Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO7128

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-02-2011
Datum publicatie
04-02-2011
Zaaknummer
09/03894
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO7128
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzet tegen dwangbevel waarbij bestuurlijke dwangsommen worden ingevorderd. (Art. 81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/224
JWB 2011/75
Verrijkte uitspraak

Conclusie

09/03894

mr. Keus

Zitting 3 december 2010

Conclusie inzake:

[Eiseres]

eiseres tot cassatie

tegen

de gemeente Zutphen

(hierna: de Gemeente)

verweerster in cassatie

Het gaat in deze zaak om het verzet van [eiseres] tegen een dwangbevel waarbij de Gemeente de door [eiseres] verbeurde (bestuurlijke) dwangsommen invordert. Tegen het aan het dwangbevel ten grondslag liggende besluit (een preventieve last onder dwangsom) is [eiseres] niet opgekomen. In cassatie wordt betoogd dat de dwangsommen niet zijn verbeurd, omdat van overtreding van de last geen sprake is.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 [Eiseres] is eigenaar van een drietal naast elkaar gelegen panden aan de [a-straat 1 t/m 3] te Zutphen. Op 31 maart 2006 heeft de Gemeente [eiseres] een bouwvergunning verleend om die panden te verbouwen. Naar aanleiding van een wijziging van de bouwplannen - anders dan in de bouwvergunning toegestaan zou onder meer op het achterterrein van de huisnummers [1 en 2] een kelder (ondergronds magazijn) worden gerealiseerd - heeft [eiseres] in januari 2006 contact met de bevoegde wethouder van de Gemeente opgenomen. Deze heeft [eiseres] bij e-mail van 27 januari 2006(2) onder meer het volgende bericht:

"De ingetekende kelder/bebouwing van het opendeel en de indeling van de achtergevels belemmert een snelle behandeling. Het bestemmingsplan (...) staat bebouwing niet toe, anders dan door een ruimtelijke ordeningsprocedure te volgen die een dergelijke bouw moet goedkeuren. (...) Het is en blijft zaak dat jouw architect de goede aanvraag doet voor die onderdelen die we snel kunnen uitwerken naar een vergunning."

1.2 Op 25 april 2006 heeft de Gemeente tijdens een controle geconstateerd dat op het genoemde achterterrein een start was gemaakt met de bouw van het ondergrondse magazijn (het beton voor de keldervloer en de wanden was gestort). De Gemeente heeft de bouw daarop met onmiddellijke ingang stilgelegd. Een en ander is [eiseres] bij besluit van 27 april 2006 schriftelijk meegedeeld(3).

1.3 Op 6 november 2006 heeft de Gemeente een eerste aanvraag voor het verlenen van een vrijstelling van het bestemmingsplan van [eiseres] ontvangen. Op 27 november 2006 heeft tussen partijen een bespreking plaatsgevonden, waarbij de bevoegde wethouder van de Gemeente heeft aangegeven waaraan de vrijstellingsaanvraag nog diende te voldoen en dat niet viel te praten over de mogelijkheid met de werkzaamheden aan het magazijn verder te gaan "voordat alles correct is ingediend"(4).

1.4 Naar aanleiding van een controle op 29 november 2006 (waarbij was geconstateerd dat de kap van het pand [a-straat 2] zonder sloopvergunning was gesloopt) heeft de Gemeente [eiseres] bij besluit van 30 november 2006 een last onder dwangsom(5) opgelegd. Het besluit houdt onder meer in:

"Tijdens een gehouden controle op 29 november 2006 is geconstateerd dat de kap van het pand [a-straat 2], is gesloopt. Ingevolge artikel 8.1.1. van de Bouwverordening is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders sloopwerkzaamheden uit te voeren. Daarnaast is het op grond van artikel 40 van de Woningwet verboden te bouwen zonder of in afwijking van een bouwvergunning. U bent niet in het bezit van een bouwvergunning.

Stillegging van de werkzaamheden

De werkzaamheden zijn op basis van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5.22 van de Algemene wet bestuursrecht en ingevolge artikel 11.3 van de Bouwverordening stilgelegd op 30 november 2006 (...). Dit betekent dat u niet verder mag gaan met sloopactiviteiten en/of bouwwerkzaamheden.

Preventieve last onder dwangsomprocedure

Om te voorkomen dat u de werkzaamheden op perceel [a-straat 2] voortzet en daarmee artikel 8.1.1. van de Bouwverordening en artikel 40 van de Woningwet overtreedt leg ik u preventief een dwangsom op.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 8.1.1. van de Bouwverordening is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders sloopwerkzaamheden uit te voeren. Door u is tot op heden geen sloopvergunning aangevraagd. Als gevolg hiervan wordt genoemd wettelijk voorschrift door u overtreden omdat er sloopwerkzaamheden plaatsvinden op het perceel [a-straat 2]. Aangezien u feitelijk en juridisch bij machte bent om de overtredingen te voorkomen wordt u aangeschreven.

Artikel 40 van de Woningwet bepaalt dat er niet gebouwd mag worden zonder of in afwijking van een bouwvergunning. Gelet op uw handhavingsgeschiedenis vrezen wij dat na de illegale sloop, bouwactiviteiten plaats zullen vinden. Om deze gevreesde overtreding te voorkomen leggen wij u preventief een last onder dwangsom op.

(...)

Belangenafweging

Uw belang bij de realisering van uw bouw- en sloopplannen afwegende tegen het algemeen ruimtelijk belang en het belang van handhaving van wettelijke voorschriften van onze gemeente alsmede het belang van het voorkomen van precedentwerking komen wij tot de conclusie dat de laatstgenoemde belangen zwaarder moeten wegen dan uw belang bij het laten ontstaan en/of voortzetten van de overtreding. Bij deze afweging hebben wij tevens uw handhavingsgeschiedenis betrokken.

(...)

DWANGSOMBESCHIKKING

De last

Als feitelijk en juridisch verantwoordelijke sommeren wij u geen bouw- en/of sloopwerkzaamheden uit te voeren in de panden op het perceel [a-straat 1 t/m 3] vóórdat u in bezit bent van een bouw- en sloopvergunning.

De dwangsom

Indien u aan de bovenstaande last geen gehoor geeft leggen wij u, op basis van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht, een dwangsom op van € 25.000,-- per overtreding per dag.

De maximale dwangsom die u kunt verbeuren is € 75.000,--."

[Eiseres] heeft geen bezwaar tegen dit besluit ingediend.

1.5 Tijdens controlebezoeken op 19, 21 en 27 december 2006 is de Gemeente gebleken dat werd/was voortgegaan met de bouwwerkzaamheden aan het ondergrondse magazijn. Bij brieven van respectievelijk 21, 22 en 28 december 2006 heeft de Gemeente [eiseres] erop gewezen dat daarom telkens een dwangsom van € 25.000,- was verbeurd en [eiseres] verzocht de desbetreffende bedragen binnen veertien dagen te voldoen. Dat laatste heeft [eiseres] niet gedaan, reden waarom de Gemeente de betaling van die bedragen (van in totaal € 75.000,-), vermeerderd met rente (€ 690,42) en buitengerechtelijke kosten (€ 1.785,-), bij dwangbevel van 26 februari 2007 heeft ingevorderd. Het dwangbevel is op 7 maart 2007 aan [eiseres] betekend.

1.6 Op 11 maart 2008 is [eiseres] de gevraagde vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

1.7 Bij inleidende dagvaarding van 18 april 2007 heeft [eiseres] bij de rechtbank Zutphen tegen het dwangbevel van 26 februari 2007 verzet gedaan(6). Zij heeft gevorderd dat de rechtbank haar tot goed opposant tegen het dwangbevel zal verklaren en het dwangbevel buiten effect zal stellen(7).

1.8 De Gemeente heeft gemotiveerd verweer gevoerd(8).

1.9 Na bij tussenvonnis van 25 juli 2007 een comparitie van partijen te hebben gelast, welke comparitie op 3 september 2007 heeft plaatsgehad, heeft de rechtbank bij (eind)vonnis van 17 oktober 2007 de stellingen van [eiseres] verworpen tegen de achtergrond van de formele rechtskracht van het dwangsombesluit en de omstandigheid dat [eiseres] niet had bestreden dat zij de last had overtreden(9), en heeft zij het verzet ongegrond verklaard.

1.10 Bij exploot van 30 november 2007 heeft [eiseres] bij het hof Arnhem hoger beroep van het vonnis van 17 oktober 2007 ingesteld. Zij heeft zeven grieven tegen het door haar bestreden vonnis geformuleerd. De Gemeente heeft ook in hoger beroep verweer gevoerd.

1.11 Nadat partijen ter zitting van 7 januari 2009 de zaak hadden doen bepleiten, heeft het hof bij arrest van 28 april 2009 het (eind)vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover daarbij de vordering tot het buiten effect stellen van het dwangbevel integraal is afgewezen. Het hof heeft, opnieuw rechtdoende, het tegen [eiseres] uitgevaardigde dwangbevel van 26 februari 2007, betekend op 7 maart 2007, buiten effect gesteld, doch uitsluitend ter zake van de invorderingskosten ten bedrage van € 1.485,-, de vordering voor het overige afgewezen en het bestreden vonnis voor het overige bekrachtigd.

1.12 [Eiseres] heeft bij exploot van 27 juli 2009 - tijdig(10) - beroep in cassatie van het arrest van 28 april 2009 ingesteld. Bij anticipatie-exploot (art. 408 Rv) van 22 september 2009 heeft de Gemeente de eerst dienende dag vervroegd. De Gemeente heeft tot verwerping van het beroep geconcludeerd, waarna partijen hun respectieve standpunten schriftelijk hebben doen toelichten.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Alvorens het cassatiemiddel te bespreken, roep ik in herinnering dat het vaste rechtspraak is dat de rechtmatigheid van het aan een dwangbevel ten grondslag liggende dwangsombesluit in een verzetprocedure niet aan de orde kan worden gesteld(11). De formele rechtskracht van de desbetreffende beschikking staat hieraan in de weg. De rechter heeft in de verzetprocedure wel de vrijheid om de last naar doel en strekking ervan uit te leggen(12).

Met ingang van 1 juli 2009(13) is als onderdeel van de Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht)(14) de invorderingsbeschikking geïntroduceerd (art. 5:37 Awb). De invorderingsprocedure heeft als gevolg daarvan een meer bestuursrechtelijk karakter gekregen (zie ook art. 5:39 Awb). In de regeling van de Vierde tranche is de mogelijkheid van verzet tegen het dwangbevel als afzonderlijk rechtsmiddel niet gehandhaafd. Op de onderhavige zaak is nog het oude recht van toepassing(15).

2.2 [Eiseres] heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dat middel is gericht tegen de rov. 4.6-4.7, waarin het hof heeft geoordeeld:

"4.6 Grief III betreft de stelling van [eiseres] dat de gemeente misbruik van recht maakt door de dwangsommen in te vorderen, terwijl de gemeente zelf in gebreke is gebleven met het faciliteren van de indiening en afhandeling van de aanvraag tot vrijstelling. [Eiseres] stelt in dit verband dat de gemeente aanvankelijk de indruk heeft gewekt dat de bij de vrijstellingsaanvraag behorende 'goede ruimtelijke onderbouwing' (grob) door de gemeente zelf zou worden verzorgd. De gemeente betwist dat en [eiseres] licht niet toe op grond waarvan die indruk bij haar zou hebben bestaan, zodat het hof aan die stelling voorbijgaat. Verder stelt [eiseres] dat de gemeente na de indiening van de grob op of omstreeks 11 september 2006 niet voortvarend te werk is gegaan. Dat laat echter onverlet dat [eiseres] eerst tot 6 november 2006 (zoals de gemeente ter comparitie in eerste aanleg onbetwist heeft gesteld) heeft gewacht met het indienen van de eerste aanvraag tot vrijstelling van het bestemmingsplan, terwijl haar op grond van de e-mail van 27 januari 2006 reeds duidelijk had moeten zijn dat voor realisering van het ondergrondse magazijn die vrijstelling nodig was. In het midden kan dan ook blijven, zoals [eiseres] in de toelichting bij de grief heeft aangevoerd, of de door [eiseres] gestelde afwezigheid van de behandelend ambtenaar van 6 november 2006 tot 22 november 2006 de in diezelfde toelichting getrokken conclusie rechtvaardigt dat het onder die omstandigheden invorderen van de dwangsommen misbruik van recht zou opleveren. Uit het eerdere en verdere verloop van zaken komt immers naar voren dat a) [eiseres] erg lang heeft gewacht voordat zij de eerste aanvraag indiende, b) de gemeente [eiseres] al in juni 2006 heeft gevraagd waar de grob bleef en c) de gemeente [eiseres] tijdens het gesprek van 29 november 2006 heeft gewezen op de onvolledigheid van de daarvoor benodigde stukken. Aldus kan, mede in het licht van de formele rechtskracht van het dwangsombesluit (zie onder 4.2 en 4.3) en de omstandigheid dat [eiseres] niet aan enige gedraging van de gemeente het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat niet zou worden gehandhaafd (zie onder 4.5), niet worden geoordeeld dat de gemeente haar bevoegdheid tot handhaving (in de zin van daadwerkelijke invordering van de verbeurde dwangsommen) - waartoe zij in beginsel gehouden is - heeft misbruikt. Deze grief slaagt dus evenmin.

4.7 De grieven IV en V hebben geen zelfstandige betekenis."

2.3 Het middel strekt ten betoge dat het hof ten aanzien van het in grief III door [eiseres] aan de orde gestelde misbruik van recht van de Gemeente bij invordering van de drie dwangsommen (in rov. 4.6) ten onrechte heeft geoordeeld dat van dergelijk misbruik geen sprake is, alsmede dat het hof ten aanzien van grief V - waarin [eiseres] stelt dat de Gemeente niet op goede gronden door het uitvaardigen van het dwangbevel betaling van de verbeurde dwangsommen heeft verlangd - (in rov. 4.7) ten onrechte heeft geoordeeld dat aan deze grief geen zelfstandige betekenis toekomt. Met deze oordelen is het hof volgens het middel voorbijgegaan aan de omstandigheid dat - zoals duidelijk uit de stukken naar voren komt - de preventieve last onder dwangsom van 30 november 2006 - die als basis dient voor de latere dwangbevelen - een verbod behelst op bouw- en/of sloopwerkzaamheden in de panden op het perceel [a-straat 1 t/m 3] te Zutphen voordat [eiseres] in het bezit is van een bouw- en sloopvergunning, terwijl de dwangsommen zijn opgelegd(16), louter vanwege werkzaamheden aan het kelderdek van het achter de panden [a-straat 1 en 2] te realiseren magazijn. Het middel betoogt dat de bestreden dwangbevelen geen, althans onvoldoende grondslag vinden in het dwangsombesluit, en dat dit maakt dat invordering wel degelijk misbruik van recht oplevert, althans "goede gronden" ontbeert.

2.4 De rechtbank heeft (in rov. 2.2 van het eindvonnis) vastgesteld dat het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente [eiseres] bij brief van 30 november 2006 (onder meer) een preventieve last onder dwangsom heeft opgelegd inhoudende "een verbod op het uitvoeren van bouw- en/of sloopwerkzaamheden voordat er een bouw- en een sloopvergunning is verleend." De weergave van de feiten door de rechtbank (waaronder ook de hiervoor bedoelde vaststelling) was volgens [eiseres], behoudens enkele door haar verlangde maar hier niet ter zake doende aanvullingen, correct(17). Het hof heeft in rov. 3.5 vastgesteld dat de Gemeente [eiseres] bij besluit van 30 november 2006 op verbeurte van een dwangsom "de last (heeft) opgelegd om geen bouw- en/of sloopwerkzaamheden uit te voeren in de panden op het perceel [a-straat 1 t/m 3] (onderstreping toegevoegd; LK), alvorens in het bezit te zijn van een sloop- en bouwvergunning." Aldus heeft het hof de vaststelling van de rechtbank aangevuld en met de (letterlijke) tekst van de preventieve last onder dwangsom (zie hiervóór onder 1.4) in overeenstemming gebracht. De last is in het besluit immers aldus omschreven dat geen bouw- en/of sloopwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd "in de panden op het perceel [a-straat 1 t/m 3]" voordat een vergunning is verleend.

2.5 Voor zover het middel klaagt over de verwerping van grief III met betrekking tot het gestelde misbruik van recht, kan het niet tot cassatie leiden. De memorie van grieven laat mijns inziens geen andere lezing toe dan dat grief III aan de orde stelt dat de Gemeente zich aan misbruik van recht zou hebben schuldig gemaakt "door de dwangsommen in te vorderen terwijl zij zelf in gebreke is gebleven (...)". Blijkens de op de grief gegeven toelichting doelde [eiseres] met het in gebreke zijn gebleven van de Gemeente op het feit dat de Gemeente niet zelf heeft gezorgd voor een goede ruimtelijke onderbouwing van de vrijstellingsaanvraag en onvoldoende voortvarend heeft gehandeld nadat [eiseres] voor een dergelijke onderbouwing had zorg gedragen. Ook het hof heeft de derde grief van [eiseres] in (de in zoverre in cassatie niet bestreden) rov. 4.6 in die zin opgevat.

Nu [eiseres] haar derde grief niet (mede) hierop heeft doen steunen dat de Gemeente zich (ook daarom) aan misbruik van recht zou hebben schuldig gemaakt omdat het dwangbevel geen althans onvoldoende grondslag in de last onder dwangsom zou vinden, behoefde het hof in verband met het beweerde misbruik van recht niet in te gaan (en mocht het hof in dat verband ook niet ingaan) op de vraag of de gedragingen die aanleiding voor het dwangbevel vormden, al dan niet onder het verbod van de preventieve last onder dwangsom vielen. Overigens geldt dat een verband tussen het beweerde misbruik van recht en de reikwijdte van de preventieve last onder dwangsom geenszins voor de hand ligt. Misbruik van recht vooronderstelt immers een aan de betrokkene (de Gemeente) toekomende bevoegdheid tot invordering, terwijl in de gedachtegang van het middel de bevoegdheid tot invordering überhaupt ontbreekt, omdat géén dwangsommen zouden zijn verbeurd.

2.6 Het middel kan evenmin tot cassatie leiden, voor zover het klaagt dat het hof in rov. 4.7 heeft geoordeeld dat (onder meer) grief V zelfstandige betekenis mist. De integrale tekst van grief V en de daarop gegeven toelichting in de memorie van grieven luidt als volgt:

"Grief V

Ten onrechte overweegt de rechtbank in rechtsoverweging 5.2. dat uit een en ander volgt dat de gemeente op goede gronden door het uitvaardigen van het dwangbevel tegen [eiseres] betaling heeft verlangd van de door haar verbeurde dwangsommen.

Toelichting:

Voor de toelichting op deze grief verwijst [eiseres] naar de toelichting op de voorgaande grieven."

In grief V en (vooral) in de daarop gegeven toelichting ligt besloten dat de grief op niet meer en niet anders berust dan in de voorgaande grieven en de daarop gegeven toelichting reeds is aangevoerd. Bij die stand van zaken kan het hof onmogelijk worden verweten dat het, na grief I (rov. 4.2-4.3), grief II (rov. 4.4-4.5) en grief III (rov. 4.6) te hebben besproken en ongegrond te hebben bevonden, in rov. 4.7 heeft volstaan met de constatering dat (niet alleen grief IV maar ook) grief V zelfstandige betekenis mist.

2.7 Ten overvloede teken ik nog aan dat de rechtbank in rov. 5.2, derde alinea, slot, uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat "(...) [eiseres] niet (heeft) betwist dat zij de last heeft overtreden." Als [eiseres] tegen dat oordeel had willen opkomen of in hoger beroep alsnog het standpunt had willen innemen dat de door de Gemeente geconstateerde gedragingen buiten het bereik van de preventieve last onder dwangsom vielen, had het op haar weg gelegen zulks ondubbelzinnig te doen. Dat laatste is niet gebeurd. De enige grief die het karakter van de geconstateerde gedragingen als overtredingen van de preventieve last enigszins raakt, is de (subsidiaire) grief VI, die echter niet ten betoge strekt dat die gedragingen niet als overtreding van de last zijn op te vatten, maar dat die overtredingen niet als drie overtredingen, maar slechts als één overtreding zouden te zijn beschouwen, mede gelet op het feit dat [eiseres] de brieven van 21 december, 22 december en 28 december (verzonden 29 december) 2006 alle eerst na de kerstdagen ontving.

Overigens is het geenszins evident dat werkzaamheden aan de betrokken kelder buiten het bereik van de preventieve last zouden vallen. Zoals ligt besloten in de hiervóór (in het bijzonder onder 1.1-1.3) reeds weergegeven feiten, spitsten de problemen rond de vergunningverlening zich juist toe op de kelder (het ondergrondse magazijn) die (dat) op het achterterrein van de huisnummers [1 en 2] zou worden gerealiseerd. Ook het dwangbesluit, als geheel genomen, wijst niet erop dat de Gemeente werkzaamheden aan die kelder van de last heeft willen uitzonderen. Zo spreekt het dwangsombesluit onder het kopje "Preventieve last onder dwangsomprocedure" heel in het algemeen van "werkzaamheden op perceel [a-straat 2]":

"Om te voorkomen dat u de werkzaamheden op perceel [a-straat 2] voortzet en daarmee artikel 8.1.1. van de Bouwverordening en artikel 40 van de Woningwet overtreedt leg ik u preventief een dwangsom op."

Dat het dispositief ("De last") van het dwangsombesluit ("Als feitelijk en juridisch verantwoordelijke sommeren wij u geen bouw- en/of sloopwerkzaamheden uit te voeren in de panden op het perceel [a-straat 1 t/m 3] vóórdat u in bezit bent van een bouw- en sloopvergunning") spreekt van bouw- en/of sloopwerkzaamheden "in de panden op het perceel [a-straat 1 t/m 3]" doet aan het voorgaande niet af. De gebruikte formulering dwingt niet ertoe de werking van de last tot de oude bebouwing van de betrokken percelen beperkt te achten en de kelder, die volgens de eigen stellingen van [eiseres] in december 2006 al nagenoeg gereed was(18), daarvan uit te zonderen. Het begrip "pand" sluit een kelder (een ondergronds magazijn) niet categorisch uit; men denke in dit verband ook aan de term "kelderpand". Dat de last spreekt van werkzaamheden "in" (en niet "aan") de panden kan evenmin beslissend worden geacht, reeds omdat ook van de sloop van de kap van het pand [a-straat 2], welke sloop de directe aanleiding voor het dwangsombesluit vormde, niet kan worden gezegd dat hij naar de letter genomen "in" het pand [a-straat 2] plaatsvond. Bij dit alles moet ten slotte worden bedacht dat de verzetrechter de vrijheid heeft om de last naar doel en strekking ervan uit te leggen (zie hiervóór onder 2.1). Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof (evenals de rechtbank) de last onder dwangsom aldus opgevat dat hij op alle op de betrokken percelen niet vergunde sloop- en bouwwerkzaamheden betrekking heeft.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Rov. 3.2-3.7 van het bestreden arrest.

2 Prod. 3 bij de akte van 16 mei 2007.

3 Prod. 4 bij de akte van 16 mei 2007.

4 Prod. 1 bij de conclusie van antwoord.

5 Prod. 6 bij de akte van 16 mei 2007.

6 Op grond van art. 5:33 lid 2 (oud) jo art. 5:26 lid 3 (oud) Awb. Door het verzet is de tenuitvoerlegging op grond van art. 5:26 lid 4 (oud) Awb geschorst.

7 Zie voor de stellingen van [eiseres] rov. 3.2 van het vonnis van de rechtbank van 17 oktober 2007.

8 Zie voor de verweren van de Gemeente rov. 4.2 van het vonnis van de rechtbank van 17 oktober 2007.

9 Rov. 5.2 van het vonnis.

10 Het bestreden arrest is op 28 april 2009 uitgesproken; de cassatiedagvaarding is op 27 juli 2009 uitgebracht.

11 Vgl. HR 18 december 1987, LJN: AD0121, NJ 1989, 527, m.nt. MS, rov. 3.1; HR 5 september 1997, LJN: ZC2418, NJ 1998, 47, rov. 3.2-3.3 en HR 8 november 2002, LJN: AE8216, NJ 2002, 613, rov. 3.5. Zie over (het karakter van) de verzetprocedure P.J.J. van Buuren e.a., Bestuursdwang en dwangsom (2005), p. 200-216, J.H. Verweij, De bestuurlijke dwangsom (1997), p. 253-263, en M.A. de Groote en R.M. van Bemmel, Invorderingsperikelen bij de bestuurlijke dwangsom, Gst. 2005, 82.

12 Zie HR 8 november 2002, LJN: AE8216, NJ 2002, 613, rov. 3.5.

13 Besluit van 25 juni 2009, Stb. 2009, 266.

14 Stb. 2009, 264.

15 Art. III lid 1 Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht. Zie voor overgangsperikelen: C.J. IJdema en U.T. Hoekstra, Overgangsperikelen vierde tranche Awb bij de invordering van verbeurde dwangsommen en kosten van bestuursdwang, Gst. 2009, 129.

16 Kennelijk is bedoeld dat volgens de Gemeente de dwangsommen vanwege de bedoelde werkzaamheden zouden zijn verbeurd.

17 Memorie van grieven, p. 1, onder het kopje "Feiten:".

18 [Eiseres] heeft bij pleidooi in hoger beroep onder meer gesteld: "Immers de betreffende magazijnruimte was al grotendeels afgebouwd eerder in 2006, met vloer, zijbekisting en betonplexplaten op de bovenliggers. Er moest nog bovenvloerbewapening worden aangebracht en het beton moest nog gestort."; zie pleitnotitie mr. Ravenshorst in hoger beroep onder 3 en 12.