Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP0265

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-01-2011
Datum publicatie
11-01-2011
Zaaknummer
08/03366
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP0265
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verwerping beroep op noodweerexces. De HR stelt voorop dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat een beroep op noodweerexces mogelijk is in gevallen waarin de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding niet direct van het slachtoffer zelf uitging, bijv. in situaties waarin het slachtoffer wel een aandeel had in de aanranding of de dreiging daarvan of sprake was van andere gedragingen van het slachtoffer waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die ertoe hebben geleid dat de aangevallene - handelende in een hevige gemoedsbeweging - zich op het slachtoffer richtte. ’s Hofs oordeel dat verdachte geen beroep op noodweer en dientengevolge ook geen beroep op noodweerexces toekomt, is gelet op deze vooropstelling onjuist, noch onbegrijpelijk. De HR neemt daarbij in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat niet is gebleken “dat er sprake is geweest van geweld van de kant van het slachtoffer richting de verdachte”, en dat het verweer niet inhoudt dat en in welk opzicht het slachtoffer anderszins was betrokken bij het beweerdelijke door X jegens verdachte uitgeoefende geweld, terwijl dat verweer ook niets behelst waaruit zou kunnen volgen dat van de zijde van het slachtoffer sprake is geweest van “andere gedragingen” als hiervoor bedoeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/147
NJ 2011/339 met annotatie van Y. Buruma
NJB 2011, 251
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 08/03366

Mr. Vellinga

Zitting: 31 augustus 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's Gravenhage bij arrest van 8 juli 2008 wegens mishandeling veroordeeld tot een geldboete van € 500,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 10 dagen, voorwaardelijk. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.

2. Namens verdachte heeft mr. J.J.A.P van Breukelen, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel richt zich tegen de verwerping van het beroep op noodweerexces.

4. Het Hof heeft het beroep op noodweerexces als volgt samengevat en verworpen:

"Namens de verdachte is een beroep gedaan op noodweerexces. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte ten gevolge van de klap van [betrokkene 1] in een hevige gemoedsbeweging is geraakt en daardoor ook geweld heeft uitgeoefend op [slachtoffer].

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Noch uit de verklaringen afgelegd bij de politie, noch uit het verhandelde ter terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt dat er sprake is geweest van geweld van de kant van [slachtoffer] richting de verdachte. Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is vereist dat er een noodweersituatie is ontstaan door een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding vanuit het slachtoffer in de richting van verdachte. Nu dit in casu niet is gebleken, dient derhalve het beroep op noodweerexces te worden verworpen."

5. Het middel stelt de vraag aan de orde of iemand ook een beroep op noodweerexces toekomt als deze heeft gehandeld in een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk is, maar zich daarbij niet richt tegen degene wiens ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding tot verdediging noopte, maar tegen een derde.

6. Art. 41 lid 2 Sr spreekt van overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Wie zich in noodweerexces niet richt tot de aanvaller maar tot een derde zal in zijn algemeenheid niet optreden ter verdediging(1) en voor wat betreft zijn optreden tegen die derde dus niet een beroep op noodweerexces toekomen.

7. Voor het Duitse strafrecht ligt dit niet anders. Kühl(2) schrijft daarover:

"Die Uberschreitung der "Angreifergrenze" (der sog. räumlich-extensive Notwehrexzes)

Verletzt der gegenwärtig, rechtswidrig angegriffene Täter nicht oder nicht nur den Angreifer, sondern auch einen Dritten, so ist diese Verletzung eines Unbeteiligten nicht durch Notwehr gerechtfertigt, weil § 32 11 - wenn auch nicht deutlich genug - nur das Angreifer-Verteidiger-Verhältnis regelt. Diese beschränkte Rechtfertigungskraft ( = keine ,,drittwirkende Notwehr") des § 32 schlägt auf den freilich noch undeutlicher formulierten §33 mit der Folge durch, dass auch die aus den dort genannten Affekten heraus begangene Tat nicht entschuldigt ist. Ausnahmen bei der Verletzung der einem Dritten gehörenden Angriffsmittel und bei der Verletzung von Allgemeinheitsrechtsgütern (z.B. Verstoß gegen das Waffengesetz) sind hier ebenso wenig wie bei § 32 (...) begründbar."

8. Ik zou niet willen uitsluiten dat bijzondere omstandigheden het voorgaande anders kunnen maken. Denkbaar is dat de derde de aanvaller in zijn aanval zo steunt dat doeltreffende verdediging tegen de aanval ook verdediging tegen de derde betekent.(3) In dit verband is van belang dat de pleitnota, die ter terechtzitting in hoger beroep is voorgedragen(4), inhoudt:

"2.9 Dit alles brengt de verdediging tot het oordeel dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. Cliënte had zich mogen verdedigen tegen de aanval van [betrokkene 1]. Het slaan van [betrokkene 1] is cliënte echter niet ten laste gelegd, het gaat om het geweld jegens [slachtoffer].

2.10 Gelet op de lange geschiedenis die is voorafgegaan aan dit incident en ook gelet op de gebeurtenissen direct voorafgaand aan het fysieke geweld, is het naar het oordeel van de verdediging aannemelijk dat cliënte door de klap van [betrokkene 1] dermate radeloos en emotioneel is geworden dat zij zich heeft proberen te verdedigen, maar daarin te ver is gegaan en haar woede en emoties niet meer heeft kunnen inhouden, ook niet jegens [slachtoffer].

2.11 Cliënte heeft bij de politie verklaard dat ze uit woede in haar broek heeft geplast. Dit soort details zijn typerend voor het bestaan van een hevige gemoedsbeweging. Er zijn derhalve sterke aanwijzingen dat cliënte ten gevolge van de klap van [betrokkene 1] in een 'hevige gemoedsbeweging' is geraakt en ten gevolge daarvan ook geweld heeft uitgeoefend op [slachtoffer].(...)

2.12 De conclusie is dat cliënte een beroep toekomt op noodweerexces en dient te worden ontslagen van rechtsvervolging."

Een beroep op bijzondere omstandigheden in vorenbedoelde zin ligt hierin niet besloten.

9. Het middel faalt.

10. Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Verdachte heeft op 15 juli 2008 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sedertdien meer dan twee jaren zijn verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden.

11. Nu aan de verdachte evenwel een geheel voorwaardelijke straf is opgelegd, kan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden, worden volstaan.

12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, art. 41, aant. 7 (suppl. 142. juni 2008): "Handelingen die zich niet tegen de aanranding keren vallen niet onder art. 41 Sr." Voorts Spendel in Strafgesetzbuch, Leipziger Kommentar z. B. Tröndle LK 10. Aufl. § 32 Rdn. 206-208 en § 33, Rdn. 16-23 en 44. Zie ook A.J. M. Machielse, Noodweer in het strafrecht, diss. Amsterdam 1986, p. 632 e.v. die gevallen bespreekt waarin deze regel zijns inziens tot onaanvaardbare resultaten leidt, bijvoorbeeld wanneer de aangerande ter verdediging gebruikt maakt van een voorwerp van een derde.

2 Kristian Kühl, Strafrecht Allgemeiner Teil, Verlag Franz Vahlen München 2008, p. 379.

3 Zie voor dergelijke gevallen Machielse, a.w., p. 634.

4 Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2008, p. 3.