Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO7992

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-02-2011
Datum publicatie
01-02-2011
Zaaknummer
09/01721 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO7992
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep. Uitgaande van ’s Hofs oordeel dat de bij gelegenheid van het instellen van het hoger beroep overgelegde en aan de appelakte gehechte schriftelijke volmacht vals is, heeft het Hof - mede gelet op het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in ondertekende geschriften - terecht geoordeeld dat het hoger beroep niet op rechtsgeldige wijze is ingesteld, zodat verdachte in dat beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. S 09/01721 E

Mr. Vegter

Zitting 7 december 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 21 april 2009 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de economische politierechter van de Rechtbank te Breda van 27 juni 2008, waarbij verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 5 van de Warenwet" is veroordeeld tot een geldboete van tweehonderdvijftig euro, te vervangen door vijf dagen hechtenis en de Rechtbank voorts de in het vonnis omschreven voorwerpen onttrokken aan het verkeer heeft verklaard.

2. Namens verdachte heeft mr. T. Nieuwburg, advocaat te Amsterdam, cassatie ingesteld. Mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3. Het middel klaagt dat het Hof verdachte ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

4. Voor een goede beoordeling van de eerste klacht, geef ik eerst het procesverloop weer. Verdachte is bij vonnis van 27 juni 2008 door de economische politierechter van de Rechtbank te Breda bij verstek veroordeeld. Blijkens de akte rechtsmiddel verscheen [betrokkene 1] (de vader van verdachte) op 8 juli 2008 ter griffie van de rechtbank te Breda. Hij verklaarde hoger beroep te willen instellen tegen het vonnis met parketnummer 02/636026-08 dat op 27 juni 2008 door de economische politierechter in die Rechtbank tegen de verdachte is gewezen, en daartoe door deze te zijn gemachtigd bij een schriftelijke volmacht, die hij overlegde en die vervolgens door de griffier aan de akte is gehecht. Op die schriftelijke volmacht staan de personalia van verdachte en daarbij is een handtekening geplaatst. De dagvaarding om op 17 maart 2009 te verschijnen voor de economische kamer van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch is vervolgens op 20 februari 2009 in persoon aan verdachte uitgereikt.

5. Verdachte is niet verschenen ter terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2009; wel is verschenen de gemachtigde raadsvrouw van verdachte, mr. H.F. Hoogervorst. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2009 heeft de Voorzitter in het kader van de ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep meegedeeld dat het Hof gerede twijfel heeft of de handtekening, die op de schriftelijke machtiging staat vermeld, van verdachte afkomstig is. Voorts heeft de Voorzitter meegedeeld dat deze twijfel is ontstaan door een vergelijking van deze handtekening met, onder meer, de handtekening van verdachte zoals deze voorkomt op de akte van uitreiking van de dagvaarding van verdachte in hoger beroep. Na onderbreking van de zitting heeft de raadsvrouw van verdachte het volgende aangevoerd:

"Omtrent de wens van mijn cliënt om hoger beroep in te stellen bestaat mijns inziens geen onduidelijkheid. Ik wijs er voorts op dat in andere zaken van de familie [van verdachte], die in december 2008 door dit hof zijn behandeld, ook de appelakten aan

de orde zijn gesteld. In die zaken werden cliënten ontvankelijk geacht in hun appel, ondanks het feit dat de vader zonder daartoe gemachtigd te zijn het hoger beroep had ingesteld. Natuurlijk zijn er verschillen met deze zaak, maar er zijn tevens

overeenkomsten.

Het kan bovendien zo zijn dat de handtekening die voorkomt op de akte van uitreiking van de appeldagvaarding niet de juiste is en dat de handtekening op de machtiging wel van mijn cliënt afkomstig is.

Verder is het mogelijk dat mijn cliënt verschillende handtekeningen gebruikt. Ik verzoek het hof daarom de zaak aan te houden teneinde mijn cliënt hierover te horen. Ik zou het niet fair vinden, indien het hof nu op voorhand al zou komen tot de conclusie dat mijn cliënt niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Op een eventuele nadere terechtzitting zal mijn cliënt verschijnen."

6. Blijkens voornoemd proces-verbaal heeft het Hof hierop het onderzoek in onderhavige zaak geschorst tot de terechtzitting van het Hof van 21 april 2009 teneinde alsdan de verdachte in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de gang van zaken met betrekking tot het instellen van hoger beroep in deze zaak.

7. Ter terechtzitting van 21 april 2009 is verdachte evenmin verschenen; wel verschenen is de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. A. Moszkowicz. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 april 2009 heeft de Voorzitter aan de Advocaat-Generaal bij het Hof en de raadsman van verdachte enkele handtekeningen van verdachte, voorkomende in de dossiers, getoond. Een kopie van dit door de griffier verzamelde en vastgelegde handtekeningenoverzicht is uitgereikt aan de Advocaat-Generaal bij het Hof en de raadsman van verdachte. Het overzicht bevat de volgende handtekeningen van verdachte:

- de handtekening die verdachte na legitimatie heeft gezet op de akte van uitreiking van de oproeping in hoger beroep in de zaak met parketnummer 02-002565-08. Het Hof gaat er van uit dat deze handtekening authentiek is;

- de handtekening van verdachte op de brief d.d. 22 oktober 2008, waarin hij verzoekt de stukken van de zaak toe te zenden;

- de handtekening van verdachte op de brief d.d. 11 november 2008, waarin hij een verzoek tot uitstel doet in verband met het huwelijk van [betrokkene 2];

- de handtekening van verdachte op de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep in de zaak met parketnummer 20-002563-08; en

- de handtekening van verdachte op de akte van uitreiking van de oproeping in hoger beroep in de zaak met parketnummer 20-002565-08.

8. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van de eerste klacht van belang, het volgende in:

"Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Blijkens de akte rechtsmiddel verscheen [betrokkene 1] op 8 juli 2008 ter griffie van de rechtbank te Breda. Hij verklaarde hoger beroep te willen instellen tegen het vonnis met bovenvermeld parketnummer dat op 27 juni 2008 door de economische politierechter in die rechtbank tegen de verdachte is gewezen, en daartoe door deze te zijn gemachtigd bij een schriftelijke volmacht, die hij overlegde en die vervolgens door de griffier aan de akte is gehecht.

Het hof heeft na vergelijking van de handtekening op voormelde volmacht met andere handtekeningen van verdachte, geconstateerd dat het evident is dat de handtekening op de volmacht niet van verdachte afkomstig is.

Het hof verwijst naar het in het dossier gevoegde handtekeningenoverzicht met de daarbij behorende bijlagen.

Als uitgangspunt bij de vergelijking heeft de handtekening gediend die verdachte na legitimatie heeft gezet op de akte van uitreiking van de inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 02/636016-08, opgemaakt door [betrokkene 3], medewerker intake & service te Nieuwendijk.

Het hof gaat er van uit dat deze handtekening authentiek is.

Vergelijking heeft plaatsgevonden met de litigieuze handtekening op de volmacht, maar ook met een aantal andere handtekeningen van verdachte, te weten:

- de handtekening van verdachte op de brief d.d. 22 oktober 2008, waarin hij verzoekt de stukken van de zaak toe te zenden;

- de handtekening van verdachte op de brief d.d. 11 november 2008, waarin hij een verzoek tot uitstel doet in verband met het huwelijk van [betrokkene 2];

- de handtekening van verdachte op de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep in de zaak met parketnummer 20-002563-08;

- de handtekening van verdachte op de akte van uitreiking van de oproeping in hoger beroep in de zaak met parketnummer 20-002565-08.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de volmacht vals is en dat het hoger beroep derhalve niet op rechtsgeldige wijze is ingesteld.

De door de raadsman geopperde mogelijkheid, dat verdachte wellicht meer handtekeningen door elkaar gebruikt, wordt door het hof als hoogst onwaarschijnlijk terzijde gesteld, omdat de handtekeningen in de hiervoor beschreven reeks sterke gelijkenissen vertonen, met uitzondering van de sterk afwijkende handtekening op de volmacht.

De raadsman heeft ter zitting in hoger beroep namens zijn cliënt aangevoerd, dat het wel degelijk de wens van [verdachte] was om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis, doch dat doet niets af aan het feit dat aan de formele vereisten voor het instellen van hoger beroep niet is voldaan.

Mitsdien zal het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep."

9. De toelichting op het middel behelst ten eerste de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk, heeft geoordeeld dat de volmacht niet van verdachte afkomstig is. Dat de handtekening niet van verdachte afkomstig zou zijn, had het Hof niet zonder meer mogen vaststellen; aldus heeft het Hof ten onrechte de in casu opgemaakte volmacht niet aanvaard als volmacht in de zin van art. 450 Sv. Onder verwijzing naar literatuur(2) en jurisprudentie(3) voert de steller van het middel aan dat gebreken bij het aanwenden van het rechtsmiddel niet altijd fataal zijn en dat bij het instellen van een rechtsmiddel de formaliteiten minder belangrijk zijn, terwijl de bedoeling van de verdachte (of zijn advocaat) centraal staat. Bij het instellen van een rechtsmiddel staan volgens de steller van het middel drie begrippen centraal. Ten eerste dat degene aan wie de wet een rechtsmiddel toekent, beslist of hij dit rechtsmiddel wil benutten (authenticiteit). Ten tweede dat degene die kan beslissen over het al dan niet benutten van een rechtsmiddel zijn wil kenbaar moet maken (wilsverklaring). Ten derde dat aan de kenbaar gemaakte wilsverklaring slechts gevolgen worden verbonden als die wilsverklaring tegenover een bevoegde instantie (autoriteit) is geuit. In de onderhavige zaak zouden de eerste twee begrippen een rol spelen, te weten authenticiteit en wilsverklaring. Zo zou uit het door middel van een schriftelijke volmacht instellen van verdachte reeds moeten blijken dat verdachte de wens had beroep in te stellen. Door te overwegen dat een schriftelijke volmacht (uitgaande van de lastgever) dient te zijn ondertekend, stelt het Hof een eis die de wet niet kent. Voor zover voorts al sprake zou zijn van ondertekening in de zin van een 'handtekening', dient dit gebrek als gesauveerd te worden beschouwd, nu de namens verdachte gemachtigde raadsman ter terechtzitting is verschenen, die uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat het de wens was van verdachte om hoger beroep in te stellen. Voorts voert de steller van het middel aan dat het Hof niet heeft vastgesteld dat het handschrift op de machtiging instellen hoger beroep niet overeenkomt met het van verdachte bekende handschrift. Dat het Hof in onderhavige zaak en de met deze zaak samenhangende zaken, waarin wél een machtiging voorhanden was, het appel niet heeft aanvaard wekt volgens de steller van het middel te meer bevreemding nu het Hof in andere verwante zaken, waarin enige schriftelijke machtiging ontbreekt, het ingestelde appel wél zou hebben aanvaard. Gelet hierop had het Hof verdachte moeten ontvangen in het namens hem ingestelde hoger beroep.

10. De in deze zaak toepasselijke wetsbepalingen luiden:

- art. 449, eerste lid, Sv:

"1. Voor zover de wet niet anders bepaalt, wordt hoger beroep of beroep in cassatie ingesteld door een verklaring, af te leggen door degene die het rechtsmiddel aanwendt, op de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven."

- art. 450, eerste lid, Sv:

"1. Het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, kan ook geschieden door tussenkomst van:

a. een advocaat, indien deze verklaart daartoe door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd;

b. een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd."

11. Aan de bijzondere volmacht(4) door een vertegenwoordiger van verdachte als bedoeld in artikel 450, eerste lid onder b, Sv is in wetsgeschiedenis, literatuur en jurisprudentie weinig aandacht besteed. In de praktijk worden rechtsmiddelen als regel aangewend doordat verdachte zelf ter griffie een verklaring aflegt, doordat verdachte een (aangetekende) brief naar de griffie stuurt of door de advocaat die verklaart bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. In Blok en Besier(5) wordt slechts vermeld dat de "bijzondere volmacht, indien ze wordt gegeven bij onderhandsche akte, niet op zegel (behoeft) te worden gesteld (art. 32, 4e der Zegelwet 1917), noch te worden geregistreerd (art. 100 Registratiewet 1917)". De Hullu(6) wijst er op dat de wetgever de regeling voor het instellen van rechtsmiddelen niet nader toelichtte en hij voegt daar ter verklaring aan toe dat een zekere vanzelfsprekendheid aan die regeling kan worden toegekend. Het heeft zijn instemming dat de wetgever bij het instellen van rechtsmiddelen weinig belemmeringen opwerpt. Voor zover hier van belang wijst hij(7) nog op een arrest van de Hoge Raad waarin een beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter in stand werd gelaten. De algemene volmacht om verdachte bij het kantongerecht te vertegenwoordigen en te doen wat hem wenselijk voorkwam was door de rechtbank onvoldoende geoordeeld omdat deze volmacht niet werd aangemerkt als een bijzondere volmacht.(8) Krabbe besteedt geen speciale aandacht aan de bijzonder volmacht, maar vermeldt wel het arrest van uw Raad van 19 december 1978, NJ 1979/224.(9) Het rechtsmiddel was aangewend door de broer van verdachte, van onjuiste adviezen van de griffie was niet gebleken en er bevond zich een blanco machtiging in het dossier. De Hoge Raad verstond dat er geen rechtsmiddel was aangewend. In Melai/Groenhuijsen(10) wordt onder meer opgemerkt dat bij een bijzondere schriftelijke volmacht voor wat betreft de vorm een persoonlijk kenmerk van de belanghebbende 'onvermijdelijk' (ik begrijp in de zin van een noodzakelijk vereiste) is. Als voorbeelden worden handschrift of handtekening genoemd. Ook Elzinga stelt dat of een volmacht afkomstig is van de verdachte, kan blijken uit de ondertekening van een geschrift.(11)

Samengevat kan worden geconstateerd dat er voor wat betreft de schriftelijke bijzondere volmacht door de vertegenwoordiger weinig formele eisen zijn. De volmacht moet in ieder geval niet (te) algemeen zijn en moet een persoonlijk kenmerk van de verdachte bevatten.

12. De steller van het middel heeft het gelijk aan zijn zijde indien hij er met kennelijke instemming op wijst dat er de laatste decennia sprake is van een (verdere) versoepeling van de vormen, vereist voor het aanwenden van rechtsmiddelen. Grofweg kan gezegd worden dat in de rechtspraak besloten ligt dat kennelijke vergissingen bij het aanwenden van een rechtsmiddel door de verdachte en ambtelijke fouten met de nodige coulance tegemoet moeten worden getreden. Voor de bijzondere volmacht aan een vertegenwoordiger is van belang HR 20 januari 2009, LJN:BG5562, NJ 2009/231. Daar verstrekte verdachte een algemene volmacht aan zijn moeder om zijn belangen "betreffende de rechtbank" te behartigen. Het Hof kwam tot niet-ontvankelijkheid van het beroep, maar dat kan de goedkeuring van de Hoge Raad niet zonder meer wegdragen. De Hoge Raad overweegt in het arrest onder 2.5.: "De bestreden beslissing is ontoereikend gemotiveerd. Het Hof had moeten doen blijken te hebben onderzocht of de griffier die de akte heeft opgemaakt de in die akte genoemde comparant mededeling heeft gedaan van het vereiste van een bijzondere schriftelijke volmacht. Bij gebreke van een zodanige mededeling zou immers de omstandigheid dat het beroep niet is ingesteld op de wijze als voorgeschreven in art. 450, eerste lid aanhef en onder b, Sv het gevolg kunnen zijn van een niet aan de verdachte toe te rekenen ambtelijk verzuim, in welk geval de verdachte ontvankelijk zou dienen te worden verklaard in zijn hoger beroep (vgl. HR 29 januari 2002, LJN AD6200)."(12)

13. Het Hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] (de vader van verdachte) bij de griffie is verschenen en daar een schriftelijke volmacht heeft overgelegd. De volmacht luidde:

"[plaats] 8 juli 2008 - Hierbij deel ik U mede dat ik [betrokkene 1] machtig om hoger beroep in te stellen tegen parket nummers 02/636145-07 02/636026-08 en 02/636022-08. In de hoop op Uw welwillende medewerking teken ik. Hoogachtend (gevolgd door een handtekening), [verdachte], [a-straat 1], [0000 AA] [plaats]".

Die volmacht voldeed op het eerste gezicht aan alle eisen. De volmacht was inderdaad bijzonder in die zin dat beroep diende te worden ingesteld tegen een aantal vonnissen gewezen tegen verdachte en de volmacht leek eveneens een persoonlijk kenmerk te bevatten van verdachte, omdat de volmacht ondertekend was. Bij die stand van zaken valt niet in te zien dat er voor de griffieambtenaar aanleiding bestond de vader van verdachte nader te informeren over formaliteiten waaraan een bijzondere volmacht dient te voldoen. Voor de griffieambtenaar was er immers geen reden te veronderstellen dat de handtekening onder de volmacht niet van verdachte afkomstig was en daarmee niet voldeed aan de in het algemeen aan een volmacht te stellen eisen. De griffieambtenaar heeft geen mogelijkheden tot het doen van een handschriftvergelijking. Het lijkt mij te ver gaan steeds van de griffieambtenaar te verlangen te vragen of de handtekening wel van verdachte afkomstig is. Van een ambtelijk verzuim van de griffiemedewerker is dus in ieder geval geen sprake.

14. In de toelichting op het middel wordt verder geklaagd over 's Hofs oordeel dat de volmacht vals is. Het Hof had niet op basis van het eigen handschriftonderzoek de litigieuze handtekening op de volmacht als valselijk opgemaakt mogen aanmerken. Aangevoerd wordt dat het Hof niet tot dat oordeel had mogen komen zonder daarbij het oordeel van een deskundige op het gebied van forensisch handschriftonderzoek te betrekken. Voorts bestrijdt de steller van het middel 's Hofs verwerping van de door de raadsman betoogde mogelijkheid dat verdachte wellicht meer handtekeningen door elkaar gebruikt.

15. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 maart 2009 blijkt dat de raadsvrouw van verdachte aldaar inderdaad, zoals door de steller van het middel wordt aangevoerd, heeft betoogd dat de mogelijkheid bestaat dat verdachte wellicht meer handtekeningen door elkaar gebruikt, waaraan zij het verzoek verbindt de terechtzitting aan te houden teneinde verdachte hierover te horen. Aan dit verzoek heeft het Hof voldaan. Dat verdachte vervolgens niet is verschenen ter terechtzitting van 21 april 2009, waardoor het Hof hiernaar geen onderzoek heeft kunnen doen, is een omstandigheid die voor de verantwoordelijkheid van verdachte komt nu van de kant van de verdediging ook niet gesteld is dat de niet verschijning buiten de macht van verdachte lag of een herhaald verzoek is gedaan verdachte alsnog te horen. Integendeel, de raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting medegedeeld dat indien een bevel tot medebrenging van verdachte wordt geëffectueerd, hij zich ter zitting zal beroepen op zijn zwijgrecht. In zoverre faalt het middel. De klacht dat de volmacht vals is zonder daarbij het oordeel van een deskundige op het gebied van forensisch handschriftonderzoek te betrekken is gestoeld op omstandigheden die een nader feitelijk onderzoek vergen, en aldus niet voor het eerst in cassatie kunnen worden geuit. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 17 maart 2009 respectievelijk 21 april 2009 blijkt immers niet dat de raadsvrouw respectievelijk raadsman van verdachte aldaar heeft verzocht om op enige wijze het oordeel van een deskundige op het gebied van forensisch handschriftonderzoek te betrekken in deze zaak. Het oordeel van het Hof dat bij de vergelijking van verschillende door verdachte geplaatste handtekeningen is gebleken dat de op de volmacht geplaatste handtekening niet van verdachte afkomstig is, is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk.

16. De steller van het middel meent dat het Hof door te eisen dat de volmacht is ondertekend een eis heeft gesteld die de wet niet kent. Het is juist dat de wet niet met zo veel woorden eist dat de volmacht door de verdachte als volmachtgever is ondertekend. Het gaat hier echter niet om een eis die voortvloeit uit de wet, maar om een eis die voortvloeit uit de functie en het karakter van een volmacht in het maatschappelijk verkeer. Er moet gelet op die functie en dat karakter - zoals hierboven reeds naar voren kwam - van uit worden gegaan dat een volmacht wel een persoonlijk kenmerk van de verdachte bevat. In een volmacht als hier aan de orde moet immers tot uitdrukking komen dat verdachte een ander machtigt om hem te vertegenwoordigen bij het aanwenden van een rechtsmiddel. Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof meent dat zulks niet tot uitdrukking komt als de volmacht door een ander dan verdachte is ondertekend. Dat wordt anders dan steller van het middel kennelijk meent niet anders als vastgesteld zou worden dat de inhoudelijke tekst op de volmacht wel van verdachte afkomstig is. Dan is het immers juist des te opmerkelijker dat niet de volmachtgever, maar een ander heeft getekend.

17. Naar ik begrijp is de steller van het middel van oordeel dat het gebrek in de volmacht geen gevolgen dient te hebben indien de gemachtigde raadsman ter zitting (tot tweemaal toe) verklaart dat verdachte beroep heeft laten instellen en dat dat ook conform zijn wens was (p. 6 van de schriftuur). De gedachtegang daarbij is kennelijk dat een eventueel gebrek in de volmacht ter zitting kan worden hersteld door de gemachtigde raadsman (en naar aan te nemen valt door een eventueel verschenen verdachte). Dat lijkt mij in ieder geval in het algemeen te ver gaan. Een dergelijke benadering zou het aanwenden van rechtsmiddelen vrijwel volledig deformaliseren. De uiterste consequentie zou zijn dat een ieder met een door hem zelf opgesteld briefje met handtekening beroep zou kunnen instellen tegen welke beslissing die in de publiciteit komt dan ook en dat een verdachte dan tot de zitting kan wachten om daar al dan niet kenbaar te maken of hij inderdaad behandeling van het hoger beroep wenst. Juist nu bij het aanwenden van rechtsmiddelen in de rechtspraak tegenwoordig de nodige coulance wordt betracht, lijkt het mij niet nodig en gewenst om elke drempel te slechten.

18. Natuurlijk moet de hier aan de orde zijnde handelwijze ook bezien worden in het licht van het vertrouwen dat in het algemeen moet kunnen worden gesteld in schriftelijke verklaringen die voorzien zijn van een handtekening. Het gaat er hier in de kern om of dat vertrouwen beschaamd is. Coulance ligt weinig voor de hand.

19. Het middel faalt in al haar onderdelen.

20. Het voorgestelde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken [betrokkene 4] (S 09/01713E), [betrokkene 4] (S 09/01714E), [betrokkene 4] (S 09/01715E), [betrokkene 4] (S 09/01716E), [betrokkene 4] (S 09/01717E), [betrokkene 4] (S 09/01718E), [betrokkene 4] (S 09/01719E), [verdachte] (S 09/01720E), [verdachte] (S 09/01722E) en [verdachte] (S09/01723E), waarin ik vandaag eveneens concludeer.

2 Verwezen wordt naar de aantekeningen bij artikel 450 Sv, in: Melai/Groenhuijsen, Wetboek van Strafvordering, H.K. Elzinga, 'In beroep', Deventer 1998, p. 12 en H. G.M. Krabbe, 'Verzet en Hoger Beroep in Strafzaken', Alphen aan den Rijn, 1983.

3 De conclusie van AG Machielse bij HR 6 januari 1998, NJ 1998/389; HR 12 december 1989, NJ 1990/453; HR 9 oktober 1979, NJ 1980/58; HR 19 februari 1980, NJ 1980/383; HR 8 maart 1977, NJ 1977/338, Hof Leeuwarden 25 oktober 1977, NJ 1978/570 en Rb. Dordrecht 22 september 1981, NJ 1981/610.

4 De gewone brief van verdachte als bijzondere volmacht aan de griffier laat ik hier verder buiten beschouwing.

5 A.J.Blok en L.Ch.Besier, Het Nederlandsche strafproces, deel 2, Haarlem 1925, p. 474.

6 J.de Hullu, Over rechtsmiddelen in strafzaken, Arnhem 1989, p. 366.

7 De Hullu, a.w., p. 369.

8 HR 17 mei 1966, NJ 1966/ 411 m.nt. Van Berckel. Dit arrest is achterhaald door onder meer het nog te bespreken HR 20 januari 2009, LJN BG5562, NJ 2009/ 231.

9 H.G.Krabbe, Verzet en hoger beroep in strafzaken, 1983, a.w., p. 85.

10 Melai/Groenhuijsen, a.w., aantek. 7 bij artikel 450 Sv (suppl. augustus 2001).

11 H.K.Elzinga, a.w., p. 127.

12 Versoepeling ook recent in HR 30 maart 2010, LJN BL3194 (ontbrekende zin op formulier 'Hoger beroep') en HR 21 september 2010, LJN BM4427 (instemming met in ontvangst nemen oproep).