Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2011:BO6753

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-01-2011
Datum publicatie
25-01-2011
Zaaknummer
09/03592
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2009:BI8015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2011:BO6753
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bewijsminimum art. 342.2 Sv (unus testis, nullus testis). Zedenzaak. HR herhaalt de relevante overwegingen uit HR LJN BM2452. I.c. kan niet worden gezegd dat de tot het bewijs gebezigde verklaring van aangeefster onvoldoende steun vindt in het overige gebezigde bewijsmateriaal. Geen schending van art. 342.2 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2011/64
RvdW 2011/189
NJB 2011, 361
VA 2012/8 met annotatie van J.H. Janssen
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/03592

Mr Machielse

Zitting 7 december 2010

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld bij arrest van 22 juni 2009.

2. Namens verdachte heeft mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring in strijd met het bepaalde in art. 342 lid 2 Sv in wezen slechts berust op de verklaring van één getuige en derhalve onvoldoende is gemotiveerd.

3.2. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen (vgl. HR 26 januari 2010, LJN BK2094).

Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.(1)

3.3. De vraag is of in het onderhavige geval de tot het bewijs gebezigde verklaring van het slachtoffer voldoende steun vindt in het overige gebezigde bewijsmateriaal.(2)

Zoals het hof in zijn bewijsmotivering heeft overwogen, is tot het bewijs naast de verklaring van het slachtoffer onder meer de verklaring van de moeder van het slachtoffer en de ex-vriend van het slachtoffer gebezigd. Deze beide verklaringen bevestigen het verhaal van het slachtoffer, in die zin dat daarin gerelateerd wordt wat het slachtoffer hen over de gestelde gang van zaken heeft verteld. Aldus hebben deze verklaringen van de moeder en de voormalige vriend van het slachtoffer dezelfde bron; het slachtoffer zelf. Voor de verklaring van het slachtoffer omtrent de door verdachte verstuurde sms is steunbewijs voorhanden in bewijsmiddel 2, waaruit volgt dat op de genoemde datum inderdaad een sms door verdachte aan het slachtoffer is verzonden met de tekst 'lief' erin.

Voorts wordt de verklaring van het slachtoffer voorzover inhoudende dat verdachte haar na 17 november 2005 ook nog gebeld heeft en haar maar 'lieverd' en 'moppie' bleef noemen, ondersteund door de verklaring van haar moeder waarin zij relateert dat zij er bij was toen verdachte op 21 november 2005 weer belde naar het slachtoffer, en dat moeder, omdat zij meeluisterde aan de hoorn toen verdachte met het slachtoffer sprak, verdachte het slachtoffer 'moppie' en liefje' hoorde noemen. Ook het gedeelte van de verklaring van het slachtoffer voor zover inhoudende dat verdachte tegen haar zou hebben gezegd 'we kunnen nog wel aardig en lief zijn voor elkaar tot 1 januari' vindt dus steun in het overige gebezigde bewijsmateriaal, waarvan overigens bovendien nog uitmaakt de verklaring van de verdachte dat het slachtoffer in de bewezenverklaarde periode als zijn tandartsassistente heeft gewerkt.

Dit alles lijkt mij van belang voor de waardering van de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster. Ook als men ervan uitgaat dat aangeefster volkomen betrouwbaar heeft verklaard brengt dat nog niet met zich dat dus ook de hobbel van het tweede lid van art. 342 Sv is genomen. Ik ben van oordeel dat dat niet het geval is. De door het hof kennelijk als ondersteuning te hulp geroepen verklaringen hebben niet direct betrekking op enig onderdeel van het bewezenverklaarde feit.(3) De verklaringen van beide getuigen zijn ontleend aan dezelfde bron. Dat verdachte de tandarts was bij wie het slachtoffer als tandartsassistente in dienst was zou wel een onderdeel van de bewezenverklaring kunnen ondersteunen, maar heeft nou niet bepaald een sterke band met de kern van het tenlastegelegde feit.

3.4. Het middel faalt.

4. Het voorgestelde middel faalt. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 O.m. HR 13 juli 2010, NJ 2010, 515 m. nt. Borgers.

2 HR 5 oktober 2010, LJN BN 7128, rov. 2.5.

3 Vgl. in dit verband HR 13 juli 2010, LJN BM2452, NJ 2010, 515 m.nt. Borgers waarin de nadere bewijsmotivering van het hof door de Hoge Raad niet voldoende werd bevonden.