Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO9821

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-03-2011
Datum publicatie
15-03-2011
Zaaknummer
09/00902
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO9821
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Het hof heeft in de gebezigde bewijsmiddelen verklaringen van de verdachte opgenomen, die het evenwel volgens de nadere bewijsoverweging op onderdelen ongeloofwaardig acht. Daarom is de bewezenverklaring niet naar de eis er wet met redenen omkleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/407
NJB 2011, 743
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/00902

Mr. Vellinga

Zitting: 14 december 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door de enkelvoudige kamer van het Gerechtshof te Arnhem wegens 1 "Overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" en 2 "Handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot hechtenis voor de duur van 2 weken onderscheidenlijk een geldboete van € 150,--, subsidiair 3 dagen hechtenis.

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 09/00902 en 09/01243. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. J.B.A. Kalk, advocaat te Enschede, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel stuit af op de omstandigheid dat weliswaar aan het hoofd van het proces-verbaal van de terechtzitting en van de aantekening van het mondeling arrest[0] is vermeld "verstek", maar deze mededeling geen steun vindt in de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting en derhalve berust op een kennelijke misslag.

5. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

6. Het tweede middel klaagt dat uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de honkbalknuppel een voorwerp was als bedoeld in categorie IV van de Wet wapens en munitie.

7. Het Hof heeft ten laste van verdachte onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 19 mei 2008 te Enschede een honkbalknuppel, zijnde een voorwerp als bedoeld in de categorie IV van de Wet wapens en munitie, heeft gedragen;"

8. Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, op de volgende bewijsmiddelen:

"3. Het onder het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde dossiernummer PL054E/08-003670 vallende proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent regiopolitie Twente, genummerd 08-063340, gesloten en getekend op 4 juni 2008, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op maandag 19 mei 2008, omstreeks 19.40 uur hebben wij (het hof leest: verbalisant [verbalisant 1] en verbalisant [verbalisant 2]) [verdachte] aangesproken en gevraagd of hij inmiddels zijn rijbewijs had gehaald. Hierop antwoordde hij dat hij volgende week zijn rijbewijs zou halen. Wij hebben nog gebeld met ons infocentrum. Deze konden ons vertellen dat [verdachte] met grote regelmaat was aangetroffen terwijl hij een auto bestuurde. Hierop hebben wij de Volkswagen Polo met het kenteken [AA-00-BB] inbeslaggenomen. Ik, verbalisant, heb de auto overgebracht naar politiebureau West te Enschede. Bij het uitstappen zag ik dat er links naast de bestuurdersstoel een honkbalknuppel lag. De honkbalknuppel lag schuin, met een van de kanten naar beneden wijzend. Hierop hebben wij de honkbalknuppel ook inbeslaggenomen.

4. Het onder het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 1 vermelde dossiernummer PL054E/08-003670 vallende proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdagent regiopolitie Twente, genummerd PL054E/08-063340-1, gesloten en getekend op 28 mei 2008, voor zover inhoudende, als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Op 19 mei 2008 ben ik door de politie staande gehouden in verband met het rijden zonder rijbewijs. De auto werd toen door de politie in beslag genomen. Ik begrijp dat er later door de politie een honkbalknuppel is aangetroffen naast de bestuurdersstoel. U laat mij een honkbalknuppel zien, die ik herken als de honkbalknuppel van [betrokkene 1]. Ik wist dat deze honkbalknuppel in de auto van mijn vriendin lag, zijnde een Volkwagen Polo, maar ik dacht dat deze honkbalknuppel op de achterbank van de auto stond, achter de bestuurdersstoel. Ik dacht dat de honkbalknuppel in de hoek van de bank rechtop stond met de smalle zijnde naar de bank gericht. Ik wist dus niet dat de honkbalknuppel links naast de bestuurdersstoel lag. Ik denk dat de honkbalknuppel vanaf de achterbank naast de bestuurdersstoel is gevallen. Dit kan volgens mij zijn gebeurd tijdens het nemen van een verkeersdrempel.

5. Het onder het hiervoor in het proces-verbaal ter terechtzitting onder 4 vermelde procesverbaal, voor zover inhoudende, als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik erken dat ik op 19 mei 2008 te Enschede als bestuurder van een motorrijtuig heb gereden zonder dat ik in het bezit ben van een rijbewijs. Ik heb wel vaker gereden zonder rijbewijs, waarom ik dat doe weet ik niet. Ik heb nu nog steeds geen rijbewijs.

Het is ook juist dat toen ik op 19 mei 2008 te Enschede staande werd gehouden er een honkbalknuppel in de door mij bestuurde auto lag. Dit is geen wapen maar deze honkbalknuppel was van de broer van mijn vriendin. We waren met de hond en een bal naar het strand geweest en deze honkbalknuppel was vanaf de achterbank naar voren gevallen. Ik was vergeten dat deze honkbalknuppel nog in de auto lag.

De inhoud van voormelde bewijsmiddelen leveren op de redengevende feiten en omstandigheden waarop na te melden bewezenverklaring steunt, dat verdachte het hem tenlastegelegde heeft begaan."

9. In de aantekening van het mondeling arrest is voorts, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, onder het kopje "Overweging ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 2" opgenomen:

"Het hof acht, anders dan de advocaat-generaal, gelet op de omstandigheden waaronder de honkbalknuppel werd aangetroffen in samenhang met de verschillende, wisselende verklaringen van verdachte, zoals afgelegd bij diens staandehouding en ter terechtzitting van de kantonrechter, en die het hof ongeloofwaardig acht, het feit zoals tenlastegelegd onder 2, bewezen."

10. Artikel 2, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM) houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:

Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

(...)

Categorie IV

1°. blanke wapens waarvan het lemmet meer dan een snijkant heeft, voor zover zij niet vallen onder categorie I;

2°. degens, zwaarden, sabels en bajonetten;

3°. wapenstokken;

4°. lucht-, gas- en veerdrukwapens, behoudens zulke door Onze Minister overeenkomstig categorie I, sub 7°, aangewezen die zodanig gelijken op een vuurwapen dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn;

5°. kruisbogen en harpoenen;

6°. bij regeling van Onze Minister aangewezen voorwerpen die geschikt zijn om daarmee personen ernstig lichamelijk letsel toe te brengen;

7°. Voorwerpen waarvan, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij voor geen ander doel zijn bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en die niet onder een van de andere categorieën vallen.

11. Omdat in het onderhavige geval sprake is van een honkbalknuppel en deze niet wordt genoemd onder de nrs. 1-6(1) heeft het Hof kennelijk het oog op voorwerpen beschreven onder 7, te weten: voorwerpen waarvan, gelet op hun aard of de omstandigheden waaronder zij worden aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij voor geen ander doel zijn bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen en die niet onder een van de andere categorieën vallen.(2)

12. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat de honkbalknuppel, in de auto waarin verdachte reed, links naast de bestuurdersstoel lag, schuin gelegen met een van de kanten naar beneden wijzend. De verklaringen die verdachte bij zijn staandehouding en ter terechtzitting van de kantonrechter heeft afgelegd - kennelijk(3) heeft het Hof het oog op de verklaringen die door het Hof als bewijsmiddel 4 en 5 zijn gebezigd - heeft het Hof blijkens zijn nadere bewijsoverweging niet geloofwaardig geacht.

13. Kennelijk heeft het Hof uit de omstandigheid dat de honkbalknuppel links naast de bestuurder was aangetroffen afgeleid dat de honkbalknuppel naar redelijkerwijs kan worden aangenomen voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen.(4) Daarmee is niet verenigbaar dat het Hof ook voor het bewijs heeft gebezigd verdachtes verklaringen dat - kort gezegd - de honkbalknuppel op de achterbank van de auto van zijn vriendin stond, achter de bestuurdersstoel, en tijdens het rijden naar voren was gevallen. Een en ander wijst er immers eerder op dat de honkbalknuppel (mede) voor een ander dan vorenomschreven doel was bestemd. Bedoelde verklaringen zijn dus niet redengevend voor de bewezenverklaring.

14. Het Hof heeft bedoelde verklaringen blijkens zijn nadere bewijsoverweging ongeloofwaardig geacht. Die omstandigheid heeft het Hof er echter niet van doen afzien bedoelde verklaringen onder de bewijsmiddelen op te nemen.

15. Het opnemen van niet redengevende bewijsmiddelen wordt door art. 359 lid 3 jo. lid 8 Sv met nietigheid bedreigd. De vraag is of deze missslag in cassatie kan worden gesauveerd. Voor ontkennende beantwoording van deze vraag pleit dat het hier gaat om een misslag die de fundamenten van de bewijsconstructie raakt. Hoe immers kan een verklaring aan het bewijs meewerken als deze ongeloofwaardig wordt geacht? Daar staat tegenover dat het Hof bedoelde verklaringen wel in zijn bewijsoordeel heeft betrokken in die zin dat het deze ongeloofwaardig heeft geacht, een oordeel waarmee onder omstandigheden kan worden volstaan.(5)

16. Er zijn drie redenen waarom ik de hiervoor gestelde vraag ontkennend beantwoord. De eerste is dat het oordeel van het Hof over de bestemming van de honkbalknuppel, een voorwerp dat in beginsel niet de door het Hof bewezenverklaarde bestemming heeft, zo fragiel is onderbouwd, immers alleen met de plaats van aantreffen in de auto van verdachtes vriendin, dat het, in aanmerking genomen dat de wet niet alleen eist dat het voorwerp bestemd is om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen maar ook dat het voor geen ander doel bestemd is, nadere motivering vergt waarom verdachtes verklaringen ongeloofwaardig moeten worden geacht. Het heeft er immers alle schijn van dat juist de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van de verdachte het Hof tot de overtuiging heeft gebracht dat de honkbalknuppel de bewezenverklaarde bestemming had.

17. In de tweede plaats is niet duidelijk of het Hof de verklaringen van de verdachte helemaal niet geloofwaardig acht of dat de ongeloofwaardigheid zich beperkt tot verdachtes verklaringen voor zover inhoudende dat de honkbalknuppel op de achterbank van de auto stond, achter de bestuurdersstoel, en tijdens het rijden naar voren was gevallen.

18. Ten derde meen ik dat over de eis van redengevendheid van bewijsmiddelen slechts heen kan worden gestapt als de niet redengevende bewijsmiddelen of niet redengevende onderdelen daarvan - voor zover hier van belang - slechts van ondergeschikte betekenis zijn.(6) Dat klemt in een geval als het onderhavige temeer gezien de belangrijke taak die de Hoge Raad de hoven toedicht in het kader van de versterking van de kwaliteit van de berechting in eerste aanleg.(7) De vervulling van die taak is gebaat bij een helder standpunt over en handhaving van de eis van redengevendheid en niet bij het sauveren van een gebrek in redengevendheid van de bewijsmiddelen ook al zou nog wel verdedigbaar zijn dat over het vormverzuim in cassatie niet specifiek is geklaagd dan wel dat de betrokkene niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad.(8) De ruimte voor een dergelijke uitweg hoort in geval als het onderhavige gering te zijn. Het gaat immers om de deugdelijkheid van de motivering van één van de belangrijkste beslissingen in het strafproces, de bewezenverklaring.

19. Het middel slaagt.

20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde en in zoverre terugwijzing naar het Hof dan wel verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de Regeling wapens en munitie is, anders dan ten aanzien van art. 2, eerste lid, categorie I, onder 7º WWM het geval is, geen artikel opgenomen waarin uitvoering is gegeven aan art. 2, eerste lid, categorie IV, onder 6º WWM. Zie over de geschiedenis van de totstandkoming van de tekst van deze bepaling De Wet Wapens en Munitie, Een strafrechtelijk commentaar, onder redactie van D.H. de Jong en H.G.M. Krabbe, Samsom H.D. Tjeenk Willink Alphen aan den Rijn 1989, p. 42, 43.

2 Tot 1 januari 1997 (Stb. 1995, 579) hield hetgeen in het huidige art. 2, eerste lid, categorie IV onder 7º WWM is omschreven de gehele categorie IV in.

3 Het Hof spreekt kennelijk per abuis over de door de verdachte bij zijn staandehouding afgelegde verklaring. Een blik achter de papieren muur leert dat verdachte bij zijn staandehouding op 19 mei 2008 een verklaring heeft afgelegd, welke enkel betrekking had op het rijden zonder rijbewijs (feit 1). De door het Hof als bewijsmiddel 4 gebezigde verklaring betreft een door verdachte op 28 mei 2008, en derhalve niet tijdens zijn staandehouding, afgelegde verklaring.

4 Vgl. HR 7 december 1999, NJ 2000, 147. Bewijsmiddel 3 in onderhavige zaak leert dat de verbalisant, - nadat hij de auto naar het politiebureau had gereden - pas bij het uitstappen zag dat er links naast de bestuurdersstoel een honkbalknuppel lag.

5 HR 16 maart 2010, LJN BK3359, rov. 2.5.

6 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Kluwer 2009, zesde druk, p. 246, G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Kluwer 2008, zesde druk, p. 716.

7 HR 13 juli 2010, LJN BM0256, rov. 2.6.

8 Vgl. HR 13 juli 2010, LJN BM0256, rov. 2.8.3.