Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO6754

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2011
Datum publicatie
22-02-2011
Zaaknummer
09/03599 J
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO6754
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Herstelarrest. Als gevolg van een administratieve vergissing is de raadsman niet op de hoogte gesteld van de betekening van de aanzegging in cassatie. De HR heeft bij arrest van 9-2-2010 verdachte n-o verklaard in het beroep omdat geen middelen zijn ingediend. De HR zal dit arrest intrekken. Het arrest i.c. strekt daartoe. HR: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2011/338

Conclusie

Nr. 09/03599 J

Mr. Machielse

Zitting 30 november 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 2 april 2009 voor Overtreding van art. 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot een geldboete van € 180,00 en tot een voorwaardelijke jeugddetentie van een week.

2. Mr. J. Wellers, advocaat te Zevenaar, heeft cassatie ingesteld. Als gevolg van een administratieve vergissing is de raadsman, mr. F.W. Verweij, advocaat te Amersfoort, die zich in cassatie heeft gesteld, niet op de hoogte gebracht van de betekening van de aanzegging. Als gevolg daarvan is de verdachte bij arrest van 9 februari 2010 niet-ontvankelijk verklaard in het beroep. De Hoge Raad zal dit arrest dienen in te trekken. Aan de advocaat van verdachte is gelegenheid gegeven om alsnog een schriftuur in te dienen. Mr. J.J.D. van Dooleweerd, advocaat te Amersfoort, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof niet heeft geantwoord op het verweer dat de staandehouding van verdachte onrechtmatig was. De reden voor aanhouding is door verbalisant niet in het proces-verbaal vermeld. De steller van het middel voert aan dat verbalisant had moeten aangeven op welke bevoegdheid verbalisant de aanhouding baseerde en dat het hof de toepassing van de bevoegdheid had moeten beoordelen.

3.2. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep houdt als verklaring van de gemachtigd advocaat het volgende in:

"De grondslag voor staandehouding wordt niet vermeld in het proces-verbaal. Ik betwist de rechtmatigheid van de staandehouding bij gebrek aan wetenschap."

Het hof heeft in de aantekening van het mondeling arrest het volgende opgenomen:

"Het hof overweegt dat ingevolge artikel 160 juncto artikel 159 van de Wegenverkeerswet 1994 eenieder te allen tijde staande gehouden kan worden in het kader van toezicht of controle om na te kunnen gaan of rechtsregels bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 worden nageleefd.

Het hof verwerpt het verweer."

3.3. Een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in art. 359a Sv dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in het tweede lid van het artikel zijn genoemd.

Met het oog daarop mag van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van die factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven.(1)

3.4. Hetgeen de gemachtigd advocaat ter terechtzitting van het hof heeft aangevoerd voldoet niet aan deze eisen. Het hof was dan ook niet gehouden om op dit onderdeel een met redenen omklede beslissing te geven, zodat over de wel gegeven motivering in cassatie niet kan worden geklaagd.

Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof twee bewijsmiddelen als bewijs heeft gebezigd, waaronder een schriftelijk bescheid als bedoeld in art. 344, lid 1, onder 5 Sv, aangeduid als bewijsmiddel 2. Dit geschrift wordt, zo houdt de aantekening mondeling arrest in, gebezigd in verband met de inhoud van het onder 2 genoemde bewijsmiddel. Dat is niet toegestaan; het moet gaan om een ander bewijsmiddel.

4.2. Hier is sprake van een evidente verschrijving. Bedoeld is een verwijzing naar de inhoud van het als 1 genummerde bewijsmiddel. De Hoge Raad kan dit deel van de aantekening mondeling arrest verbeterd lezen, waardoor de grondslag aan het tweede middel komt te ontvallen.

5. Beide middelen falen en kunnen bij verbeterde lezing van de aantekening met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve wijs ik er op dat de verdachte, op wie het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, op 16 april 2009 beroep in cassatie heeft ingesteld. Sedertdien zijn reeds meer dan zestien maanden verstreken. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Nu het Hof aan de verdachte een week geheel voorwaardelijke jeugddetentie heeft opgelegd en een onvoorwaardelijke geldboete van minder dan € 1.000,-, kan de Hoge Raad dit compenseren met de enkele constatering dat inbreuk is gemaakt op art. 6 EVRM.(2) Gronden die ambtshalve tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het arrest van 9 februari 2010 zal intrekken, zal vaststellen dat zich een overschrijding heeft voorgedaan van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, maar dat met de enkele constatering van die overschrijding zal worden volstaan en dat het beroep voor het overige wordt verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376 m.nt. Buruma rov. 3.7.

2 Vgl. HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358 m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.6.2. onder C