Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP0324

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
08-03-2011
Zaaknummer
09/02461
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP0324
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Ontoereikende verwerping beroep op noodweer(exces). In aanmerking genomen dat het door en namens verdachte aangevoerde erop neerkomt dat nadat verdachte en zijn broer ter plaatse waren gekomen een noodweersituatie is ontstaan, is ’s Hofs verwerping van het beroep op de grond dat op het moment van aankomst van de verdachte en zijn broer geen sprake was van een noodweersituatie ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/374
NJB 2011, 692
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/02461

Mr. Vellinga

Zitting: 4 januari 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, wegens "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd in te gaan op het verweer van de verdediging dat er nadat verdachte ter plekke kwam opnieuw een noodweersituatie is ontstaan.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt - voor zover hier van belang - in:

"Verdachte verklaart desgevraagd - zakelijk weergegeven -:

(...)

In een tijd van acht minuten is het gebeurd. De eerste twee à drie minuten heb ik niets gezegd. Mijn broer [betrokkene 1] voerde rustig het woord en wilde het uitpraten. [Slachtoffer 1] was ondertussen aan het schelden. Hij riep: "vieze buitenlanders, oprotten naar je eigen land", terwijl ik een Nederlands paspoort heb. Ik voelde me heel...ik weet het niet. Ik kan het niet uitleggen. Ik was boos. De man schold ons van top tot teen uit, maar wij bleven rustig. Ik kende [slachtoffer 1] niet of misschien toch wel van het voetbalveld. Niet [slachtoffer 1], maar de andere dikke man, naar ik nu weet [slachtoffer 2], heeft [betrokkene 1] de eerste klap gegeven. Dat heeft [slachtoffer 2] ook toegegeven. Daarna sloeg [slachtoffer 2] mij. Mijn petje is daarbij van mijn hoofd gevallen. Ik heb niet gezien dat mijn broertje in elkaar werd geslagen.

Ik heb niemand geslagen, ook [slachtoffer 1] niet. Wel heb ik geduwd en getrokken om mensen uit elkaar te halen. Ik weet niet hoe [slachtoffer 1] aan een bloedneus kwam. Hij was dronken. Mogelijk is hij gevallen. Die bloedneus kan verschillende oorzaken hebben. De dochter en de vrouw van [slachtoffer 1] bevonden zich buiten bij de voordeur op een afstand van drie à vier meter van ons. Op een gegeven moment zag ik die vrouw mijn broer een klap geven en krabben. Ik trok mijn broer toen weg. Ik heb hem weggeduwd en gezegd niet te reageren, omdat het een vrouw was. Die vrouw heb ik niet aangeraakt.

Toen [betrokkene 1] [slachtoffer 2] een trap gaf, was dat omdat [slachtoffer 2] mij vast had aan mijn broekspijpen. Ik kon niet weg. [Slachtoffer 2] trok aan mij. Ik weet niet 100% zeker meer waardoor hij op de grond viel. Wij zijn weggerend op het moment dat [slachtoffer 1] schreeuwde: "Pak mijn mes!". Als [betrokkene 1] en ik er niet waren geweest, dan was mijn broertje misschien wel doodgestoken.

(...)

Nadat het onderzoek ter terechtzitting is hervat, voeren de verdachte en de raadsvrouw het woord tot verdediging, waarbij de raadsvrouw onder meer aanvoert - zakelijk weergegeven -:

(...)

Vaststaat dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] die avond om 20.45 uur zijn thuisgebracht. Om 20.47 uur is de politie gebeld, die om 20.54 uur ter plaatse was. [Slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben met de jongens gesproken. Mijn cliënt is later gebeld en ter plaatse gegaan. Vanaf dat moment lopen de verklaringen uiteen. De verschillen kunnen worden verklaard door het korte tijdsbestek waarin het incident heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft niet iedereen alles kunnen zien. Een aantal zaken is wel duidelijk. Mijn cliënt hoorde dat er met een knuppel werd geslagen. Vervolgens is hij er met zijn broer [betrokkene 1] naartoe gegaan. [Betrokkene 1] heeft aan [slachtoffer 1] gevraagd wat er aan de hand was. [Betrokkene 1] werd vervolgens onheus bejegend door [slachtoffer 1]. [Slachtoffer 2] was daarbij en stond in vechthouding. [Betrokkene 2] en [betrokkene 3] hebben allebei gehoord dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] het hardst schreeuwden. Volgens zijn echtgenote gedroeg [slachtoffer 1] zich agressief. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] waren flink dronken. Vervolgens is er een discussie ontstaan tussen [betrokkene 1] en [slachtoffer 1]. [Betrokkene 1] werd geduwd en heeft [slachtoffer 1] van zich afgeduwd. [Slachtoffer 2] is er bij komen staan. Bij de vechtpartij waren twee mannen, twee vrouwen en twee jongens betrokken. Onduidelijk is of anderen zich ermee hebben bemoeid of dat zij er enkel bij stonden. Mijn cliënt wilde zich verweren. Dat heeft hij ook gedaan. Hij zag zich aangevallen. Hij werd uitgescholden en was bang. Mijn cliënt wist voor zijn komst niet welke situatie hij zou aantreffen. [slachtoffer 2] lag op een gegeven moment op de grond. De vraag is of [slachtoffer 2] is geduwd of gestruikeld. [Betrokkene 1] verklaart dat [slachtoffer 2] op de grond lag en dat zij wilden dat hij daar bleef liggen. De noodsituatie duurde voort. Er werd geroepen: "Haal een pistool. Haal een mes." [Betrokkene 4] heeft een mes in de handen van [slachtoffer 1] gezien. [Betrokkene 3] heeft gezien dat een vrouw een mes in haar handen had. Er was sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor mijn cliënt. Aanvankelijk was mijn cliënt rustig. De toon van het gesprek was agressief. Daarna is bij cliënt de hevige gemoedsbeweging ontstaan."

5. Het Hof heeft met betrekking tot een beroep op noodweer(exces) overwogen:

"Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte behoort te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hij heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zich enkel wilde verweren. Door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is een hevige gemoedsbeweging bij verdachte ontstaan, waardoor verdachte geen controle meer had over zijn handelen, aldus de verdediging.

Het hof verwerpt het beroep op noodweer en overweegt daartoe als volgt. Na telefonisch bericht dat familie van verdachte betrokken zou zijn bij een ruzie, zijn verdachte en zijn broer ter plaatse gegaan. Naar eigen zeggen van verdachte was de ruzie op het moment van hun aankomst al gesust, hetgeen ook de broer van verdachte heeft verklaard. Derhalve was op dat moment geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een dreigend gevaar daarvoor en dus ook geen sprake van een noodweersituatie. Ook het beroep op noodweerexces als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt verworpen, nu uit het voorgaande blijkt dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie.

Verdachte is strafbaar, aangezien overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn."

6. Door het beroep op noodweer(exces) te verwerpen door louter te overwegen dat de ruzie al was gesust toen verdachte en zijn medeverdachte ter plaatse kwamen heeft het Hof het beroep op noodweer(exces) op ontoereikende gronden verworpen. Het verweer houdt immers in dat nadien, door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van verdachte en zijn medeverdachte, een noodweersituatie is ontstaan. De omstandigheid dat de ruzie was gesust toen verdachte en zijn medeverdachte ter plaatse kwamen sluit dat niet uit.

7. Het middel slaagt.

8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG