Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO9823

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
09/01078
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2009:BH6480
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO9823
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 141.1 Sr. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN BM2474. ’s Hofs oordeel dat verdachte een voldoende significante bijdrage aan het openlijk geweld heeft geleverd getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2011/82
RvdW 2011/267
NJB 2011, 467

Conclusie

Nr. 09/01078

Mr. Vellinga

Zitting: 14 december 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld bij arrest van 23 februari 2009.

2. Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt met betrekking tot de als feit 1 bewezenverklaarde openlijke geweldpleging dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de woorden "in vereniging" als bedoeld in art. 141 lid 1 Sr, althans dat het Hof de bewezenverklaring op dat punt onvoldoende met redenen heeft omkleed.

4. Het Hof heeft onder 1 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 12 maart 2008 te Eindhoven met anderen op de openbare weg, het Stationsplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen onbekend gebleven personen (PSV supporters), welk geweld bestond uit het gooien van stoelen en glazen naar die onbekend gebleven personen (PSV supporters) en het slaan en schoppen van een of meerdere van die onbekend gebleven personen (PSV supporters) en luidkeels roepen en joelen naar die onbekend gebleven personen (PSV supporters)."

5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1.

Een proces-verbaal van bevindingen van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Eindhoven Tongelre, proces-verbaal nummer PL2208/08-045589, d.d. 12 maart 2008, deel uitmakend van dossiernummer PL2233/08-002511, bladzijden 17-18, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van de verbalisant:

Op 12 maart 2008 was ik als "spotter" werkzaam op het Stationsplein te Eindhoven in verband met de wedstrijd PSV-Tottingham (het hof leest: Tottenham) Hotspur. Mijn taak bestond uit het begeleiden van twee Engelse collega's die bekend zijn met de probleemsupporters van Tottingham Hotspur. Wij waren in burger gekleed en droegen een blauw vestje met het opschrift "police".

Door mijn Nederlandse collega-spotters, die eveneens aanwezig waren op het Stationsplein, werd mij medegedeeld dat in café "[A]" een grote groep probleemsupporters van PSV aanwezig was en dat de kans groot was dat er ieder moment een confrontatie kon gaan plaatsvinden.

Om 19.08 uur zag ik dat nagenoeg de gehele groep Engelse probleemsupporters zich onder luid geschreeuw in de richting van café "[A]" begaf. Ik zag vervolgens dat een grote groep mij ambtshalve bekende probleemsupporters van PSV uit café "[A]" kwam en dat er tussen beide partijen een grote vechtpartij ontstond en dat er met stoelen en glazen werd gegooid door beide supportersgroepen. Deze vechtpartij heeft enige minuten geduurd voordat de mobiele eenheid van de politie ter plaatse kwam en beide groepen heeft weten te scheiden.

Nadat de vechtpartij beëindigd was, deelde mijn Engelse collega mede dat hij de gehele vechtpartij gefilmd had. Hij deelde voorts mede dat in de groep Engelse supporters zich een negroïde man bevond met een kaal hoofd. Deze man zou zich tijdens de vechtpartij vooraan in de groep Engelse supporters hebben bevonden toen deze groep de groep van de PSV supporters aanviel. Naar aanleiding van deze bevindingen heb ik contact gelegd met de commandant van de aanhoudingseenheid. Door deze eenheid werd vervolgens op aanwijzen van mijn Engelse collega de negroïde man aangehouden als verdachte van openlijke geweldpleging.

2.

Een proces-verbaal van aanhouding van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Afdeling Eindhoven Centrum, proces-verbaal nummer PL2204/08-045589, d.d. 12 maart 2008, deel uitmakend van dossiernummer PL2233/08-002511, bladzijden 10-11, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], en [verbalisant 3], brigadiers, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van de verbalisanten:

Op 12 maart 2008 omstreeks 20.00 uur bevonden wij, verbalisanten, ons op het Stationsplein te Eindhoven. Wij maakten deel uit van de aanhoudingseenheid.

Wij kregen het verzoek om contact op te nemen met een collega van de Britse politie. Wij hoorden van de Britse collega dat hij had gezien dat een negroïde man eerder op de avond had deelgenomen aan een massale vechtpartij bij café "[A]" op het Stationsplein te Eindhoven. Ook had de Britse collega dit op film opgenomen Hiervan is tevens een procesverbaal bevindingen opgemaakt.

Wij hebben vervolgens de aangewezen negroïde man aangehouden te 20.05 uur en hem ten spoedigste overgebracht naar het politiebureau aan de Mathildelaan te Eindhoven ter geleiding voor een hulpofficier van justitie.

De aangehouden man is [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1962.

3.

Een schriftelijk bescheid in de vorm van een kopie van een pagina van een Brits paspoort, deel uitmakend van dossiernummer PL2233/08-002511, bladzijde 3, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Achternaam: [verdachte]

Voornamen: [verdachte]

Nationaliteit:Britse

Geboortedatum: [geboortedatum] 1962

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Ten aanzien van feit 1 :

4. Een proces-verbaal van bevindingen van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Gezamenlijke Recherche Eindhoven Plus, proces-verbaal nummer PL2233/08-045589, bladzijden 1-2 met fotobijlagen 1-6, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4], hoofdagent, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van de verbalisant:

Op 12 maart 2008 werd in Eindhoven gevoetbald, de wedstrijd PSV-Tottingham (het hof leest: Tottenham) Hotspur. Bij deze wedstrijd werden spotters ingezet, die Engelse politieambtenaren begeleidden. Deze Engelse politieambtenaren zijn bekend met Engelse probleemsupporters. Door de Engelse politieambtenaren werden video-opnamen gemaakt van deze supporters. (...)

Deze video-opnamen zijn ter beschikking gesteld aan de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost. (...) Van deze beelden is een dvd gemaakt die bij dit proces-verbaal zal worden gevoegd. Verder worden foto-afdrukken bij dit proces-verbaal gevoegd.

Omstreeks 20.00 vonden op het Stationsplein te Eindhoven ongeregeldheden plaats; een confrontatie tussen Engelse en Nederlandse supporters. Hierbij werd verdachte [verdachte] aangehouden. [Verdachte] maakte deel uit van de Engelse supporters. Bij deze confrontatie werd onder andere meubilair (tafels en stoelen van terrassen) gegooid naar personen. Ook werden er personen geslagen en geschopt. [Verdachte] maakte deel uit van deze groep.

Op deze beelden is het volgende zichtbaar:

0.52 minuten: verdachte [verdachte] houdt zich op tussen een groep supporters waarvandaan met meubilair wordt gegooid (foto 1 ).

1.06 minuten: verdachte [verdachte] bevindt zich in de groep.

Verdachte [verdachte] werd ingesloten op het hoofdbureau van politie, waarbij van hem foto 4 gemaakt is.

5.

Als eigen waarneming van het gerechtshof ter terechtzitting d.d. 9 februari 2009:

Het hof constateert uit eigen waarneming van de videobeelden het volgende:

• tussen 0.00 minuten en 0.28 minuten trekt een groep Engelse voetbalsupporters van Tottenham Hotspur op naar café "[A]", alwaar zich PSV supporters bevinden;

• vanaf 0.19 minuten vangt het openlijk geweld aan door een confrontatie tussen beide groepen waarbij over en weer met stoelen en andere voorwerpen naar elkaar wordt gegooid;

• de groep Engelse supporters maakt de volgende bewegingen: eerst trekt de groep - al schreeuwend en joelend - op naar café "[A]", vervolgens deinst de groep achteruit, en trekt daarna weer op in de richting van café "[A]";

• tussen 0.53 minuten en 1.06 minuten is vrijwel onafgebroken één en dezelfde negroïde man in beeld die deel uitmaakt van de groep Engelse voetbalsupporters en deze man bevindt zich gedurende deze gehele periode in de voorhoede van genoemde groep;

• gedurende deze tijd draait deze man zich niet om evenmin trekt hij zich uit de groep terug;

• deze man vertoont grote gelijkenis met verdachte als afgebeeld op foto 4 in het dossier.

• deze man wordt op 1.05 minuten door de commentator "[verdachte]" genoemd.

6.

Het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 6 mei 2008, voor zover dit - zakelijk weergegeven - inhoudt als verklaring van verdachte:

Over het eerste feit kan ik zeggen dat ik er wel bij was toen de vechtpartij uitbrak, ik bevond mij in de groep. Op uw vraag waar ik mij in de groep bevond, antwoord ik dat ik vooraan, opzij stond, in de buurt van het café waar de PSV supporters zaten. Het klopt dat ik met de groep mee liep die naar de kroeg toe liep.

Ik zag dat anderen van de groep stoelen gooiden.

Ik droeg die avond een bruingroene driekwart Berberjas.

De officier van justitie: ik wijs een stukje van de videobeelden aan, waarop de verdachte naar voren loopt, hij heeft een groene driekwartjas aan.

De verdachte: Het lijkt erop dat ik dat ben.

(Hof: in de schriftuur houdende grieven stelt de officier van justitie: "op dat moment [hof: 01:05-01:06] wordt verdachte door de spotter op de opnamen bij naam genoemd: "[verdachte]" en is hij zichtbaat in beeld. Verdachte heeft ter terechtzitting ook erkend deze persoon op de opnamen te zijn)."

6. De bewezenverklaring van dit feit motiveerde het Hof als volgt:

"(...)

C.

Verdachtes raadsman heeft voorts aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte een significante rol heeft gespeeld bij de tenlastegelegde openlijke geweldpleging en derhalve dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft tevens aangevoerd dat verdachte zich op een gegeven moment heeft teruggetrokken en de plaats van het misdrijf heeft verlaten, terwijl het gevecht nog aan de gang was.

Het hof overweegt het volgende:

I. Het hof constateert uit eigen waarneming ter terechtzitting van de camerabeelden dat een groep Engelse supporters tussen tijdstip 0.00 minuten en 0.28 minuten optrekt naar café [A]. Vanaf het tijdstip 0.19 vangt het openlijk geweld aan door een confrontatie tussen voetbalsupporters van PSV en Tottenham Hotspurs waarbij over en weer met stoelen en andere voorwerpen naar elkaar wordt gegooid.

II. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat in een nabijgelegen café, [A], Nederlandse voetbalsupporters waren. [voetnoot 2]

III. Verdachte heeft tevens verklaard dat hij deel uitmaakte van de groep die op de camerabeelden is te zien en dat hij zich vooraan, aan de zijkant van die groep bevond. Verdachte zag dat er over en weer stoelen werden gegooid. [voetnoot 3]

IV. Verdachte herkent zichzelf ter terechtzitting in eerste aanleg op de camerabeelden. [voetnoot 4] Weliswaar staat het tijdstip van de beelden waarop verdachte zichzelf herkende niet in het proces-verbaal genoemd, maar uit de schriftuur houdende grieven van de officier van justitie valt af te leiden dat dit op het tijdstip 1.05 minuten is geweest.

V. Het hof heeft uit eigen waarneming geconstateerd dat op de camerabeelden op het tijdstip 1.05 een man te zien is die zeer op verdachte lijkt. Bij deze camerabeelden op het tijdstip 1.05 minuten wordt de naam van verdachte genoemd.

VI. Het hof heeft uit eigen waarneming geconstateerd dat de man op de camerabeelden op het tijdstip 1.05 minuten reeds vanaf 0.53 minuten vrijwel onafgebroken in beeld is. Daarbij is te zien dat de man zich in de voorhoede van de Engelse supportersgroep bevindt, van waaruit met voorwerpen wordt gegooid in de richting van café [A], en vervolgens met deze voorhoede achteruit deinst, doch nadien wederom naar voren loopt, in de richting van de PSV supporters.

Voetnoot 2: Proces-verbaal van verhoor verdachte, blz. 000024.

Voetnoot 3: Proces-verbaal terechtzitting in eerste aanleg d.d. 6 mei 2008.

Voetnoot 4: Proces-verbaal terechtzitting in eerste aanleg d.d. 6 mei 2008.

Op grond van het bovenstaande stelt het hof vast dat de man die zichtbaar is in de voorhoede van de Engelse supportersgroep in de tijdsspanne 0.53 en 1.05 minuten, verdachte is. Het hof is van oordeel dat verdachte een voldoende significante rol heeft gespeeld bij de tenlastegelegde openlijke geweldpleging. Immers, hij is -wetende dat in café [A] zich PSV supporters bevonden - in de voorhoede van een Engelse supportersgroep, van waaruit met voorwerpen werd gegooid in de richting van café [A], in de richting van de PSV-supporters gegaan en heeft aldus welbewust een bijna zekere confrontatie opgezocht en is bovendien vervolgens meegegaan in een aanvalsgolf van de Engelse supportersgroep en heeft dusdoende deze groep getalsmatig versterkt. Verdachtes eigen verklaring dat hij zich uit de groep terugtrok zodra hij zag dat er met stoelen gegooid werd, wordt door het vorenstaande weerlegd. Hij is enige tijd van die groep deel uit blijven maken, terwijl tussen die groep en de PSV-supporters werd gevochten en met stoelen gegooid.

Het verweer wordt verworpen."

7. De tenlastelegging is toegesneden op art. 141 Sr. Daarom moeten de in de tenlastelegging voorkomende woorden "in vereniging" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in het eerste lid van dat artikel.

8. In zijn arrest van 20 juni 2006, LJN AV7268 overwoog de Hoge Raad:

3.5. De tenlastelegging is toegesneden op art. 141 Sr. Daarom moeten de in de tenlastelegging voorkomende woorden "in vereniging" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in het eerste lid van dat artikel.

3.6. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet van 25 april 2000 (Stb. 2000, 173), waarbij art. 141 Sr werd gewijzigd (wetsvoorstel 26 519), is van het "in vereniging" plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt (vgl. HR 11 november 2003, LJN AL6209, rov. 3.8).

3.7. Het is niet de enkele omstandigheid geweest dat de verdachte in de groep aanwezig was en aldus de groep getalsmatig versterkte welke het Hof voldoende heeft geacht om hem te kunnen aanmerken als iemand die in vorenbedoelde zin in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd.

's Hofs oordeel houdt tevens in dat de verdachte en de anderen ieder voor zich hebben besloten de confrontatie te zoeken, hetgeen het Hof - niet onbegrijpelijk - daaruit heeft afgeleid dat de groep, waarvan de verdachte deel uitmaakte, ook nog nadat was geconstateerd dat het slachtoffer geen diefstal had gepleegd naar haar bleef joelen en schreeuwen, dat tussen de groep en het slachtoffer vervolgens met stoelen naar elkaar is geslagen, dat de groep intussen in homogeen verband naar het slachtoffer is opgedrongen en haar heeft ingesloten, en dat door iemand uit de groep voor ieder zichtbaar tegen het slachtoffer is getrapt terwijl zij op de grond lag, een en ander zonder dat de verdachte zich op enig moment van de gebeurtenissen heeft gedistantieerd. Anders dan de middelen tot uitgangspunt nemen, heeft het Hof daaruit kunnen afleiden dat de verdachte aldus een voldoende significante bijdrage aan het openlijk geweld heeft geleverd als hiervoor onder 3.6 bedoeld. 's Hofs oordeel geeft dan ook geen blijk van een onjuiste uitleg van de woorden "in vereniging", terwijl de bewezenverklaring in dit opzicht toereikend is gemotiveerd.

9. In HR 7 juli 2009, LJN BH9029, NJ 2009, 400 betrof hetgeen het Hof boven de getalsmatige versterking over de rol van verdachte had overwogen - door zijn aanwezigheid bijdragen aan een sfeer van ontremming, binnen het verband met de groep geweldplegende personen dreigend opdringen op het terrein tot een plek dichtbij het ADO-home, de mogelijkheid tot ontvluchten voor de slachtoffers verijdelen door het fysiek intimiderende onderlinge verband van de gedragingen van de groep - in feite omstandigheden die louter waren te herleiden tot het feit dat verdachte de groep getalsmatig had versterkt. Daarom kon uit die omstandigheden de ten laste van de verdachte bewezenverklaarde openlijke geweldpleging niet worden afgeleid.(1)

10. In de onderhavige zaak zijn het niet louter de omstandigheid dat de verdachte in de groep aanwezig was en aldus de groep getalsmatig versterkte en daarop te herleiden omstandigheden geweest op grond waarvan het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte in de in art. 141 Sr bedoelde zin in vereniging openlijk geweld heeft gepleegd.(2) Het Hof wijst er immers op dat verdachte -wetende dat in café [A] zich PSV supporters bevonden - in de voorhoede van een Engelse supportersgroep, van waaruit met voorwerpen werd gegooid in de richting van café [A], in de richting van de PSV-supporters is gegaan, dat hij aldus welbewust een bijna zekere confrontatie heeft opgezocht en dat hij vervolgens bovendien is meegegaan in een aanvalsgolf van de Engelse supportersgroep.

11. Tegen deze achtergrond heeft het Hof uit de door hem genoemde feiten en omstandigheden zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting kunnen afleiden dat de verdachte met de supportersgroep waarin hij zich bevond ten strijde is getrokken naar café [A] waarin zich naar hij wist PSV-supporters bevonden. Ik wijs in dit verband naar de volgende passage uit de Memorie van toelichting op art. 141 Sr:

"Hij die zich met anderen verenigt, waarbij het resultaat van die vereniging is, dat openlijk geweld wordt gepleegd tegen personen of goederen, dient daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk te zijn. Wie welbewust meegaat naar een plaats waar vanuit een groep openlijk geweld zal worden gepleegd, en zich daar als een lid van die groep manifesteert, is niet "onschuldig". Ook vocale, intellectuele en andere bijdragen aan het verband dat het openlijke geweld pleegt, tellen mee."(3)

In de overwegingen van het Hof ligt besloten dat de verdachte zich als deel uitmakend van de voorhoede van de Engelse supportersgroep met die groep had verenigd toen vanuit die groep reeds gewelddadigheden werden gepleegd, welbewust met die groep de confrontatie met een andere supportersgroep heeft gezocht en zich tijdens de gewelddadige confrontatie als een lid van die groep heeft gemanifesteerd door met een aanvalsgolf van zijn groep heen en weer te bewegen.

12. Het middel faalt. Met het oog op de inzichtelijkheid van de rechtspraak op art. 141 Sr acht ik het niet aangewezen dat dit middel wordt afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

13. Het tweede middel richt zich tegen het oordeel van het Hof over de rechtmatigheid van het onderzoek van de verdachte aan het lichaam.

14. Het middel heeft het oog op de volgende overwegingen van het Hof:

"Feit 2.

De raadsman heeft aangevoerd dat het uitgevoerde onderzoek aan het lichaam onrechtmatig was, nu niet was voldaan aan de eis dat er sprake moet zijn van ernstige bezwaren tegen de verdachte. De bij dat onderzoek ontdekte cocaïne dient van het bewijs te worden uitgesloten en bij gebreke aan voldoende overig bewijs dient verdachte te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt het volgende.

Tijdens een openlijke geweldpleging tussen twee groepen voetbalsupporters werd verdachte door de Engelse politiebeambten/spotters aangewezen als één van de relschoppers. Nadat verdachte was aangehouden in verband met zijn rol in de openlijke geweldpleging, kreeg de politie van de Engelse politiebeambten te horen dat verdachte bekend stond als drugsdealer en dat de kans groot was dat de man drugs in zijn onderbroek zou hebben.[voetnoot 5]

Verdachte werd vervolgens voorgeleid voor de hulpofficier van justitie die hem beval mee te werken aan een onderzoek aan het lichaam in het kader van de Opiumwetgeving. Verdachte ontdeed zich van zijn kleding. Verbalisanten zagen dat verdachte in zijn bilspleet toiletpapier had zitten. Hierop werd verdachte verzocht het toiletpapier uit zijn bilspleet te verwijderen, aan welk verzoek verdachte voldeed. Het toiletpapier bevatte een plastic zakje met snowsealtjes met daarin een stof die op cocaïne leek.[voetnoot 6] Verdachte is in verzekering gesteld.[voetnoot 7]

Voetnoot 5: Een proces-verbaal van bevindingen, blz. 000018.

Voetnoot 6: Een proces-verbaal van bevindingen, blz. 000019.

Voetnoot 7: Een proces-verbaal bevel tot inverzekeringstelling, blz. 000013.

De hulpofficier van justitie verwijst in zijn proces-verbaal naar de Opiumwet als grondslag voor het uitvoeren van een onderzoek aan het lichaam. Echter, artikel 9, tweede lid, van de Opiumwet gaf ten tijde van het tenlastegelegde slechts de bevoegdheid tot een onderzoek aan de kleding, niet aan het lichaam. Het onderzoek aan het lichaam is geregeld in artikel 56 van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 56, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kent aan de hulpofficier van justitie voor wie de verdachte wordt geleid, de bevoegdheid toe te bepalen dat deze in het belang van het onderzoek aan het lichaam zal worden onderzocht. Daarvoor is vereist dat er ernstige bezwaren tegen die verdachte bestaan. Ernstige bezwaren vormen meer dan een redelijk vermoeden.

Het hof is, met de raadsman, van oordeel dat de enkele mededeling van de Engelse politieambtenaren, zoals hiervoor weergegeven, onvoldoende is om het bestaan van ernstige bezwaren aan te nemen. Ook overigens was er geen strafvorderlijke grondslag voor het onderzoek aan het lichaam.

Echter met de officier van justitie in zijn schriftuur houdende grieven en de advocaat-generaal in zijn requisitoir, is het hof van oordeel dat in artikel 8, vierde lid van de Politiewet 1993 wel een grondslag gelegen is voor het onderzoek aan het lichaam zoals dat heeft plaatsgevonden. In dat artikellid is, voor zover hier van belang, bepaald dat de hulpofficier van justitie voor wie de aangehouden verdachte wordt geleid, bevoegd is te bepalen dat deze aan zijn lichaam zal worden onderzocht, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat gevaar dreigt voor het leven of de veiligheid van de verdachte of van de politieambtenaar en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.

Op grond van de hiervoor bedoelde mededeling van de Engelse politieambtenaren had de hulpofficier van justitie er redelijkerwijs van uit kunnen gaan dat de gerede kans aanwezig was dat verdachte drugs bij zich had. Het insluiten van een verdachte die drugs bij zich heeft, schept een situatie waarin gevaar voor het leven of de veiligheid van die verdachte of voor politieambtenaren aanwezig is. Immers eenmaal ingesloten zou die verdachte de drugs tot zich kunnen nemen met mogelijk gevaar voor zichzelf (overdosis) en/of voor de politieambtenaren die met hem in contact komen (agressief gedrag).

Dat de hulpofficier van justitie toen hij het onderzoek beval, van een onjuiste grondslag uitging, maakt naar het oordeel van het hof het uitgevoerde onderzoek aan het lichaam niet onrechtmatig, nu er wel een andere wettelijke grondslag was.

Het verweer wordt verworpen."

15. Art. 8 lid 4 Politiewet luidt:

De officier van justitie of de hulpofficier van justitie voor wie aangehouden of rechtens van hun vrijheid beroofde verdachten of veroordeelden worden geleid, is bevoegd te bepalen dat deze aan hun lichaam zullen worden onderzocht, indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid of die van de ambtenaar zelf en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar.

16. Het oordeel van het Hof moet aldus worden begrepen dat de hulpofficier van justitie op grond van art. 8 lid 4 Politiewet bevoegd was tot onderzoek van de verdachte aan zijn lichaam, omdat er op grond van de mededeling van een Engelse politieambtenaar redelijkerwijs van mocht worden uitgegaan dat er een gerede kans was dat de verdachte drugs bij zich had, dat het insluiten van een verdachte die drugs bij zich heeft het gevaar schept dat hij deze inneemt en daardoor gevaar voor hemzelf - een overdosis - of voor een politieambtenaar - door drugsgebruik opgewekte agressie - kan ontstaan en dat het derhalve noodzakelijk was de verdachte aan zijn lichaam te onderzoeken opdat het gevaar op innemen van drugs kon worden bezworen door de verdachte eventueel aanwezige drugs voor de insluiting af te nemen. Aldus verstaan geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is het niet onbegrijpelijk en behoeft het geen nadere motivering.

17. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld heeft het Hof niet behoeven vast te stellen waarom er aanleiding was te denken dat de verdachte de vermoede drugs zelf zou gebruiken, van welke soort en van welke hoeveelheid deze zouden zijn. De ervaring leert immers dat mensen drugs in lichaamsholten verstoppen voor eigen gebruik terwijl voor onderzoek op grond van art. 8 lid 4 Politiewet niet wordt vereist dat zicht bestaat op aard en hoeveelheid van de vermoedelijk in lichaamsholten verstopte drugs.

18. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld heeft het Hof heel wel kunnen oordelen dat het ontbreken van ernstige bezwaren tegen de verdachte niet in de weg stond aan het oordeel dat er een gerede kans was dat de verdachte drugs bij zich had. Kennelijk heeft het Hof met de uitdrukking "gerede kans" tot uitdrukking willen brengen dat die kans niet zo groot was dat van ernstige bezwaren jegens de verdachte kon worden gesproken. Dat is niet onbegrijpelijk.

19. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd ligt in de overweging van het Hof besloten dat is afgewogen of het bezweren van het door het Hof bedoelde gevaar vereiste dat de verdachte aan zijn lichaam werd onderzocht en niet met een minder vergaand middel kon worden volstaan. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat verdachte de drugs had verstopt op een zodanige plaats dat het voor de politie alleen bij een onderzoek aan het lichaam te vinden was en dus niet voor de hand ligt dat de verdachte de drugs op uitnodiging zou afgeven, temeer niet omdat hij daarmee het bewijs zou verschaffen van een door hem gepleegd strafbaar feit. Daar komt nog bij dat er zijdens de verdachte niet over is geklaagd dat hem de gelegenheid ontbrak of aan hem is ontnomen een onderzoek aan zijn lichaam te voorkomen door de in een lichaamsholte verborgen drugs aan de politie aan te bieden toen de politie een aanvang maakte met het onderzoek aan het lichaam.

20. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In HR 27 mei 2008, LJN BC8127 was sprake van plotseling geweld van één van de leden van een groep. Daar achtte de Hoge Raad onvoldoende bewijs aanwezig voor openlijke geweldpleging in vereniging door een ander lid van die groep.

2 In HR 12 oktober 2010, LJN BM2474, NJ 2010, 560 leverde verdachte een nog actievere bijdrage aan het geweld: verdachte ging met zijn broer mee verhaal halen en pakte een glazenophaler vast die vervolgens door de broer van de verdachte tegen het achterhoofd werd geslagen.

3 Kamerstukken II 1998-1999, 26 519, nr. 3, p. 4.