Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BP0071

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2011
Datum publicatie
15-02-2011
Zaaknummer
09/02115
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BP0071
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/02115

Mr Jörg

Zitting 21 december 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 25 mei 2009 verzoeker wegens het uit winstbejag zeven vreemdelingen behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van wederrechtelijk verblijf, overtreding van de bouwverordening van de gemeente 's-Gravenhage en oplichting (feiten 2, 3 en 5 primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een geldboete van € 1.000,-, subsidiair twintig dagen hechtenis.

2. Namens verzoeker heeft mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het verzoek om getuigen te horen heeft afgewezen.

4. De raadsman van verzoeker heeft bij appelschriftuur van 8 april 2008 aan de advocaat-generaal bij het hof verzocht om onder meer een elftal personen (te weten [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10] en [getuige 11]) als getuige op te roepen. Ter onderbouwing houdt de appelmemorie het volgende in:

"[Verdachte] kan zich niet verenigen met de veroordelingen onder 2, 3 en 5. Met betrekking tot de veroordeling onder 2 betwist hij dat hij alleen dan wel in vereniging kennis had van het wederrechtelijk verblijf van de in de bewezenverklaring genoemde personen. Uitdrukkelijk wordt verzocht die personen in hoger beroep als getuigen te horen. Het gaat om [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4].

Ook met betrekking tot feit 3 ontkent hij hetgeen ten laste gelegd en bewezen verklaard is en wel dat hij aan meer dan 4 personen het woonverblijf heeft verschaft, immers heeft hij nimmer geweten dat de personen aan wie hij verhuurd had dit weer aan anderen in gebruik he[bben] gegeven. Verzocht wordt derhalve om deze 4 personen ook in hoger beroep als getuigen op te roepen. Het betreft [getuige 8], [getuige 9], [getuige 10] en [getuige 11]."

5. Bij brief van 28 april 2009 heeft de advocaat-generaal in antwoord daarop aan de raadsman medegedeeld dat alle door de raadsman verzochte personen niet als getuige zullen worden opgeroepen. De advocaat-generaal heeft bij zijn brief een aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 22 april 2009 gevoegd.

6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2009 heeft de raadsman zijn verzoek tot het horen van de in zijn appelschriftuur opgegeven getuigen herhaald. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de raadsman het volgende aangevoerd (zie blz. 7-8 van het proces-verbaal):

"Ik acht het zinvol, in het kader van de waarheidsvinding, dat de volgende personen ter terechtzitting, dan wel bij de rechter-commissaris, worden gehoord.

In verband met de tegenstrijdigheden zoals deze uit hun verklaringen blijken, wil ik [getuige 1] en [getuige 2] horen. Het verzoek tot het horen van [getuige 3], hun kind, trek ik in.

De Indonesische werknemers ([getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7]) zouden zich tegenwoordig wellicht in Saoedi-Arabië ophouden. Het openbaar ministerie moet daar achter kunnen komen. Ik acht het wenselijk hen te horen omtrent de totstandkoming van de contracten.

[Getuige 8] volgt een opleiding aan het conservatorium in Den Haag, dus zij moet te lokaliseren zijn. Voorts acht ik het wenselijk om [getuige 12] te bevragen omtrent de verklaring die [getuige 8] heeft afgelegd en het precieze aantal personen dat in het pand woonde. Ook zijn verblijfplaats moet te achterhalen zijn door het openbaar ministerie.

(...)

Op de vraag van de oudste raadsheer op welk punt de verklaringen van de Indonesische werknemers omtrent de totstandkoming van contracten van belang zouden kunnen zijn voor enige te dezen te nemen beslissing, antwoordt de raadsman als volgt:

Het gezin heeft verklaard dat de verdachte niet heeft gevraagd naar hun paspoorten, maar ik wil voornoemden graag vragen 1) vanaf wanneer zij illegaal in Nederland verbleven, 2) of zij op eigen titel hier verbleven en 3) of ze vaak () in het pand aan de [a-straat] sliepen of ook in Amsterdam.

(...)

7. Met betrekking tot het genoemde verzoek heeft de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 mei 2009 desgevraagd het volgende standpunt ingenomen:

"Ik blijf bij mijn afwijzing van het verzoek, als nader verwoord in mijn brief d.d. 28 april 2009.

Met betrekking tot [getuige 3] en [getuige 2]: zij hebben zelf verklaard dat zij in het bedoelde pand woonden en dat zij € 150,- huur betaalden aan de verdachte, zodat er geen belang is om dezen (opnieuw) te horen.

Voorts ben ik wat betreft de Indonesische werknemers primair van mening dat, nu zij allen uit Nederland zijn vertrokken/Nederland zijn uitgezet en bovendien geen huidige woon- of verblijfplaats bekend is, niet is te voorzien dat dezen binnen een redelijke termijn ter terechtzitting gehoord kunnen worden. Met de enkele mededeling van de raadsman dat zij zich tegenwoordig misschien in Saudi-Arabië ophouden, zijn er wat mij betreft onvoldoende aanknopingspunten voor een onderzoek naar hun verblijfplaats. Voorts is in het [des]betreffende proces-verbaal gerelateerd, dat zij illegaal - dus zonder de juiste papieren - in Nederland verbleven".

8. Wat betreft de beslissing van het hof op het verzoek van de raadsman houdt het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 mei 2009 het volgende in:

"De voorzitter onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede, dat het hof het verzoek tot het horen van de getuigen afwijst, nu 1) van een groot aantal van deze getuigen de woon- of verblijfplaats niet bekend is, zodat het niet aannemelijk is dat deze getuigen op afzienbare termijn ter terechtzitting kunnen worden gehoord en 2) - gelet op hetgeen ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd - het verzoek onvoldoende concreet is onderbouwd en ook overigens naar 's hofs oordeel redelijkerwijs is uitgesloten dat het horen van deze getuigen van belang is voor enige te dezen te nemen beslissing. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte niet in enig belang wordt geschaad door het niet horen van de verzochte getuigen."

9. Voor de beoordeling van het middel is van belang dat het middel blijkens de toelichting klaagt over de afwijzing van het verzoek van de raadsman tot het horen van de "werklieden" ([getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7]) en de "onderhuurders" ([getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3](1)) als getuige. Ik leid hieruit af dat het middel kennelijk niet bedoelt te klagen over de afwijzing van het verzoek om [getuige 8] en [getuige 12] als getuige te horen. Voorts leid ik uit de mededeling van de raadsman van verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep van 11 mei 2009 inhoudende dat hij het verzoek tot het horen van [getuige 3] wil intrekken af dat de klacht zich niet uitstrekt tot deze getuige (p. 7 proces-verbaal).

10. In een geval waarin de appelschriftuur als bedoeld in art. 410, eerst lid, Sv, een opgave van een of meer getuigen of deskundigen bevat als bedoeld in art. 410, derde lid, Sv, dient de rechter, gelet op art. 418, eerste lid, de in art. 288, eerste lid sub c, Sv voorziene maatstaf (het zogeheten verdedigingsbelang) te hanteren.

11. Uit de hiervoor onder 8 weergegeven overweging blijkt dat het hof heeft overwogen dat de verdachte niet in enig belang wordt geschaad door het niet horen van de verzochte getuigen. Het hof heeft derhalve de juiste maatstaf (art. 288, lid 1 onder c, Sv) toegepast. Ter onderbouwing heeft het hof overwogen dat (1) van een groot aantal van deze getuigen de woon- of verblijfplaats niet bekend is, zodat het niet aannemelijk is dat deze getuigen op afzienbare termijn ter terechtzitting kunnen worden gehoord en (2) het verzoek onvoldoende concreet is onderbouwd en ook overigens naar 's hofs oordeel redelijkerwijs is uitgesloten dat het horen van deze getuigen van belang is voor enige te dezen te nemen beslissing. Gelet op hetgeen blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 mei 2009 is opgemerkt omtrent de woon- of verblijfplaats van de verzochte getuigen(2) en in aanmerking genomen dat de raadsman zijn verzoek ter terechtzitting in hoger beroep nauwelijks heeft onderbouwd,(3) heeft het hof het verzoek kunnen afwijzen met de motivering die het hof daaraan ten grondslag heeft gelegd.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede, derde en vierde middel klagen over het onder 2 bewezenverklaarde. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaarde periode niet uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt. Het derde en het vierde middel klagen dat het hof ten onrechte het voorwaardelijk opzet op het illegaal verblijf van de "werklieden" (middel 3) en de "onderhuurders" (middel 4) heeft bewezen verklaard terwijl terzake uitdrukkelijk verweer is gevoerd dat verzoeker dit niet kon weten. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

14. Ten laste van verzoeker heeft het hof onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 april 2005 tot en met 19 december 2005 te 's-Gravenhage, anderen, te weten [getuige 1] en [getuige 2] en [getuige 3] en [getuige 4] en [getuige 5] en [getuige 6] en [getuige 7] (die wederrechtelijk in Nederland verbleven) uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij, verdachte telkens ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft hij, verdachte,

- aan die [getuige 1] en [getuige 2] en [getuige 3] een kamer verhuurd (gelegen aan het adres [a-straat 1/2] te 's-Gravenhage) en/of

- aan die [getuige 4] en [getuige 5] en [getuige 6] en [getuige 7] een of meer kamer(s) (gelegen aan het adres [a-straat 1/2] te 's-Gravenhage) ter beschikking gesteld, terwijl die [getuige 4] en [getuige 5] en [getuige 6] en [getuige 7] in het pand gelegen aan dat adres (ten behoeve van verdachte) (verbouwings)werkzaamheden uitvoerden."

15. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotities heeft de raadsman van verzoeker aldaar het volgende aangevoerd:

"feit 2

Met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 2 wil ik de volgende opmerkingen maken.

In deze tenlastelegging word[t] [verdachte] kortweg verweten dat hij samen met een ander of alleen uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verschaffen van verblijf, terwijl hij wist of moest vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was. Hierbij wordt in het bijzonder de verboden gedraging gemotiveerd met het enkele feit dat hij enerzijds woonruimte heeft verhuurd aan een aantal met name genoemde personen waaronder [getuige 3] en diens gezin en anderzijds aan werkmensen uit Indonesië ter beschikking heeft gesteld.

M.b.t. de werknemers:

In de woning was een ruimte waar men kon uitrusten tijdens de werkzaamheden. Er is in het geheel geen sprake geweest van overnachting dan wel verblijf, welke aan te merken zou kunnen zijn als het bewonen van de woning.

In de betreffende periode was [verdachte] grotendeels afwezig wegens verblijf elders. De betreffende personen hebben zelfstandig een woning in Amsterdam gehad en wel aan de [b-straat 1], welke verhuurd werd door ene [betrokkene 1].

[Verdachte] heeft nimmer vóór 26 januari 2006 weet gehad van de verblijfsrechtelijke aspecten van deze mensen. Voor zover hem bekend zijn zij op geldige visa en dergelijke het land binnen gekomen. De personen zijn op 25 januari 2007 in de huurwoning in Amsterdam door de politie in Amsterdam aangehouden. Die aanhouding zou onrechtmatig zijn, om welke reden door advocaat Gahar van justitie een vergoeding heeft(?) ontvangen van € 100,- per persoon in verband met deze onrechtmatige aanhouding ten behoeve van deze personen.

Op 27 april 2007 zijn de personen uit eigen vrije wil en met eigen financiële middelen via Schiphol naar Indonesië teruggekeerd, dus niet uitgezet! Overigens zegt deze uitreis niets over hun verblijfsstatus ten tijde van de periode van de tenlastelegging. Het PV pagina 77 evenmin nu slechts vermeld is "illegaal". Het PV dateert van ver ná de tenlastelegging, te weten 26 september 2006.

Geen winstbejag. Ze waren al betaald in Indonesië.

M.b.t. de huurders:

[Verdachte] ontkent niet dat hij bemiddeld heeft bij de verhuur door [betrokkene 2] aan deze mensen. Echter heeft hij gebruik gemaakt van het officiële standaardmodel huurcontract van het Ministerie van VROM, hetwelk hij heeft gedownload via Internet.

De naam [getuige 3] is [verdachte] echter onbekend. Wel heeft hij kennis gehad van de familie [A], die zich heeft voorgesteld als de familie van huurder [getuige 9]. Zij zouden daar tijdelijk logeren bij [getuige 9], hun schoonouder. In dit verband moet gesteld worden dat het voor [verdachte] onmogelijk is om permanent toezicht te houden op de daadwerkelijke samenstelling van de bewoners aan de [a-straat 1/2]. Het gaat een verhuurder immers niet (aan?) wie hoe lang welke familieleden op bezoek heeft in verband met welke reden dan ook. Bezoek door derden of kortstondige overnachtingen kunnen immers door een verhuurder niet verboden worden. Het is voor [verdachte] onmogelijk geweest om de onderhuur door [getuige 9] aan [A] aan te tonen omdat [getuige 9] de onderhuur altijd heeft ontkend. In de standaard huurovereenkomst is overigens elke vorm van onderhuur uitdrukkelijk verboden.

[Verdachte] heeft nooit naar de paspoorten gevraagd omdat dit voor het sluiten van een huurovereenkomst niet relevant is. Zowel [getuige 3] en [getuige 2] bevestigen dit (PV 33 en 37). Ook stellen zij niet te weten of [verdachte] wist dat zij illegaal waren. Of [betrokkene 2] wel op enig moment de paspoorten heeft gezien, is verder niet met [verdachte] besproken. Temeer nu het standaard huurcontract van het Ministerie van VROM geen specifieke ruimte heeft voor het vermelden van een legitimatiebewijs en dergelijke, heeft [verdachte] hier voor de rest nooit bij stil gestaan.

Hij heeft te goeder trouw de betreffende huurovereenkomsten gesloten. Let wel, aan een viertal huurders te weten; [getuige 8], achterkamer 2e etage, [getuige 9], zijkamer 2e etage en voorkamer 1e etage, [getuige 10], achterkamer 2e etage en [getuige 12], zolder 3e etage. Uiteindelijk zijn 4 bewoners geselecteerd en zijn daarvan het contract definitief getekend.

Hij moet vrijgesproken worden omdat nergens vastgesteld kan worden dat hij wist of moest weten dat het verblijf van genoemde personen illegaal was."

16. Het hof heeft blijkens het bestreden arrest in dit verband onder meer het volgende overwogen:

"Gevoerde verweren

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 2 en 5 (primair en subsidiair) tenlastegelegde. Ter zake van feit 2 heeft de raadsman daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de verdachte (vóór 26 januari 2006) nimmer wist noch ernstige redenen had te vermoeden dat de in die tenlastelegging genoemde personen illegaal in Nederland verbleven.

(...)

Met betrekking tot feit 2 overweegt het hof als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen, en ook uit de verklaring(en) van de verdachte omtrent de naar 's hofs oordeel daaruit sprekende onaannemelijke gang van zaken wat betreft de verhuur/het ter beschikking stellen van (een) kamer(s) aan de bedoelde personen alsmede de tegenstrijdigheden in de verklaringen van de verdachte terzake, leidt het hof af dat de verdachte (minstgenomen) ernstige redenen had om te vermoeden dat hun verblijf in Nederland wederrechtelijk was. De verdachte wist dat hij (een) kamer(s) verhuurde dan wel ter beschikking stelde aan personen met de Indonesische nationaliteit. Van hem had dan ook mogen worden verwacht dat hij informatie zou hebben ingewonnen over de vraag of deze personen in Nederland een verblijfsvergunning nodig hadden en zo ja of zij daarover beschikten. Door dit na te laten heeft de verdachte willens en wetens het aanmerkelijke risico op de koop toe genomen dat zij niet over een verblijfsvergunning beschikten".

17. Uit de bewijsmiddelen volgt dat:

- verzoeker vanaf april/mei 2005 kamers verhuurde in het pand aan de [a-straat 2]. Na twee maanden waren alle kamers verhuurd. Verzoeker heeft zelf de huurcontracten opgesteld en afgesloten (bewijsmiddelen 1 en 2);

- in het kader van de verbouwing van een pand aan de [a-straat 2] heeft verzoeker vier personen ([getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7]) uit Indonesië naar Nederland laten overkomen om aan dat pand te werken. Verzoeker heeft deze vier mannen van Schiphol opgehaald en naar het pand gebracht. Deze vier mannen konden in de twee panden aan de [a-straat] (nummer [1] en [2]) slapen. Zij werden niet voor hun werkzaamheden betaald. Verzoeker heeft deze personen nooit naar hun legitimatie of verblijfsstatus gevraagd. Evenmin is een huurcontract door hen getekend (bewijsmiddelen 1 en 2).

- Verzoeker is altijd betrokken geweest bij de selectie van de huurders en het afspreken. Ook werd verzoeker regelmatig gebeld door de huurders om te bemiddelen (bewijsmiddel 2).

- Op 6 december 2005 heeft de Regiopolitie Haaglanden een onderzoek uitgevoerd in de woning aan de [a-straat 1/2]. In één ruimte werden vier manspersonen ([getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7]) aangetroffen die allen een illegale verblijfsstatus hadden (bewijsmiddel 6).

- Op 19 december 2005 heeft het team Opsporing van de Vreemdelingenpolitie een controle uitgevoerd in de woning [a-straat 2]. Tijdens deze controle werden onder meer drie personen ([getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]) aangetroffen. Uit onderzoek is gebleken dat deze personen illegaal in Nederland verblijven (bewijsmiddel 5).

- Voornoemde drie personen hebben van oktober 2005 tot en met januari 2006 een kamer gehuurd aan de [a-straat 2]. Zij hadden een huurcontract getekend. Verzoeker heeft hun identiteitsdocumenten niet gezien en wist niet dat zij illegaal in Nederland verbleven (bewijsmiddel 2). De huurders betaalden de huur altijd aan verzoeker (bewijsmiddel 7).

18. Uit de gebezigde bewijsmiddelen, zoals hiervoor uiteengezet, heeft het hof mijns inziens in voldoende mate de bewezenverklaarde periode kunnen afleiden. Immers uit de bewijsmiddelen blijkt dat verzoeker vanaf april/mei 2005 kamers heeft verhuurd in het pand aan de [a-straat 1/2], dat op 6 december 2005 vier "Indonesische werknemers" in het pand zijn aangetroffen die illegaal in Nederland verbleven en voorts dat bij onderzoek op 19 december 2005 een gezin van drie personen is aangetroffen dat eveneens illegaal in Nederland verbleef. Dat voornoemde onderzoeken zijn gerelateerd in processen-verbaal opgemaakt op 20 januari 2006 respectievelijk 26 september 2006 maakt niet dat de bewezenverklaarde periode niet uit de bewijsmiddelen volgt. Hoewel niet met zoveel woorden in de tot bewijs gebezigde p-v's staat vermeld dat het onderzoek betrekking had op de (periode waarin de) dag (valt) waarop de desbetreffende personen zijn aangetroffen, brengt een aannemelijke lezing van die p-v's mee dat het (mogelijk later) verrichte onderzoek betrekking had op de desbetreffende (eerdere) (periode/) dag. Anders dan het middel stelt behoeven uit de gebezigde bewijsmiddelen niet de exacte data van illegaal verblijf in Nederland te volgen. Voor de bewezenverklaarde periode is voldoende dát uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de personen in ieder geval in die periode illegaal in Nederland verbleven en dat is in casu het geval. In feitelijke aanleg is overigens niet het verweer gevoerd dat de aangetroffen personen voor een deel van de tenlastegelegde periode legaal in Nederland verbleven.

19. Het tweede middel faalt.

20. In het derde en het vierde middel wordt gesteld dat het hof voorwaardelijk opzet bewezen heeft verklaard. Inderdaad geeft de hierboven, onder 16 geciteerde, bewijsoverweging van het hof ("willens en wetens het aanmerkelijke risico op de koop toe genomen") aanleiding voor het misverstand dat het hof de doleuze variant van art. 197a, tweede lid, bewezen zou hebben verklaard. Dat is echter niet het geval: doorgehaald is "wist(en) of", en bewezenverklaard is: "ernstige redenen had te vermoeden." Hiermee spoort de door het hof gegeven kwalificatie: "... terwijl hij ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was". De middelen berusten derhalve op een onjuiste lezing van het arrest en richten zich dus niet tegen de bewezenverklaarde culpa. Of deze uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid vergt geen ambtshalve beslissing van de Raad.(4)

21. De middelen 3 en 4 falen.

22. Het vijfde middel richt zich tegen het onder 5 bewezenverklaarde en behelst de klacht dat het hof ten onrechte de periode tot en met 19 oktober 2006 heeft bewezen verklaard terwijl op 19 oktober 2006 geen sprake is geweest van een voltooid delict.

23. Ten laste van verzoeker heeft het hof onder 5 bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 07 juni 2006 tot en met 19 oktober 2006 te 's-Gravenhage (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid, Apotheek [B] (filiaal [c-straat 1]) heeft bewogen tot de afgifte van diverse hoeveelheden medicijnen, hebbende verdachte toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk - zich (telkens) uitgegeven voor iemand die werkzaam was bij [C], waardoor Apotheek [B] (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte."

24. Het middel berust op het bekende misverstand dat bij een bewezenverklaarde periode zowel op de eerste als de laatste dag en op alle tussenliggende dagen van die periode de aan een verdachte verweten gedraging(en) moet(en) zijn verricht. Voldoende is echter dat die gedraging(en) in de bewezenverklaarde periode heeft/hebben plaatsgehad. Uit de bewijsmiddelen 9-15 volgt een en ander. Dat verzoeker op de laatste dag van de bewezenverklaarde periode niet geslaagd is in zijn opzet staat dus niet in de weg aan de bewezenverklaring van de tenlastegelegde periode.

25. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 In de schriftuur is deze aangeduid als "[getuige 3]". Ik ga ervan uit dat de steller van het middel doelt op [getuige 3].

2 Ik wijs op hetgeen de advocaat-generaal ter terechtzitting heeft aangevoerd, inhoudende - kort gezegd - dat de Indonesische werknemers uit Nederland zijn vertrokken/Nederland zijn uitgezet en geen huidige woon- of verblijfplaats bekend is, en dat de indicatie van de raadsman waar de getuigen zouden wonen ("zij zouden zich tegenwoordig wellicht in Saoedi-Arabië ophouden") erg vaag is.

3 Hij heeft aangevoerd de "onderhuurders" [getuige 1] en [getuige 2] te willen horen in verband met de tegenstrijdigheden in hun verklaringen en de "werklieden" ([getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7]) omtrent de totstandkoming van "de contracten". Gevraagd naar de relevantie hiervan heeft de raadsman hierop ten aanzien van de werknemers geen antwoord gegeven.

4 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e, p. 90-91.