Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO9862

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
09/02519
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO9862
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Noodweer(exces). 's Hofs overweging laat in het ongewisse of het Hof de f&o die de raadsman aan het verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden acht, dan wel naar het 's hofs oordeel die f&o een beroep op noodweer en/of noodweerexces niet rechtvaardigen. Het verweer is dus onvoldoende gemotiveerd verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/274
NJB 2011, 472

Conclusie

Nr. 09/02519

Mr. Hofstee

Zitting: 14 december 2010

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is bij arrest van 18 juni 2009 door het gerechtshof te 's-Gravenhage schuldig bevonden aan "mishandeling", doch met toepassing van artikel 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd.

2. Namens verzoeker heeft mr. A. Ester, advocaat te Zwijndrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het hof het beroep op noodweer(exces) ten onrechte heeft verworpen, zulks op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, althans is de motivering van het arrest op dit punt onvoldoende geweest.

4. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raads-man van verzoeker blijkens de bij het proces-verbaal gevoegde pleitnota aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

"Voorgeschiedenis

3. Vanuit de verklaringen van alle betrokkenen is voldoende duidelijk dat er tot aan 14 februari 2008 al enkele malen onenigheid tussen [verdachte] en zijn echtgenote en de buren was geweest omtrent het feit dat de hond van de buren meerdere malen zijn behoefte deed in de tuin van [verdachte].

4. Nadat daaromtrent over en weer al eens onvriendelijke woorden waren gewisseld leidde dit op de ochtend van 14 februari tot een woordenwisseling tussen [verdachte] en de uiteindelijke aangever waarin die aangever zich al zeer onheus en bedreigend opstelde. In de verklaring die [slachtoffer] als verdachte van bedreiging op 9 april 2008 aflegde gaf hij ook toe dat hij rond het middaguur al woorden had gehad met [verdachte] en toen ook had gezegd dat hij, zoals hij het noemde, schijt had aan [verdachte]. Een dergelijke terminologie geeft wel aan dat het inderdaad geen vriendelijk gesprek was geweest.

5. In die context van emoties moet ook het voorval die middag worden bezien. Immers nadat er een woordenwisseling was tussen [verdachte] en de buurvrouw heeft [slachtoffer] zelf het initiatief genomen om naar de woning van [verdachte] te gaan. Zoals kan blijken zowel uit de verklaringen van [verdachte] als zijn echtgenote en dochter kwam [slachtoffer] al zeer agressief op hem afgerend onder het uiten van ook de nodige bedreigende woorden.

6. De verklaringen van [verdachte] en zijn echtgenote zijn duidelijk als het gaat om het feit dat [slachtoffer] de eerste agressieve handeling pleegde door met zijn borst [verdachte] omver te duwen, althans dit te proberen, en daarna nog een duw uit te delen.

7. Zoals dit zo vaak geschiedt in burenruzies begint [slachtoffer] het verhaal zelf pas op het moment dat er als reactie op zijn handelen door de echtgenote van [verdachte] een duw terug gegeven wordt. Wat dat betreft is de aangifte van [slachtoffer] in de onderhavige zaak ook allerminst overtuigend, immers hij legt niet uit waarom [verdachte] en zijn vrouw, die beiden al hun hele leven een blanco strafblad hebben, zich ineens zo agressief tegen hem zouden opstellen zonder verdere aanleiding.

8. Als [slachtoffer] dan vervolgens met zijn armen begint te zwaaien en duidelijk de indruk wekt dat hij ook de echtgenote van [verdachte] wil slaan, heeft [verdachte] ter verdediging van zowel zijn echtgenote als hem zelf een klap uitgedeeld.

9. Dat [verdachte] op dat moment een ratelsleutel in zijn hand had was toeval aangezien hij, voordat [slachtoffer] naar zijn woning stormde, bezig was met de reparatie aan de buitenlamp van de woning. [Slachtoffer] zegt in zijn verklaring van 9 april 2008 ook dat [verdachte] die sleutel al in zijn handen had toen hij ([slachtoffer]) op [verdachte] af liep. Het betreft overigens ook nog een voorwerp van geringe omvang.

Noodweer

10. Er was gezien deze feitelijke constellatie die vanuit deze getuigenverklaringen toch voldoende duidelijk naar voren komen, sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zowel het lijf van cliënt als dat van zijn echtgenote. Daartegen was de verdediging wel geboden aangezien [slachtoffer] zich immers seconden daarvoor ook niet had weten in te houden en wel degelijk fysiek contact had gemaakt met [verdachte].

11. Bovendien moet mee worden genomen hetgeen kon blijken uit de medische gegevens omtrent de echtgenote die ik eerder heb ingezonden, dat [verdachte] ook ernstig vreesde voor de gezondheid van zijn echtgenote indien [slachtoffer] daadwerkelijk haar een klap zou geven.

12. Vervolgens kan niet gezegd worden dat er sprake is geweest van overschrijding van de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit te meer niet daar het gebleven is bij één klap. Het voorwerp is niet specifiek gepakt om een klap te kunnen uitdelen maar bevond zich simpelweg nog in de hand van [verdachte] toen hij met zoveel woorden werd overrompeld door de actie van [slachtoffer]. Daarbij moet ook bedacht worden dat het gehele voorval in enkele seconden zijn beslag kreeg.

Noodweerexces

13. Indien u al van mening mocht zijn dat er sprake is geweest van een overschrijding van de noodzakelijke grenzen van de verdediging dan is er sprake geweest van noodweerexces. Daarbij geldt dat de hevige gemoedsbeweging die daarvoor nodig is direct voortvloeide uit de agressieve wijze waarop [slachtoffer] op [verdachte] en zijn echtgenote afstormde alsmede de angst die daar bij [verdachte] door ontstond dat met name ook zijn echtgenote onevenredig letsel zou oplopen gezien haar kwetsbare fysieke gesteldheid, op grond van welke hevige gemoedsbeweging hij gereageerd heeft zoals hij heeft gedaan.

Conclusie

14. Op grond van al het vorenstaande verzoek ik u [verdachte] te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens noodweer dan wel noodweerexces.

5. Het hof heeft het beroep op noodweer(exces) als volgt verworpen:

"Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft namens de verdachte een beroep gedaan op noodweer c.q. noodweer-exces en op die grond ontslag van rechtsvervolging bepleit.

Het hof acht dit beroep ongegrond.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet voldoende aannemelijk geworden dat het handelen van de verdachte geboden was ter noodzakelijke verdediging van eigen lijf of dat van zijn echtgenote tegen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding.

Nu er geen sprake is van een noodweersituatie, gaat ook het beroep op noodweerexces niet op.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Motivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof houdt bij de bepaling van de strafmaat mede rekening de handelwijze en de opstelling van het slachtoffer.

Derhalve acht het hof het raadzaam te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd."

6. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat 's hofs verwerping van het beroep op noodweer en noodweerexces onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, aangezien het hof in het midden heeft gelaten om welke reden het heeft geoordeeld dat er geen sprake was van een noodweersituatie. Zo heeft volgens de steller van het middel het hof te dien aanzien niet duidelijk gemaakt of het de verklaringen van verzoeker en diens echtgenote niet geloofwaardig heeft geacht, dan wel dat de bejegening door de aangever van de echtgenote van verzoeker onvoldoende was om de beweging die verzoeker daarna nog heeft gemaakt en waarbij hij de aangever heeft geraakt, te rechtvaardigen.

7. De toelichting op het middel doelt kennelijk op de rechtspraak van de Hoge Raad over de wijze waarop de rechter de verwerping van het beroep op noodweer en noodweerexces in het onderhavige verband dient te motiveren: de rechter mag daarbij niet in het ongewisse laten of hij de feiten en omstandigheden die de raadsman aan het terzake gevoerde verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden acht, dan wel die feiten en omstandigheden een beroep op noodweer en/of noodweerexces niet rechtvaardigen.(1)

8. In HR 3 juni 2003, LJN AF6994 had het hof de verwerping van het beroep op noodweer(exces) als volgt gemotiveerd:

"(...) aangezien geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden, die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat het handelen van de verdachte was geboden ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer."

En in HR 15 juni 2004, LJN AO8813:

"Noch uit het dossier, noch uit het verhandelde ter terechtzitting (...) is aannemelijk geworden dat sprake was van feiten en omstandigheden, opleverend een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen met de bewezenverklaarde gedraging."

9. Naar het oordeel van de Hoge Raad was in beide vorengenoemde gevallen de verwerping van het verweer niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Het punt is namelijk dat uit de wijze waarop de geciteerde motiveringen zijn verwoord, niet blijkt of reeds de feiten en omstandigheden die aan het verweer ten grondslag zijn gelegd niet aannemelijk worden geacht - de feitelijke component van het verweer, bij welk desbetreffend oordeel van de feitenrechter de Hoge Raad zich in het algemeen moet neerleggen(2) -, dan wel of die feiten en omstandigheden een beroep op noodweer en noodweerexces niet rechtvaardigen. In het laatste geval heeft de Hoge Raad een toetsende taak met betrekking tot de beoordeling van de vraag of het hof het verweer naar de juiste juridische maatstaf heeft gewaardeerd.

10. Naar het mij voorkomt wijkt in de onderhavige zaak 's hofs motivering materieel niet af van de hierboven geciteerde motiveringen. In casu laat het hof immers in het midden om welke reden precies het beroep op noodweer en noodweerexces wordt verworpen. Uit de motivering kan niet worden afgeleid of het hof a) het handelen van verzoeker niet aannemelijk heeft geacht, of dat het b) dit handelen onvoldoende dragend vindt voor het aannemen van een noodweersituatie.(3) Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. Ter terechtzitting van 19 februari 2009 respectievelijk 4 juni 2009 hebben verzoeker, zijn echtgenote en het slachtoffer een verklaring over het voorval afgelegd. De verklaringen van verzoeker en zijn echtgenote staan haaks op de door het slachtoffer afgelegde verklaring. Daarbij komt dat uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen enkel kan worden afgeleid dat verzoeker het slachtoffer heeft geslagen. Ook in het licht van dit een en ander zijn 's hofs gebezigde bewoordingen in de verwerping van het exceptieve verweer naar het mij voorkomt niet zonder meer begrijpelijk.

11. Aldus is 's hofs oordeel niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

12. Het middel slaagt.

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 3 juni 2003, LJN AF6994 en HR 15 juni 2004, LJN AO8813. Zie ook: A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 2009, zesde druk, p. 261; Noyon-Langemeijer-Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 19 bij art. 41 (bewerkt door prof. mr. A.J.M. Machielse; bij t/m 1-6-2008); en J. de Hullu, Materieel strafrecht, vierde druk, 2009, p. 328.

2 A.w., p. 261.

3 De onderhavige zaak wijkt af van HR 21 september 2004, LJN AP8240, waarin de motivering van het hof als volgt luidde: "Nu uit het onderzoek ter terechtzitting niet uit feiten en omstandigheden aannemelijk is geworden dat de reactie van verdachte, zoals verwoord in de bewezenverklaring, geboden werd ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, faalt het beroep op noodweer". Blijkens de conclusie van de toenmalige AG Wortel lag in dat oordeel besloten dat, gelet op de verklaring van de verdachte, van een onmiddellijke dreigende aanval op de verdachte geen sprake was geweest. De Hoge Raad liet deze (eveneens summiere) motivering in stand en verwierp het beroep in cassatie op de wijze waarin art. 81 RO voorziet.