Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO8019

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
09/03037 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO8019
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Geldigheid appeldagvaarding. O.g.v. ‘s Hofs niet onbegrijpelijke vaststelling dat als gevolg van een kennelijke - dus ook voor verdachte kenbare - omissie in de appeldagvaarding niet is vermeld dat hij op de terechtzitting van de economische kamer van het Hof diende te verschijnen, heeft het Hof klaarblijkelijk geoordeeld dat het voor verdachte duidelijk moet zijn geweest dat zijn verschijning voor die kamer van het Hof werd verlangd, niettegenstaande de omstandigheid dat de appeldagvaarding inhield dat hij diende te verschijnen voor "het gerechtshof". Dat oordeel is feitelijk en in het licht van 's Hofs overige vaststellingen niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. S 09/03037 E

Mr. Vegter

Zitting 7 december 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, economische Kamer, heeft verdachte op 27 mei 2009 ter zake van feit 1: "medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8 van de Warenwet"; feit 2: "medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 8 van de Warenwet"; feit 3: "medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 4 van de Warenwet" en feit 4: "medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 5 van de Warenwet" veroordeeld tot geldboetes van vijftig euro, te vervangen door een dag hechtenis, ter zake van feit 1 respectievelijk tweehonderd euro, te vervangen door vier dagen hechtenis, ter zake van feit 2 respectievelijk vijfhonderd euro, te vervangen door tien dagen hechtenis, ter zake van feit 3 respectievelijk tweehonderdvijftig euro, te vervangen door vijf dagen hechtenis, ter zake van feit 4.

2. Namens verdachte heeft mr. D. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, cassatie ingesteld. Mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3. Het middel klaagt over schending van art. 422 Sv doordat - ik citeer - "de economische kamer van het hof heeft geoordeeld dat de dagvaarding van verdachte in hoger beroep op een juiste wijze aan verdachte is betekend, terwijl requirant ter terechtzitting van de commune kamer was gedagvaard."

4. Voor een goede beoordeling van het middel, geef ik eerst het procesverloop in eerste aanleg en in hoger beroep weer. Verdachte is in eerste aanleg gedagvaard voor de meervoudige economische kamer van de Rechtbank te Breda.(2) Verdachte noch een raadsman van verdachte was ter terechtzitting van 20 november 2007 aanwezig. Verdachte is bij vonnis van de meervoudige economische kamer van de Rechtbank te Breda van 4 december 2007 bij verstek veroordeeld. De akte rechtsmiddel houdt in dat verdachte beroep instelt tegen het eindvonnis van 4 december 2007, gewezen door de meervoudige kamer in deze rechtbank.

5. Vervolgens is op 21 oktober 2008 de dagvaarding om op 2 en 4 december 2008 te verschijnen voor de meervoudige kamer van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch in persoon aan verdachte uitgereikt. Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2008 is verdachte in 61 zaken gedagvaard ter terechtzitting van de commune kamer van het Hof. Het ging om overtredingen in het kader van in hoofdzaak markthandel waarbij verdachte (mogelijk) op een of andere wijze betrokken was. In één zaak (die tegen [A] Ltd., parketnummer 20-004367-07) is gedagvaard ter terechtzitting van de economische kamer van het Hof. Verdachte is niet verschenen ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2008; wel is verschenen de niet gemachtigde raadsman van verdachte, mr. A. Moszkowicz. Aldaar heeft de raadsman een beroep op de onbevoegdheid van de commune kamer van het Hof gedaan, omdat in de dagvaarding was vermeld dat verdachte diende te verschijnen voor de commune kamer van het Hof.(3) Daartoe heeft hij onder meer het volgende aangevoerd:

"Het gaat er voor wat betreft deze bevoegdheidsvraag niet over welk belang in het geding is; dat is namelijk niet vereist. Het betreft hier een kwestie van openbare orde. Er is bewust of onbewust de fout gemaakt niet te dagvaarden voor de economische kamer. De thans zittende leden van het hof zijn tevens lid van de economische kamer, maar daarmee is deze kwestie, hoe efficiënt dat ook zou zijn, niet afgedaan. Ik wil er daarbij op wijzen dat in een andere zaak van [A] Ltd. wél gedagvaard is voor een economische kamer. De Wet op de rechterlijke organisatie dient in acht te worden genomen. Het betreft hier economische delicten, tot berechting waarvan bij uitsluiting de economische kamer bevoegd is. Zoals gezegd hoeft er geen belang in het geding te zijn. Er is gewoonweg voor de verkeerde kamer gedagvaard."

6. Blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2008 heeft het Hof dit verweer als volgt verworpen:

"Het hof acht zich bevoegd kennis te nemen van de onderhavige zaak. Aan de verdachte zijn economische delicten ten laste gelegd; bevoegd is dus de economische kamer van het hof. Dat is de kamer die thans zitting heeft.

Gelet op het feit dat de verdachte in eerste aanleg is gedagvaard voor de economische kamer van de rechtbank Breda en het vonnis is gewezen door de economische kamer dient het ontbreken van een verwijzing naar de economische kamer van het hof in de dagvaarding in hoger beroep naar het oordeel van het hof te worden beschouwd als een kennelijke omissie.

Het hof constateert dat de dagvaarding van verdachte in hoger beroep op een juiste wijze aan verdachte is betekend."

7. Opmerking verdient dat het middel niet geheel aansluit op het ter zitting door de raadsman ingenomen standpunt. Immers ter zitting heeft de raadsman betoogd dat het Hof onbevoegd was, terwijl in het middel de geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep aan de orde wordt gesteld. De vraag naar de geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep en de vraag naar de bevoegdheid van het Hof vertonen in een geval als het onderhavige samenhang. De oproepingsfunctie van de dagvaarding brengt met zich dat de verdachte tegen een bepaald tijdstip op een dag wordt opgeroepen te verschijnen bij een bepaald gerecht. In al weer wat oudere jurisprudentie casseerde de Hoge Raad niet in een geval waarin een verdachte was opgeroepen te verschijnen voor de zitting van de politierechter en de meervoudige kamer van de rechtbank bij welke de gedetineerde verdachte was binnengeleid oordeelde dat de dagvaarding nietig was.(4) Een gebrek in de dagvaarding voor wat betreft de kamer van het gerecht kan derhalve tot nietigheid leiden. De verdachte heeft een te respecteren belang om tevoren te weten of hij terecht staat bij de politierechter of de meervoudige kamer. Zo geldt bij de politierechter voor wat betreft oplegging van de gevangenisstraf een beperking van de duur. Dat belang is nog meer aanwezig in een geval als het onderhavige waarin gedagvaard wordt voor de commune kamer van het Hof en de berechting plaatsvindt door de economische kamer. Bij de berechting van economische delicten gelden immers bijzondere procesregels en een eigen sanctiestelsel.

In recentere rechtspraak van de Hoge Raad bevindt zich een geval waarin aan gebreken bij dagvaarding voor een andere kamer alsmede aan het ontbreken van aanduiding als bijzondere kamer die de zaak heeft behandeld geen betekenis wordt toegekend.(5) Voorzichtigheid is geboden bij de beantwoording van de vraag welke betekenis aan het arrest is toe te kennen, omdat de Hoge Raad het cassatiemiddel afdeed met de aan artikel 81 RO ontleende formulering. Het volgende deed zich voor. Blijkens de inleidende dagvaarding was de strafzaak niet aangebracht bij de economische rechter. Dit terwijl op de dagvaarding louter economische delicten stonden vermeld. Ook uit het vonnis en het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg kon niet worden afgeleid dat de zaak door de economische rechter was behandeld. Desgevraagd had de sectorvoorzitter van de Rechtbank aan de Advocaat-Generaal bij het Hof meegedeeld dat alle leden van de kamer die de zaak had afgedaan bevoegd waren om op te treden als lid van de economische kamer. Het Hof oordeelde dat de zaak in eerste aanleg inderdaad was afgedaan door de economische kamer. Het cassatiemiddel bevatte de klacht dat het Hof ten onrechte de zaak niet had teruggewezen naar de rechtbank wegens schending van art. 38 WED. Mijn ambtgenoot Vellinga concludeerde dat het middel feitelijke grondslag miste nu mede in het licht van de bevoegdheidsregeling in de Wet economische delicten en het bericht van de voorzitter van de sector het niet onbegrijpelijk was dat het Hof had geoordeeld dat de zaak was afgedaan door de bevoegde economische kamer van de rechtbank. Aan de vraag of de inleidende dagvaarding om te verschijnen bij een commune kamer van de Rechtbank nietig was wordt geen woord gewijd. De verklaring daarvoor is vermoedelijk dat de geldigheidsvraag in het middel niet uitdrukkelijk aan de orde komt.

Het komt mij voor dat dagvaarding voor een onjuist aangeduide kamer van een gerecht nog niet zonder meer nietigheid van de dagvaarding met zich brengt. Dat is ook het standpunt van mijn ambtgenoot Jörg.(6) Voor de vraag of nietigheid is aangewezen zijn de belangen die gediend worden met helderheid over de kamer waar een verdachte terecht staat van betekenis. Of die belangen zijn geschaad is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Ook mijn ambtgenoot Jörg meent dat het van de omstandigheden afhangt. Hij verwijst daarbij naar het ook in de schriftuur vermelde arrest van de Hoge Raad van 28 september 1993, LJN:AD1957, NJ 1994/178, waarin de Hoge Raad bepaalde dat indien iemand als feitelijke leidinggever van een rechtspersoon (art. 51 Sr) voor de economische politierechter is gedagvaard, maar die rechtspersoon zelf voor de politierechter, en wel op dezelfde datum en tijd, het de rechtspersoon - mede gelet op artikel 38 WED, en op de omstandigheid dat hij door een raadsman werd bijgestaan - duidelijk moet zijn, dat zijn verschijning voor de economische politierechter werd verlangd.

In het onderhavige geval zijn de volgende omstandigheden van belang: (1) verdachte is in eerste aanleg gedagvaard voor de economische kamer; (2) het vonnis in eerste aanleg is gewezen door de economische kamer; (3) het Hof heeft ter zitting tot uitdrukking gebracht dat de zaak zou worden afgedaan door de economische kamer van het Hof; (4) het bestreden arrest is afkomstig van de economische kamer van het Hof; (5) ter zitting van het Hof was een (weliswaar aanvankelijk niet gemachtigde) raadsman aanwezig; en (6) in een andere zaak die op dezelfde dag diende was de rechtspersoon waarvan verdachte vertegenwoordiger was (die tegen [A] Ltd, parketnummer 20-004367-07)(7) wél gedagvaard voor de economische kamer. Onder deze omstandigheden was het Hof niet gehouden de dagvaarding in hoger beroep nietig te verklaren. Ik kan niet inzien welk belang van verdachte daarmee zou worden gediend. Verdachte kon er in redelijkheid van uitgaan dat sprake was van een vergissing en dat hij zou worden berecht door de economische kamer van het Hof.

De toelichting op het middel accentueert een verschil dat er zou zijn tussen het hier aan de orde zijnde geval en het geval uit HR 28 september 1993, LJN:AD1957, NJ 1994/178. Er is inderdaad verschil. Daar betrof het twee dagvaardingen waarvan één tegen bestuurder van een rechtspersoon bij de economische politierechter en één tegen die rechtspersoon bij de commune politierechter. Hier gaat het om een dagvaarding van een natuurlijk persoon bij de commune kamer en een andere rechtspersoon met een vertegenwoordiger die zijn gedagvaard bij de economische kamer. Die natuurlijke persoon en vertegenwoordiger zijn dezelfde persoon. Dit verschil lijkt mij gelet op de overige opgesomde omstandigheden niet erg relevant.

De (impliciete) beslissing tot geldigverklaring van de dagvaarding lijkt mij gelet op het voorgaande onjuist noch onbegrijpelijk. Dat het Hof aan deze kwestie van de bevoegdheid een overweging heeft gewijd waarin enkele van de door mij aangegeven omstandigheden uitdrukkelijk worden genoemd was nu het om een verweer van een raadsman die niet gemachtigd was niet noodzakelijk, maar komt de duidelijkheid ten goede. In die overweging is immers tot uitdrukking gebracht dat het gebrek in de dagvaarding door het Hof is beschouwd als een kennelijke omissie. Het middel faalt.

8. Het voorgestelde middel faalt. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken [verdachte] (S 09/03038E), [verdachte] (S 09/03039E), [verdachte] (S 09/03040E), [verdachte] (S 09/03041E), [verdachte] (S 09/03042E), [verdachte] (S 09/03043E), [verdachte] (S 09/03044E), [verdachte] (S 09/03045E), [verdachte] (S 09/03046E), [verdachte] (S 09/03047E), [verdachte] (S 09/03048E), [verdachte] (S 09/03049E), [verdachte] (S 09/03050E), [verdachte] (S 09/03051E), [verdachte] (S 09/03052E), waarin ik vandaag eveneens

concludeer.

2 Dat verdachte werd gedagvaard voor de economische kamer is met de hand bijgeschreven. Vermoedelijk verklaart dat ook dat de dagvaarding in hoger beroep niet de economische kamer vermeldt. Het geautomatiseerde systeem werd naar aan te nemen valt niet aangepast.

3 Ik laat buiten beschouwing dat strikt genomen de niet gemachtigde raadsman een dergelijk verweer niet kan voeren. De door de HR 'toegelaten' verdediging door een niet gemachtigde raadsman is zeer beperkt. Zie HR 20 oktober 2001, LJN:AD4727, NJ 2002/77 en HR 19 december 2006, LJN:AZ2176, NJ 2007/30. Het eerste middel klaagt terecht niet over het ontbreken van een beslissing op een nietigheidsverweer of gebreken in de motivering bij de weerlegging van dat verweer. Het middel klaagt over de geldigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.

4 HR 17 december 1985, LJN:AC9144, NJ 1986/370.

5 HR 31 oktober 2006, LJN:AY8322. Aan het arrest wordt kort aandacht besteed door D.R. Doorenbos, Schets van het economisch strafrecht, Deventer 2008, p. 131.

6 Handboek Strafzaken hoofdstuk 99.7 p.1 (suppl. augustus 2007), waarin hij verwijst naar HR 28 september 1993, LJN:AD1957, NJ 1994/178.

7 Deze zaak hangt niet samen met onderhavige zaak. Uit het zich bij de stukken van het geding bevindende proces-verbaal ter terechtzitting van de economische politierechter van de Rechtbank te Breda van 18 juli 2005 betreffende verdachten [C] BV, [A] Ltd., [D] Ltd en [verdachte] maak ik op dat verdachte [verdachte] optrad namens [A] Ltd., daartoe gemachtigd door zijn zoon [de zoon], bestuurder van [A] Ltd.