Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO7091

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2011
Datum publicatie
11-02-2011
Zaaknummer
10/04612
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO7091
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Beëindiging van toepassing schuldsaneringsregeling (o.g.v. art. 350 lid 3 onder c F.) wegens niet nakomen van verplichtingen op grond van schuldsaneringsregeling. (Art. 81 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/258
JWB 2011/82
Verrijkte uitspraak

Conclusie

10/04612

Mr. L. Timmerman

Parket: 10 december 2010

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

verzoeker tot cassatie

(hierna: [verzoeker])

Verkorte conclusie

1.1 Bij vonnis van 3 september 2010 heeft de rechtbank Groningen op voordracht van de rechter-commissaris de sinds 4 september 2007 op [verzoeker] van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling beëindigd - kort gezegd - omdat naar het oordeel van de rechtbank [verzoeker] toerekenbaar is tekortgekomen in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

1.2 [Verzoeker] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Leeuwarden.

Het hof heeft de zaak ter zitting van 6 oktober 2010 inhoudelijk behandeld. [Verzoeker] is niet verschenen. Bij arrest van 14 oktober 2010 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.3 Tegen dit arrest heeft [verzoeker] tijdig(1) beroep in cassatie ingesteld.

1.4 Het verzoekschrift bevat twee cassatiemiddelen.

Middel 1 is gericht tegen rov. 4 waarin het hof heeft overwogen dat de raadsheer van [verzoeker] op de zitting heeft erkend dat [verzoeker] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De raadsman heeft het hof om die reden het verzoek om te bepalen dat de schuldsaneringsregeling ten onrechte door de rechtbank Groningen is beëindigd ingetrokken. Het middel klaagt dat de redenering van het hof onbegrijpelijk is. Het hof heeft in haar oordeel onvoldoende rekening gehouden met de gronden van het hoger beroep van 9 september 2010 en heeft ten onrechte de raadsman gevolgd bij de mondelinge behandeling zonder dat [verzoeker] hierbij aanwezig was. [Verzoeker] is het niet eens met het door de raadsman aangevoerde tijdens de mondelinge behandeling.

1.5 Het middel faalt. De raadsman van [verzoeker] heeft ter zitting het verzoek aan het hof om te bepalen dat de schuldsaneringsregeling door de rechtbank ten onrechte is beëindigd, ingetrokken. Daardoor hoefde het hof de gronden niet meer te behandelen en blijft het oordeel van de rechtbank dat [verzoeker] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen in stand. Dat [verzoeker] niet de intentie heeft gehad om het verzoek in te trekken speelt tussen de raadsman en [verzoeker]. Nu [verzoeker] zelf niet op de zitting aanwezig was, mocht het hof afgaan op de uitlatingen van de raadsman ter zitting. Het oordeel van het hof is dan ook niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Bovendien blijkt uit het verslag van de bewindvoerder van 27 september 2010 dat [verzoeker] geen bijdrage meer betaalde aan de schuldsaneringsregeling en zijn schulden - anders dan de raadsman in zijn beroepschrift had aangegeven - zijn verhoogd. Daar komt bij dat uit het verslag van de bewindvoerder blijkt dat [verzoeker] vanaf het begin van de schuldsaneringsregeling niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan en tevens de sollicitatieplicht niet is nagekomen. Ondanks dat [verzoeker] duidelijk op zijn verplichtingen is gewezen, heeft hij nagelaten de verplichtingen uit de WSNP te voldoen.

1.6 Middel 2 is gericht tegen rov. 5 waarin het hof heeft geoordeeld dat het hof met de bewindvoerder van oordeel is dat er geen mogelijkheden zijn om gedurende een eventuele maximale verlenging van de schuldsaneringsregeling de achterstand in de boedelafdracht kan worden ingelopen en de nieuwe schulden af te lossen. Het middel klaagt dat het hof ongemotiveerd aan het verzoek tot verlenging van de termijn voorbij is gegaan.

1.7 Het middel faalt. Het hof heeft in rov. 3 de maatstaf aangegeven. Het hof heeft overwogen dat:

"In geval van een toerekenbare tekortkoming, kan de rechter daarbij bepalen dat de tekortkoming, gezien haar aard of geringe betekenis, buiten beschouwing blijft (artikel 354, tweede lid Fw)."

1.8 In rov. 4 heeft het hof geconstateerd dat de raadsman het hoger beroep terzake van het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, heeft ingetrokken. Daarmee blijft het oordeel van de rechtbank in stand. Het hof kon daardoor enkel nog een beslissing nemen ten aanzien van het verzoek om de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen. Gezien de achterstand op de boedelrekening en de hoogte van de nieuwe schulden is het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat met een maandelijkse extra betaling van € 60,- [verzoeker] gedurende een maximale verlenging van de schuldsaneringsregeling deze schulden niet in kan lopen en kan aflossen.

2. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het verzoekschrift is ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 22 oktober 2010, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van 8 dagen.