Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO8008

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
08-03-2011
Zaaknummer
09/02704
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO8008
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 51 Sv. Het middel berust op de stelling dat zich in hoger beroep een raadsman heeft gesteld. Daartoe wordt een beroep gedaan op een brief aan de strafgriffie van het Hof. Genoemde brief heeft blijkens de bewoordingen betrekking op de ontnemingprocedure, terwijl onderhavige zaak niet een zodanige procedure betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. S 09/02704

Mr. Vegter

Zitting 7 december 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 6 november 2008 bij verstek niet- ontvankelijk verkaard in zijn beroep tegen een vonnis van de Politierechter te Rotterdam waarbij verdachte wegens 1. "Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" en 2. "Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam, cassatie ingesteld. Mr. M. de Reus, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3. Het middel klaagt dat het bepaalde in artikel 51 Sv is geschonden omdat geen afschrift van de appeldagvaarding naar verdachtes raadsman is verzonden.

4. Aan de cassatieschriftuur is een brief gehecht van 4 september 2007, inhoudende dat mr. A.C. Bosch zich in hoger beroep stelt als raadsman van verdachte, en verzoekt om toezending van afschriften van alle relevante stukken en hem voorts te informeren omtrent de datum van de mondelinge behandeling van het hoger beroep. De bovenzijde van de brief bevat een communicatiejournaal waaruit valt af te leiden dat de brief op 4 september 2007 per fax is verzonden naar het nummer 070 3813650, welk faxnummer het nummer van de strafgriffie van het Hof is. De brief maakt melding van de naam van verdachte, het parketnummer in eerste aanleg en het rolnummer van de zaak in hoger beroep.

5. De procesgang in hoger beroep is, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt geweest:

(i) verdachte heeft op 30 augustus 2007 hoger beroep ingesteld tegen een te zijnen laste gewezen vonnis van de Politierechter te Rotterdam van 16 augustus 2007;

(ii) de dagvaarding voor de terechtzitting van 6 november 2008 is overeenkomstig artikel 588, derde lid, onder a, Sv op 28 augustus 2008 uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te 's-Gravenhage. Op 28 augustus 2008 is er een afschrift van de dagvaarding verzonden naar [a-straat 1] te [plaats];

(iii) ter terechtzitting van 6 november 2008 is verdachte noch zijn raadsman verschenen; en

(iv) verdachte is op 6 november 2008 bij verstek niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep, tegen welke beslissing namens hem op 9 juli 2009 cassatie is ingediend.

6. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat een afschrift van de appeldagvaarding of een andere kennisgeving over de plaats en tijdstip van de zitting aan de raadsman is verzonden. Voorts bevindt zich geen stelbrief van de raadsman tussen de stukken. De inhoud van de aan de schriftuur gehechte brief, die het juiste parketnummer van de zaak in eerste aanleg bevat, biedt echter voldoende grond voor het ernstige vermoeden dat de bedoelde stelbrief wel ter griffie van het Hof is ontvangen doch aldaar vervolgens in het ongerede is geraakt.(1) Derhalve dient er in cassatie ervan te worden uitgegaan dat zich in hoger beroep wel een raadsman had gesteld en dat het bepaalde in artikel 51, tweede zin, Sv niet is nageleefd. Niet-naleving van dit, in het belang van de verdachte, gegeven voorschrift moet worden geacht aan de geldige behandeling van de zaak ter terechtzitting buiten tegenwoordigheid van de verdachte en diens raadman in de weg te staan. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep lijdt dan ook aan nietigheid. Het middel is terecht voorgesteld.

7. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 16 juni 2009, LJN:BI1375, rov. 2.5. Vgl. ook: HR 23 juni 1998, LJN:ZD1188, NJ 1998/772, m.nt. J. Hullu, HR 25 februari 2003, LJN:AF1937, NJ 2003/541, HR 22 juni 2004, LJN: AO8811 en HR 19 september 2006, LJN:AX9212.