [verweerder] bij gelegenheid van die contacten om rekening en verantwoording heeft verzocht.

De klacht faalt bij gemis aan feitelijke grondslag. Uit het arrest blijkt niet dat het hof zijn beslissing (uitsluitend) heeft gebaseerd op de erkenning dat [verweerder] om rekening en verantwoording heeft verzocht. Het hof heeft, naast het feit dat er in de bewuste periode regelmatig contact is geweest, tevens een aantal in rov. 3.7 en 3.8 vermelde omstandigheden in zijn bestreden oordeel betrokken. Dit oordeel is aldus niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.

7. Middel 3 heeft betrekking op eerdergenoemde rov. 3.9, voor zover het hof daarin overweegt:

"(...). Door [betrokkene 1] is (...) nog aangevoerd dat een woonvergoeding van € 500,- per maand niet kan worden gegrond op het rapport van de deskundige Pieters, nu de door deze genoemde huuropbrengst van € 2000,- per maand eerst geldt als het pand voldoet aan de huidige wettelijke en wooneisen. Het hof ziet hierin echter geen aanleiding uit te gaan van een lager bedrag. Het hof is met [verweerder] (zoals door hem aangegeven in zijn conclusie na deskundigenbericht van 21 juli 2004) van oordeel dat de omstandigheid dat het pand niet aan de eisen van de tijd voldoet voor rekening van [betrokkene 1] dient te komen, nu zij wel over de gehele periode huurontvangsten heeft genoten, maar heeft nagelaten daarvan de nodige investeringen te doen. Ook overigens is de op € 500,- begrote woonvergoeding onvoldoende gemotiveerd betwist.(...)."

De klacht berust op de lezing dat het hof [betrokkene 1] volledig verantwoordelijk oordeelt voor het achterstallig onderhoud en houdt in dat dit oordeel zonder nadere toelichting niet begrijpelijk is in het licht van het feit dat de woning in de gemeenschap van nalatenschap valt, hetgeen volgens de klacht een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid meebrengt. Daardoor is 's hofs oordeel dat [betrokkene 1] een vergoeding moet betalen die redelijk is in een situatie zonder achterstallig onderhoud niet deugdelijk gemotiveerd, aldus de klacht.

Ook deze klacht faalt bij gemis aan feitelijke grondslag. Het hof geeft geen oordeel over de vraag op wie van de deelgenoten in hun onderlinge verhouding de verantwoordelijkheid voor c.q. de draagplicht terzake van het onderhoud van de woning rust, maar geeft slechts aan dat in de door het hof aangegeven omstandigheden het feit dat het pand niet aan de eisen van de tijd voldoet in die zin voor rekening van [betrokkene 1] komt, dat zij een (mogelijk) hogere woonvergoeding dient te betalen dan met de staat van het pand correspondeert.

8. Middel 4 is gericht tegen de overweging (eindarrest rov. 3.12) dat de woning aan [verweerder] dient te worden "toegedeeld tegen inbreng van een bedrag van € 260.000." Geklaagd wordt dat onduidelijk is of [verweerder] als tegenprestatie voor de hem toegescheiden woning een bedrag van € 260.000,- aan [eisers] moet betalen, of dat hij dit bedrag moet 'inbrengen', waarna iedere deelgenoot een bedrag van € 130.000 zal ontvangen. Mede in de context van de verdeling laat de overweging geen andere uitleg toe dan dat [verweerder] het bedrag - dat ziet op de volledige waarde van de woning - moet inbrengen in de boedel. De klacht faalt derhalve.

9. Er zijn geen middelen gericht tegen het tussenarrest. Nu de in de middelen aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, strekt de conclusie tot verwerping van het gehele cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Zie akte na interlocutoir arrest d.d. 19 februari 2008, sub 3.

2 Deze erkenning valt in de gedingstukken niet terug te vinden.