Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP0190

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-03-2011
Datum publicatie
22-03-2011
Zaaknummer
09/03943 E
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2009:BJ3841
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP0190
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Flora- en faunawet. Art. 126g en 126m Sv. Het middel klaagt in navolging van het gevoerde verweer dat stropen geen misdrijf is waarbij kan worden gesproken van een ernstige inbreuk op de rechtsorde als bedoeld in de artikelen 126g en 126m Sv zodat niet voldaan is aan de vereisten voor het aanwenden van de in die artikelen bedoelde bijzondere opsporingsbevoegdheden. Die klacht berust evenwel op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak, zodat het middel faalt. Het Hof heeft aan zijn oordeel dat sprake was van een ernstige inbreuk op de rechtsorde immers niet alleen ten grondslag gelegd dat de verdachte werd verdacht van overtreding van (onder meer) art. 13 Flora- en faunawet, maar tevens dat het een en ander in georganiseerd verband geschiedde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/443
NJB 2011, 813
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/03943 E

Mr. Jörg

Zitting 21 december 2010

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 7 juli 2009 verzoeker wegens stropen in georganiseerd verband, preciezer gezegd: "1. Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 9 Flora- en faunawet, opzettelijk begaan", "2. Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13, eerste lid, Flora- en faunawet, opzettelijk begaan" en "3. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Voorts heeft het hof vier postzakken met bloed, een jutezak met vier hazen, vijf honden en een personenauto verbeurd verklaard, de onttrekking aan het verkeer gelast van een personenauto en de teruggave gelast van een aantal in beslag genomen voorwerpen, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens verzoeker heeft mr. P.C. Saris, advocaat te Eindhoven twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof het verweer van de verdediging dat de strafbare feiten geen feiten betreffen die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren zodat de bevelen tot de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden ten onrechte zijn afgegeven, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

4. Het hof heeft ten laste van verzoeker bewezen verklaard dat:

"1.

hij in de periode van 1 juni 2006 tot en met 6 december 2007, in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een of meer haas/hazen en/of konijn(en), heeft gevangen en/of gedood, althans met het oog daarop opgespoord.

2.

hij in de periode van 30 november 2007 tot en met 6 december 2007, te Helmond, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een dier behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten een haas of een konijn, en producten van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te weten dode hazen onder zich heeft gehad.

3.

hij in de periode van 1 juni 2006 en met 6 december 2007 te Helmond, in elk geval in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen, bestaande uit hem, verdachte en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk doden, verwonden, vangen en/of bemachtigen, althans met het oog daarop opsporen van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort (artikel 9 van de Flora- en faunawet) en

- het opzettelijk onder zich hebben van dieren en/of producten van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort (artikel 13 van de Flora- en faunawet)."

5. Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in de strafvervolging. Daartoe is gesteld dat de door de officier van Justitie afgegeven bevelen tot het uitoefenen van bijzondere opsporingsbevoegdheden niet hadden mogen worden afgegeven omdat niet aannemelijk is dat de verdenking van overtreding van de onderhavige feiten naar hun aard of samenhang een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Aldus is volgens de verdediging op zeer grove wijze gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en/of hebben zich zeer ernstige, onherstelbare, vormverzuimen voorgedaan.

6. Het hof heeft naar aanleiding van dit verweer het volgende overwogen:

"(...)

A2

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Het hof stelt vast dat uit het BOB-dossier blijkt dat in de strafzaak tegen verdachte door de officier van justitie op een aantal tijdstippen bevelen tot de inzet van dwangmiddelen, o.a. bevelen observatie, bevelen opnemen telecommunicatie, zijn afgegeven. Het eerste bevel in de onderhavige strafzaak tegen verdachte dateert van 29 augustus 2005.

A3

Het proces-verbaal aanvraag van dit bevel ex artikel 126g Sv (stelselmatige observatie) d.d. 26 augustus 2005 bevat de navolgende informatie:

Aanleiding

Nadat de drie hoofdverdachten uit onderzoek Bambi II, agressieve wildstroperij ([verdachte] (het hof begrijpt: verdachte), [betrokkene 5] en [betrokkene 1] (het hof begrijpt: medeverdachte [betrokkene 1])) waren veroordeeld en het vonnis onherroepelijk was geworden (het hof begrijpt uit het justitiële documentatieregister betreffende verdachte: het vonnis van de economische kamer van de Rechtbank 's-Hertogenbosch d.d. 27 april 2005) kwam er vanaf 8 april 2005 informatie binnen dat deze groep in georganiseerd verband weer actief was met wildstroperij in de politieregio Brabant-Zuid-Oost en Limburg-Noord. Zij maakten daarbij, zoals ook bij eerder onderzoek werd vastgesteld, met name gebruik van personenauto's van het merk Volkswagen, type Golf. Men maakte wederom gebruik van snelle auto's, lange honden en mogelijk vuurwapens.

Uit onderzoek is gebleken dat de drie hoofdverdachten vrijwel direct na hun veroordeling hun activiteiten weer hebben opgepakt blijkens waarnemingen en meldingen van politieambtenaren, jachtopzichter[s] en bewoners buitengebied.

Recente informatie:

- 8 april 2005, 02.15 uur: Beemd te Bakel. Surveillerende collega's zagen een VW Golf, kenteken [AA-00-BB], tegemoet komen. [verdachte] was bestuurder en inzittenden waren [betrokkene 1] en vermoedelijk [betrokkene 6] (verdachte in één zaak uit onderzoek Bambi II).

- 12 mei 2005, 20.15 uur: Keizersberg te Elsendorp. Een boerin zag () inzittenden van een personenauto VW Golf, donker van kleur, twee lange honden achter een haas aansturen. Eén auto met drie inzittenden had het kenteken [AA-00-BB]. Hetzelfde tafereel herhaalde zich verderop.

- 30 mei 2005, 21.00 uur: Broekdijk te Asten. Twee jachtopzichters stonden in het veld te praten met een boer. Er naderden twee VW-Golfjes Bij het schijnbaar zien van de boa's, stopten, keerden en reden ze met hoge snelheid weg. In iedere auto zaten twee inzittenden en in één van de auto's waren twee lange honden. De kentekens [CC-00-DD] en [AA-00-BB] werden opgenomen.

- 1 juni 2005, 21.45 uur: Trinesweg te Meijel. Een jager zag drie auto's, waarvan de inzittenden lange honden achter hazen aanstuurden. Een collega van LNO kreeg in privé-tijd een van de h[o]nden die achter een ha[a]s aanzat tegen zijn auto. Men sprak over drie auto['s] van het merk VW-Golf, donker van kleur, met o.a. kenteken [EE-00-FF].

- 12 juni 2005, 20.15 uur: Vissersweg/Doolegger-baan te Someren. Een jachthouder meldde dat er met lange honden werd gestroopt door de inzittende van een VW-Golf. De inzittenden reden een weiland op en stuurden een lange hond achter een haas aan. De jachthouder noteerde het kenteken [CC-00-DD]. Dit is waarschijnlijk fout en kan mogelijk [CC-00-DD] zijn.

- 16 juni 2005, 21.38 uur: Veldweg te Asten. Een postende collega (i.v.m. stroperij) zag een personenauto, merk VW-Golf, donker van kleur, kenteken [CC-00-DD] met lage snelheid langs weilanden rijden. Rijdend met geopend raam, tuurden minstens drie inzittende weilanden af, kennelijk om wild op te sporen.

- 13 juli 2005, 05.00 uur: Pannenhoef te Heusden. Een boer werd gewekt door lawaai en ging kijken. Hij zag twee donkerkleurige VW-Golf[s] staan met daarbij vier mannen. Op dat moment zag hij lange honden achter een haas jagen. De mannen zeiden dat ze een hond kwijt waren. De man voelde zich bedreigd. Hij werd bang en ging naar binnen.

- 18 juli 2005, 21.00 uur: Pijlstaartweg te Asten. Een boer zag vanuit zijn woning dat een donkerkleurige VW-Golf een weiland opreed.

Het kenteken [AA-00-BB] stond op naam van [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte), [a-straat 1] te Helmond. Dit werd op 14-01-2005 op naam gezet en op 06-06-2005 op naam van [betrokkene 7], [b-straat 1] te Heesch (gebroeders [achternaam betrokkene 7] waren ook subject in Bambi II tapgesprekken/deelnemer).

Het kenteken [CC-00-DD] stond op naam van [betrokkene 8] e.v. [betrokkene 1], [c-straat 1] te Helmond (het hof begrijpt: echtgenote van medeverdachte [betrokkene 1]). Het kenteken werd op 17-01-2005 op naam gezet.

Bij bevraging op 31 augustus 2005 hebben [verdachte] en [betrokkene 1] de navolgende kentekens op naam staan:

[verdachte]: [GG-00-HH] VW Golf en [II-00-JJ] VW Golf TDI;

[betrokkene 1]: [KK-00-LL], VW Golf VR6

Het is bekend dat deze verdachte ten behoeve van het stropen gebruik maken van voertuigen van het merk Volkswagen, type Golf.

Historische gegevens:

(...)

2. ClE-informatie nummer 23-081507. Via informant blijkt dat [verdachte] deel uitmaakt van een groep stropers die meerdere keren per week op pad gaan en diverse wildsoorten schieten. Men maakt gebruik van verschillende wapens en geprepareerde auto's om te stropen.

(...)

4. Gegevens hks. - [verdachte] komt in de periode 1974 tot en met 2005 voor in de politieadministratie op het gebied van Flora- en faunawet (...) en ter zake vuurwapenwetgeving.

- [betrokkene 1] komt in 2005 in de politieadministratie eenmaal voor ter zake van Flora- en faunawet.

5. Onderzoek Bambi II. Medio september 2004 werd een strafrechtelijk onderzoek opgestart gericht op een groepering personen, waarvan genoemde personen deel uitmaakten en die zich vermoedelijk schuldig maakten aan agressieve stroperijen. Uit onderzoek bleek dat genoemde verdachten vrijwel dagelijks contact hadden om afspraken te maken wanneer en met wie men het veld in ging op strooptocht. Er bleken ook andere personen betrokken te zijn bij de strooptochten. Uit de onderzoeksgegevens bleek dat men meerdere keren per week in wisselende samenstelling op strooptocht ging met lange honden en/of vuurwapens. Op 13 december werden de drie hoofdverdachten, [verdachte], [betrokkene 5] en [betrokkene 1] buiten heterdaad aangehouden. Bij zoekingen volgde inbeslagname van 7 lange honden, 4 stroopauto's, 2 buksen, wild, zendapparatuur enzovoorts.

A4

Vorenstaande feiten en omstandigheden geven naar het oordeel van het hof voldoende grond voor de verdenking dat verdachte zich vanaf april 2005 () (wederom) schuldig zou maken aan overtreding van onder meer artikel 13 van de Flora- en faunawet. Verdachte was blijkens een uittreksel uit het justitiële documentatieregister al eerder ter zake van dergelijke feiten veroordeeld en thans waren er wederom voldoende aanwijzingen aanwezig dat hij zich frequent in de nachtelijke uren, in georganiseerd verband, onder andere met [betrokkene 1], die eveneens eerder is veroordeeld ter zake [van] overtreding van de Flora- en faunawet, zou bezighouden met het opzettelijk doden, verwonden, vangen en/of bemachtigen, althans met het oog daarop opsporen van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort (hierna: stropen) van hazen, konijnen etc. met behulp van lange honden en snelle auto's.

Tegen deze achtergrond is verdachte terecht aangemerkt als verdachte van overtreding van onder meer artikel 13 van de Flora- en faunawet, een feit dat -mits opzettelijk begaan- een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv oplevert.

A5

Ingevolge artikel 126g, tweede lid, en artikel 126m, eerste en vijfde lid, Sv is in dit verband ook relevant of dit misdrijf, als omschreven in artikel 67, eerste lid, gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. In de parlementaire geschiedenis wordt ter zake van het begrip 'ernstige inbreuk op de rechtsorde', de navolgende toelichting gegeven:

"Het vereiste dat misdrijven worden beraamd of gepleegd als omschreven in artikel 67, eerste lid, die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, is ook onderdeel van de voorwaarden voor de infiltratie, de telefoontap en het opnemen van communicatie, in het kader van de traditionele opsporing, geregeld in titel IVa. De woorden "aard van het misdrijf" duiden niet slechts op de delictsomschrijving in de wet, maar tevens op de ernst van de feiten en omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd of wordt beraamd. De concrete feiten en omstandigheden dienen meegewogen te worden bij de beoordeling of sprake is van een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Het kan gaan om misdrijven als moord, handel in drugs, mensenhandel, omvangrijke milieudelicten, wapenhandel maar ook ernstige financiële misdrijven, zoals omvangrijke ernstige fraude, bijvoorbeeld een BTW-carrousel. Dergelijke misdrijven schokken de rechtsorde ernstig door hun gewelddadige karakter of door hun omvang en gevolgen voor de samenleving" (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 403, nr. 3, p. 24-25).

A6

Op grond van eerdergenoemde feiten en omstandigheden levert, naar het oordeel van het hof, de verdenking dat verdachte zich wederom in georganiseerd verband schuldig zou maken aan overtreding van onder meer artikel 13 van de Flora- en faunawet, een 'ernstige inbreuk op de rechtsorde', als bedoeld in de artikelen 126g en 126m Sv op. In zoverre faalt het verweer van de verdediging.

A7a

(Volgt de verwerping door het hof van de toepasselijkheid van een door de verdediging opgevoerd precedent van hetzelfde hof, LJN BI8561, NJ.)

A8

Voor alle overige bevelen, afgegeven in een later stadium/onderzoeksperiode van het voorbereidend onderzoek tegen verdachte, geldt dat het hof heeft geconstateerd dat aan ieder van die afgegeven bevelen een proces-verbaal ten grondslag ligt. Die processen-verbaal bevatten telkens (aanvullende) informatie die ieder voor zich, in onderlinge samenhang bezien met de eerdere informatie die uit het onderzoek was voortgevloeid, voldoende grond vormen voor de verdenking van - ondermeer - artikel 9 respectievelijk 13 van de Flora- en faunawet tegen verdachte, zodat die bevelen ook konden worden afgegeven.

A9

Het hof overweegt tegen de achtergrond van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voorts dat het belang van het in stand houden van beschermde diersoorten alsmede het voorkomen respectievelijk beëindigen van dierenleed dat door deze wijze van stroperij (waaronder de mogelijkheid van verscheurd wild door de jacht met lange honden) kan worden veroorzaakt, de inzet van dwangmiddelen zoals stelselmatige observatie, het opnemen van telecommunicatie en het vorderen van verstrekken van verkeersgegevens van telecommunicatie rechtvaardigt.

A10

Van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen verdachte, of van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, is derhalve geen sprake.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het verweer in al zijn onderdelen wordt verworpen.

B

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, is het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging."

7. In de onderhavige zaak gaat het om de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheden van de stelselmatige observatie op een besloten plaats als bedoeld in artikel 126g, tweede lid, Sv respectievelijk het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel als bedoeld in artikel 126m, eerste en vijfde lid, Sv. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het wettelijk systeem van toedeling van de hier bedoelde bevoegdheden van (wat ik kortheidshalve noem:) het observatiebevel en het telecommunicatiebevel inhoudt dat die bevoegdheid aan de officier van Justitie is verleend. Ten aanzien van het telecommunicatiebevel dient de rechter-commissaris tevoren een schriftelijke machtiging te hebben verstrekt. Het staat aldus in eerste instantie ter beoordeling van de officier van Justitie of voldaan wordt aan de in deze artikelen gestelde vereisten. Ten aanzien van het telecommunicatiebevel dient de rechter-commissaris vervolgens bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt, te toetsen of aan bovenstaande wettelijke voorwaarden is voldaan. Aan de zittingsrechter ten slotte staat de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid ter beoordeling. Daarbij geldt dat als de rechter-commissaris tevoren een machtiging heeft moeten verstrekken bij deze vraag naar de rechtmatigheid de redelijkheid van zijn oordeel omtrent het verlenen van die machtiging ter toetse komt.(1)

8. Het hof heeft bij de beoordeling van het verweer omtrent de rechtmatigheid van de toegepaste bijzondere opsporingsbevoegdheden de juiste maatstaf aangelegd: blijkens de hiervoor weergegeven overwegingen is het hof van oordeel dat gelet op de feiten en omstandigheden zoals vervat in het proces-verbaal van aanvraag d.d. 25 oktober 2007 er een verdenking ter zake van een misdrijf als bedoeld in art 126g Sv bestond - overtreding van art. 13 Flora- en faunawet - ten tijde van de aanvraag voor en bevel tot inzet van de stelselmatige observatie en dat ten aanzien van de overige bevelen - waaronder die op de voet van art. 126m Sv - daar telkens processen-verbaal aan ten grondslag liggen die voortbouwen op het eerdergenoemde proces-verbaal. De verdenking dat verzoeker zich in georganiseerd verband schuldig zou maken aan overtreding van onder meer artikel 13 van grond van de in het proces-verbaal neergelegde feiten en omstandigheden - onder meer dat verzoeker eerder ter zake van wildstroperij is veroordeeld en dat er opnieuw voldoende aanwijzingen bestonden dat verzoeker zich in de nachtelijke uren in georganiseerd verband met dergelijke zaken zou bezighouden (onder meer een proces-verbaal van de CIE en verschillende vastgelegde waarnemingen waaruit afgeleid kan worden dat verzoeker onder andere met medeverdachte [betrokkene 5] die eveneens antecedenten heeft voor dergelijke feiten in de nachtelijke uren op pad ging met lange honden) - een ernstige inbreuk op de rechtsorde op.

9. Aan het citaat uit de Memorie van toelichting bij de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Stb. 1999, 245), zoals het hof dit in zijn arrest heeft weergegeven (zie boven, 6 onder A5), kan nog het volgende stuk worden toegevoegd:

"Ook minder ernstige misdrijven kunnen een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, doordat zij in combinatie met andere misdrijven worden gepleegd, bijvoorbeeld valsheid in geschrifte in combinatie met omkoping van ambtenaren met het oog op verkrijging van vergunningen voor bedrijven, of kleine fraudes waarvan, gelet op de aard, kan worden vermoed dat deze deel uitmaken van een omvangrijke en ernstige vorm van fraude. Het dient te gaan om samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven (...) dan wel om samenhang met andere misdrijven die in het georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd (...)."

10. Naast de door de wetgever opgesomde voorbeelden van delicten geldt dat ook de omvang van een misdrijf en gevolgen voor de samenleving een ernstige inbreuk op de rechtsorde kunnen opleveren.(2) Gelet op de memorie van toelichting bij de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden kunnen ook omvangrijke milieudelicten een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Wildstroperij kan - afhankelijk van de omvang ervan - evenals het geval is bij (andere) milieudelicten, de ecologische leefomgeving aantasten of bedreigen. De Flora- en faunawet regelt de bescherming en instandhouding van in het wild levende planten- en diersoorten, ingegeven door overwegingen van natuurbescherming. Daarbij staat instandhouding van de soort voorop door, weliswaar met het oogmerk van instandhouding van de soort, aanslagen op dieren, zoals het vangen of doden, te voorkomen. Handelingen, zoals het jagen of het verhandelen van dieren, zijn slechts toelaatbaar indien daardoor de instandhouding en de ontwikkeling van de soort niet wordt aangetast. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van zodanige handelingen spelen in dat verband bijvoorbeeld de opbouw in leeftijdsklassen, de geslachtsverhouding bij dieren en de verspreiding van de populaties een rol. De handeling zal de duurzaamheid van de populatie of het ecosysteem waarvan het planten- of diersoort deel uitmaakt, niet mogen aantasten. Dit is tevens het uitgangspunt voor het verlenen van vrijstellingen en ontheffingen.(3) Wildstroperij kan aldus - zeker wanneer het gaat om stroperij op grote schaal - milieuschade opleveren doordat de wildstand en daarmee het ecosysteem waar het wild deel van uitmaakt wordt verstoord en kan in zoverre, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, evenals andere milieudelicten een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Of de wetgever op dit milieuonderdeel standvastig zal blijven is iets waar momenteel alleen nog maar over kan worden gespeculeerd.

11. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd heeft het hof kunnen oordelen dat, gelet op de feiten en omstandigheden neergelegd in het door het hof geciteerde proces-verbaal aanvraag bevel ex artikel 126g Sv, voldoende grond bestond voor een verdenking dat verzoeker zich opnieuw schuldig zou maken aan overtreding van onder meer art. 13 van de Flora- en faunawet. Uit het proces-verbaal van aanvraag volgt immers dat verzoeker eerder is veroordeeld wegens wildstroperij (blijkens het justitiële documentatieregister onder meer wegens overtreding van art. 13 Flora- en faunawet) en uit verschillende informatiebronnen volgt dat verzoeker weer regelmatig in georganiseerd verband op strooptocht ging: blijkens Van Dale (14e) betekent wildstropen "onbevoegd op iemands anders grond jagen, wilddieverij plegen" en jagen (met betrekking tot wild) wordt omschreven als "(wilde dieren) vervolgen om het buit te maken en te doden". Dit impliceert verwerven en dus onder zich hebben zoals bedoeld in art. 13 Flora- en faunawet. Op overtreding van artikel 13 Flora- en faunawet staat, mits opzettelijk begaan, maximaal zes jaar gevangenisstraf hetgeen een in artikel 67, eerste lid, Sv bedoeld misdrijf oplevert. Daarnaast is ten laste van verzoeker deelname aan een criminele organisatie bewezen verklaard, hetgeen eveneens een straf van maximaal zes jaar oplevert en zodoende eveneens als misdrijf onder artikel 67, eerste lid valt, alsmede overtreding van artikel 9 Flora- en faunawet (maximaal twee jaar gevangenisstraf). Kennelijk heeft het hof aldus de samenhang met deze andere door verzoeker begane misdrijven in het oordeel dat sprake is van een ernstige inbreuk op de rechtsorde betrokken.

12. Daarbij heeft het hof kennelijk ook de feiten en omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan in dat oordeel betrokken. Uit het door het hof weergegeven proces-verbaal van aanvraag van het bevel ex artikel 126g Sv, alsmede uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat verzoeker en zijn mededaders in georganiseerd verband illegaal, met behulp van geprepareerde auto's (met een zodanige houder voor kentekenplaten dat deze snel en zonder gereedschap kunnen worden verwisseld; aparte schakelaars voor de achterlichten en voor de remlichten, zie de bewijsmiddelen 35-38), lichtbakken en lange honden (hazewindhonden), systematisch op konijnen, hazen en reeën hebben gejaagd. Verzoeker en zijn mededaders reden naar velden, alwaar zij met een lamp over de velden schenen totdat wild in het licht kwam, waarna een of meer honden werden losgelaten om het wild te vangen. De jacht op wild door middel van lange honden kenmerkt zich door de wrede wijze waarop het er aan toe gaat: de dieren die door de honden worden gevangen worden soms letterlijk aan flarden gescheurd. Daarbij komt de regelmaat waarmee dergelijke strooppartijen gedurende langere tijd plaatsvonden.

13. Gelet op het voorgaande, al dan niet in onderlinge samenhang bezien, getuigt de invulling van het hof van het begrip 'ernstige inbreuk op de rechtsorde' in de zin van de artikelen 126g, tweede lid, en 126m Sv niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het oordeel dat de toepassing van de bevoegdheden rechtmatig is geweest ook niet onbegrijpelijk. Aldus was het hof niet gehouden de verwerping van het verweer nader te motiveren.

14. Het tweede middel klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer van de verdediging dat er geen grond voor toepassing van art. 126k Sv bestond en aldus op onrechtmatige wijze een besloten plaats is betreden en opgenomen, nu de grondslag daartoe ontbreekt.

15. Het middel mist feitelijke grondslag nu het hof onder overweging A8 heeft overwogen dat voor alle overige afgegeven bevelen - waaronder aldus ook het bevel ex 126k Sv - geldt dat aan elk van die afgegeven bevelen een proces-verbaal ten grondslag ligt welke telkens (aanvullende) informatie bevatten die elk voor zich, in onderlinge samenhang bezien met de eerdere informatie uit het onderzoek, voldoende grond opleveren voor de verdenking van onder meer art. 13 en 9 Flora- en faunawet, en daarmee voldoen aan de voor afgifte van het bevel gestelde eisen.

16. De voorgestelde middelen falen. Het tweede middel kan met de aan art. 81 RO ontleende overweging worden afgedaan. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Vgl. HR 11 oktober 2005, LJN AT4351, NJ 2006, 625 en HR 21 november 2006, LJN AY9673, NJ 2007, 233, HR 30 maart 2010, LJN BL2828, NJ 2010, 201.

2 Vgl. HR 24 maart 2009, LJN BG4831; HR 30 juni 2009, LJN BI2153; HR 30 maart 2010, LJN BL2828, NJ 2010, 201.

3 MvT, Tweede Kamer 1992-1993, 23147, nr. 3, p. 11-12 en 21-24.